Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9031

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
200605780/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Steenbergen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 januari 2006, het bestemmingsplan "De Heen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/4611
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605780/1.

Datum uitspraak: 21 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Steenbergen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 januari 2006, het bestemmingsplan "De Heen" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 juni 2006, nummer 1177692, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door M. Meulblok, ambtenaar van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door B.C. Coolen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Standpunt van verweerder

2.2.    Verweerder heeft bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan de artikelen 22 en 23, eerste lid, van de planvoorschriften.

Hij stelt zich op het standpunt dat de in artikel 23, eerste lid van de planvoorschriften, opgenomen wijzigingsbevoegdheid in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het perceel waarop de wijzigingsbevoegdheid is gelegd wordt grotendeels gebruikt voor agrarische doeleinden. Het perceel behoort feitelijk tot het buitengebied. De noodzaak voor uitbreiding van de woningbouw is onvoldoende aangetoond. Er kunnen op het perceel veel meer woningen worden gebouwd dan voor de kern De Heen noodzakelijk is in de komende planperiode. De wijzigingsbevoegdheid doorkruist de bestuurlijke afspraken die tussen het provinciebestuur en het gemeentebestuur zijn gemaakt dat er maar één uitbreidingslocatie in de gemeente zou zijn, aldus verweerder.

Wat betreft artikel 22 van de planvoorschriften stelt hij zich op het standpunt dat het artikel in strijd is met het recht, omdat deze bepaling in het toepassingsbereik van de overgangsbepaling van artikel 26 van de planvoorschriften treedt.

Standpunt van appellant

2.3.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de artikelen 22 en 23, eerste lid, van de planvoorschriften. Hiertoe voert hij aan dat de wijzigingsbevoegdheid van artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften een perceel betreft dat volgens de kaart van de geldende streekplanuitwerking "Uitwerkingsplan landelijke regio Halderberge en Steenbergen" van 21 december 2004 (hierna: het Uitwerkingsplan) in het stedelijk gebied ligt. Ook op basis van het feitelijk gebruik en de bestemming in het vorige bestemmingsplan "Recreatieve Doeleinden - Volkstuinen (Rvt)" moet het perceel als stedelijk gebied worden aangemerkt. Tevens stelt hij zich op het standpunt dat de provinciale behoefteprognoses naar boven zijn bijgesteld en dat er extra plekken voor woningbouw nodig zijn om in de eigen woningbehoefte te kunnen voorzien. In verband daarmee voert hij aan dat het gemeentebestuur de vrijheid heeft om de hoeveelheid te bouwen woningen over de gemeentelijke kernen te verdelen. Daarnaast wijst appellant erop dat in de gemeentelijke "Structuurvisie Plus" het perceel is aangeduid als inbreidingslocatie. Het Uitwerkingsplan bevat een overzicht van mogelijke bouwlocaties, maar kan niet worden gezien als een gemeentelijke planning. Een aantal van deze locaties zal afvallen, zoals blijkt uit de gemeentelijke ontwerp-Woonvisie.

Hij voert tevens aan dat de onthouding van goedkeuring aan artikel 22 onjuist is omdat het artikel een algemene vrijstellingsbevoegdheid bevat en dus niets te maken heeft met het overgangsrecht.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemmingen "Recreatieve doeleinden (R)" voor het op de kaart aangegeven wijzigingsgebied 1 te wijzigen in de bestemmingen "Woondoeleinden (W)", "Erven (E)", "Tuinen (T)", "Verkeersdoeleinden (V)" en "Groenvoorzieningen (GR)".

2.4.2.    Het perceel waarop de wijzigingsbevoegdheid van artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften van toepassing is, heeft in het voorliggende bestemmingsplan de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de subbestemming "volkstuinen" (Rvt).

In het vorige bestemmingsplan had het perceel ook de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de subbestemming "volkstuinen" (Rvt).

De grond van het perceel werd grotendeels verhuurd aan dorpsbewoners ten behoeve van het gebruik als volkstuintjes. In de loop van de tijd is er steeds minder grond verhuurd en is er gedeeltelijk gras ingezaaid in afwachting van een nieuwe bestemming. De gemeente heeft het perceel niet verpacht aan een agrariër.

2.4.3.    Op de plankaart die hoort bij het Uitwerkingsplan, staat aangegeven waar de grens van het stedelijk gebied van De Heen met het landelijk gebied loopt. Aan het stedelijk gebied van De Heen grenst een zone in het landelijk gebied waarvoor transformatie van landelijk naar stedelijk gebied afweegbaar is. Dit is op de kaart zichtbaar als lichtgroen vlak rond een groot gedeelte van de kern De Heen.

2.4.4.    In de provinciale beleidsnota "Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, actualisering 2005" van 11 oktober 2005 , wordt in bijlage 5 voor de gehele gemeente Steenbergen in de periode tot 2014 de benodigde woningtoename ingeschat op 740 woningen.

2.4.5.    In de in 2002 vastgestelde Structuurvisie Plus van de gemeente is het perceel aangemerkt als mogelijke inbreidingslocatie voor afrondende woningbouw.

2.4.6.    In de gemeentelijke beleidsnota "ontwerp-Woonvisie" worden bouwlocaties aangegeven voor bouwplannen vanaf 10 woningen. Het desbetreffende perceel staat hier niet bij. In de ontwerp-Woonvisie is een restcapaciteit beschikbaar voor eventuele nog te ontwikkelen kleine bouwplannen.

De Woonvisie is in december 2006 vastgesteld, hierbij is het perceel opgenomen in de gemeentelijke bouwplannen.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Gelet op de feitelijke situatie als beschreven in overweging 2.4.2., is het standpunt van verweerder dat het grootste gedeelte van het perceel wordt gebruikt voor agrarische doeleinden, onjuist. Hierbij is in aanmerking genomen dat het gebruik van de grond als volkstuin niet als agrarisch kan worden aangemerkt. Evenmin kan het enkel inzaaien met gras als agrarisch gebruik worden aangemerkt. Daarnaast kan de stelling van verweerder dat het perceel feitelijk tot het buitengebied behoort omdat het perceel niet aan drie zijden omringd wordt door bebouwing, niet doorslaggevend worden geacht. Weliswaar geeft de bij het Uitwerkingsplan behorende plankaart geen uitsluitsel over de grens tussen het landelijk en het stedelijk gebied, maar wel is duidelijk dat indien het perceel niet tot het stedelijk gebied zou behoren, het in ieder geval in de transformatiezone ligt. Het Uitwerkingsplan voorziet in de mogelijkheid binnen die zone stedelijke functies toe te voegen. Verder heeft verweerder niet aangetoond dat er geen noodzaak is om binnen de planperiode het aantal woningen bij de kern De Heen uit te breiden. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat het provinciale beleid omtrent woningbouw de mogelijkheid open laat dat het gemeentebestuur buiten de specifiek aangewezen grote woningbouwlocaties op andere locaties woningbouw realiseert, indien dat noodzakelijk is in verband met de woningbehoefte en woningverdeling binnen de gemeente. Tevens heeft appellant ter zitting te kennen gegeven dat er een aantal mogelijke bouwlocaties uit de ontwerp-Woonvisie is afgevallen.

Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bouw van een beperkt aantal woningen op het perceel, zoals het gemeentebestuur voor ogen staat, een doorkruising betekent van de bestuurlijke afspraken.

2.5.1.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is wat betreft dit planonderdeel gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.6.    Met betrekking tot artikel 22 van de planvoorschriften heeft verweerder ter zitting gesteld dat hij abusievelijk hieraan goedkeuring heeft onthouden en dat dit planonderdeel moet worden goedgekeurd. Nu verweerder thans een ander standpunt inneemt ten aanzien van dit planonderdeel dan in het bestreden besluit, is dit besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen.

Het beroep is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, wat betreft dit planonderdeel, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Aangezien verweerder heeft erkend dat dit planonderdeel dient te worden goedgekeurd, ziet de Afdeling voorts aanleiding op dit onderdeel zelf in de zaak te voorzien op de hierna te melden wijze.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 6 juni 2006, kenmerk 1177692/1199590, voor zover het de onthouding van goedkeuring aan de artikelen 22 en 23, eerste lid, van de planvoorschriften betreft;

III.    verleent goedkeuring aan artikel 22 van de planvoorschriften;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit de onthouding van goedkeuring aan artikel 22 van de planvoorschriften betreft;

V.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra        w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007

12-545.