Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9028

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
200606386/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "De Voordijk B.V." (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pelsdierenhouderij en vleesveebedrijf gelegen op het perceel Voordijk 3 te Putten. Dit besluit is op 21 juli 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2007, 44
Milieurecht Totaal 2007/3780
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/2229
JB 2007/120
JOM 2007/152
OGR-Updates.nl 1001362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606386/1.

Datum uitspraak: 21 februari 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Putten,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "De Voordijk B.V." (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pelsdierenhouderij en vleesveebedrijf gelegen op het perceel Voordijk 3 te Putten. Dit besluit is op 21 juli 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 21 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2006, en appellanten sub 2 bij brief van 26 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2006, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 24 september 2006.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2007, waar appellanten sub 2, van wie [appellant] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door M. Wolders, ambtenaar van de gemeente, en ing. M. Busscher, adviseur van Ingenieursbureau "Oranjewoud B.V.", zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellanten sub 1 hebben de grond inzake het Besluit luchtkwaliteit 2005 niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 1 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 1 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.    Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 35 zoogkoeien ouder dan 2 jaar, 15 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, 10 vleesstieren van 6 tot 24 maanden, 3 volwassen paarden, 2 volwassen pony's en 8.999 fokteven van nertsen.

   Bij besluit van 17 januari 2001 is eerder vergunning verleend voor het houden van 50 zoogkoeien ouder dan 2 jaar, 39 vleesstieren van 6 tot 24 maanden, 1 volwassen paard, 1 volwassen pony en 4.017 fokteven van nertsen.

2.4.    Appellanten sub 1 en appellanten sub 2 stellen dat er sprake is van stankhinder. Appellanten sub 2 stellen in dit verband dat vergunningverlening in strijd is met de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Regeling) nu verweerder de ingevolge de Regeling minimaal aan te houden afstand tussen de nertsenstallen en de woning [locatie] met 25 meter heeft verminderd. Dit is slechts mogelijk indien de nertsen in emissiearme huisvesting worden gehouden en hiervan is volgens appellanten sub 2 geen sprake. Voorts stellen appellanten sub 2 dat nu nog geen bouwvergunning is verleend, niet duidelijk is waar de extra sheds worden gebouwd, zodat niet kan worden vastgesteld hoeveel de afstand tussen het emissiepunt van de sheds dat het dichtst bij de woning [locatie] is gelegen en de gevel van deze woning bedraagt.

2.4.1.        Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij die geheel of gedeeltelijk is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied of een extensiveringsgebied met het primaat natuur waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt, de stankhinder uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 6.

   Vaststaat dat de inrichting is gelegen in een gebied waarvoor ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een reconstructieplan was bekend gemaakt. De emissie van stank uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven dient ingevolge voornoemd artikel 2 derhalve te worden beoordeeld aan de hand van de Wet stankemissie.

2.4.2.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet stankemissie wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd, indien de afstand van de veehouderij tot een voor stank gevoelig object, behorend tot een van de categorieën I tot en met IV, dat niet tot de veehouderij behoort, minder bedraagt dan het aantal meters dat volgt uit de in de bijlage opgenomen berekeningsmethode.

   Ingevolge bijlage 2 bij de Regeling gelden voor pelsdieren (vossen en nertsen) in het kader van stankhinder vaste afstanden.

2.4.3.    Niet bestreden is dat voor zover het dierenverblijven betreft waar dieren anders dan nertsen worden gehouden aan de ingevolge de Regeling minimaal aan te houden afstanden wordt voldaan.

   Het dichtst bij de inrichting gelegen stankgevoelig object is de woning [locatie]. Niet bestreden is dat het een categorie IV-object betreft. Ingevolge de Regeling dient bij een veebestand van 8.999 nertsen ten opzichte van categorie IV-objecten als bedoeld in de Wet stankemissie, een afstand van minimaal 175 meter te worden aangehouden. Nu de nertsen blijkens de aanvraag in Groen Labelstallen worden gehouden, wordt de afstand als bedoeld in bijlage 2 van de Regeling met 25 meter verminderd en dient minimaal een afstand van 150 meter te worden aangehouden.

   Niet bestreden is dat de afstand tussen de woning [locatie] en het dichtst bij deze woning gelegen emissiepunt van de nertsen sheds 160 meter bedraagt. Gelet hierop wordt aan de ingevolge de Regeling minimaal aan te houden afstand voldaan, zodat verweerder de gevraagde vergunning in zoverre terecht heeft verleend.

2.4.4.    Voor zover appellanten sub 2 stellen dat niet zeker is waar de nertsen sheds worden gebouwd, overweegt de Afdeling dat uit de tekening behorende bij de aanvraag blijkt waar de sheds komen te staan. De aanvraag maakt blijkens het dictum onderdeel uit van het bestreden besluit, zodat de plaats waar de sheds dienen te komen, vast ligt. Deze beroepsgrond mist derhalve feitelijke grondslag.

2.5.    Appellanten sub 2 stellen dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het aspect faunavervalsing als gevolg van het ontsnappen van dieren.

2.5.1.    Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting gesteld dat bij een normale bedrijfsvoering wordt getracht het ontsnappen van nertsen tot een minimum te beperken. Verweerder voert hierbij aan dat de nertsen worden gehuisvest in metalen kooien. Voorts is rondom de inrichting een schutting van damwanden aangebracht met een hoogte van 1,2 meter. Deze damwanden vormen samen met de vergrendelde toegangspoort een afgesloten geheel, waardoor de ontsnappingsmogelijkheden van de nertsen tot een minimum worden beperkt, aldus verweerder.

2.5.2.    De Afdeling overweegt dat in het bestreden besluit geen voorschriften zijn opgenomen betreffende de omheining. Wel is op de tekening behorende bij de aanvraag een omheining (afrastering) getekend. Deze aanvraag maakt blijkens het dictum deel uit van het bestreden besluit. Verder is in voorschrift 1.1.1 van het bestreden besluit bepaald dat de inrichting in goede staat van onderhoud moet verkeren. Gelet hierop en gezien de omstandigheid dat vergunninghoudster zelf er groot belang bij heeft om ontsnapping van de nertsen te voorkomen, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor het ontsnappen van nertsen uit de inrichting en daarmee voor faunavervalsing niet behoeft te worden gevreesd. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.6.    Appellanten sub 2 stellen dat het bestreden besluit in strijd is met de Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn) en met de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn) nu verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de toename van de ammoniakemissie op de nabijgelegen Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Voorts stellen zij dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar mogelijke andere gevolgen die de inrichting heeft voor deze gebieden.

2.6.1.    In de omgeving van de inrichting zijn de Vogelrichtlijngebieden "Arkemheen" en "Wolderwijd en Nuldernauw" gelegen. Het Habitatrichtlijngebied "Wolderwijd" maakt onderdeel uit van het Vogelrichtlijngebied "Wolderwijd".

2.6.2.    Met de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) is beoogd de gebiedsbeschermingsbepalingen uit de Habitat- en Vogelrichtlijn te implementeren. De hierboven omschreven gebieden zijn aangewezen als gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn als bedoeld in de Nbw 1998. De bezwaren van appellanten sub 2 dienen aan de orde te komen bij de vraag of een vergunning ingevolge de Nbw 1998 is vereist en zo ja, of die vergunning kan worden verleend en onder welke voorwaarden. Daarbij dienen tevens de effecten op het gebied "Wolderwijd" als Habitatrichtlijngebied te worden beoordeeld. Er bestaat daarom geen ruimte voor beoordeling van deze bewaren in het kader van het beroep tegen de verleende milieuvergunning.

2.7.    Appellanten sub 2 stellen dat verweerder het bestreden besluit niet zonder vooringenomenheid heeft genomen. Deze vooringenomenheid blijkt volgens appellanten sub 2 uit de omstandigheid dat verweerder op kosten van de Puttense nertsenbranche een werkbezoek heeft gebracht aan een veiling van nertsenpelzen in Kopenhagen.

   Ingevolge artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht dient het bestuursorgaan zijn taak te vervullen zonder vooringenomenheid. De omstandigheid dat verweerder op kosten van de Puttense nertsenbranche een werkbezoek heeft gebracht, impliceert niet zonder meer dat hij de aanvraag om vergunning krachtens de Wet milieubeheer niet zonder vooringenomenheid zou kunnen toetsen aan de relevante regelgeving en het door hem gehanteerde beleid. De door appellanten sub 2 aangedragen omstandigheden noch de stukken of het verhandelde ter zitting geven aanleiding voor het oordeel dat verweerder die toets in het onderhavige geval met vooringenomenheid heeft verricht. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

2.8.    Het beroep van appellanten sub 1 is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Het beroep van appellanten sub 2 is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 1 voor zover het de grond inzake het Besluit luchtkwaliteit 2005 betreft, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van appellanten sub 1 voor het overige ongegrond;

III.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting         w.g. Van Leeuwen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007.

159-492.