Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9027

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
200409706/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2004 heeft verweerder de aanvraag van appellant om een energiepremie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409706/1.

Datum uitspraak: 21 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Tytsjerksteradiel,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2004 heeft verweerder de aanvraag van appellant om een energiepremie afgewezen.

Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 29 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 december 2004.

Bij brief van 7 maart 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 4 oktober 2005, no. 200409706/2, heeft de Afdeling het beroep na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht) ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 13 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2005, verzet gedaan.

Bij uitspraak van 3 februari 2006, no. 200409706/3, heeft de Afdeling het verzet gegrond verklaard.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2006, waar appellant in persoon, en bijgestaan door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.J.C. van Amerongen, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op basis van artikel 15.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer is vastgesteld de Tijdelijke regeling energiepremies 2003 (Stcrt. 2002, nr. 248) (hierna: de Tre 2003).

   Ingevolge artikel II, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling intrekking en overgangsbepalingen Tijdelijke regeling energiepremies 2003 (Stcrt. 2003, nr. 193), zoals gewijzigd per regeling van 6 november 2003 (Stcrt. 2003, nr. 220), is de Tre 2003 ingetrokken met ingang van 16 oktober 2003, met dien verstande dat de artikelen 1 tot en met 10 en 12 en de bijlagen 1 en 2 van die regeling van toepassing blijven ten aanzien van een op of na 16 oktober 2003 ingediende aanvraag ten aanzien van een apparaat of voorziening, ter zake waarvan de koopovereenkomst vóór genoemde datum is gesloten, met dien verstande dat zowel de betreffende levering als het indienen van die aanvraag in zoverre in afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Tre 2003, zoals deze luidde op 15 oktober 2003, vóór 16 januari 2004 moeten hebben plaatsgehad.

   Artikel 8, eerste lid, van de Tre 2003, bepaalt dat een aanvraag binnen dertien weken na de aanschaf van een apparaat of voorziening wordt ingediend bij het energiebedrijf.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Tre 2003 wordt onder aanschaf verstaan: eigendomsverkrijging door levering krachtens een in het kalenderjaar 2003 met een leverancier gesloten koopovereenkomst.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de Tre 2003 wordt onder energiepremie verstaan: een in bijlage 1 genoemde premie, uit te keren vanwege de aanschaf van een daarin genoemd apparaat of daarin genoemde voorziening.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, onder 1, van de Tre 2003 wordt onder voorziening verstaan een in het kalenderjaar 2003 aangeschafte, in of aan een woning aangebrachte en in werking zijnde energiebesparende voorziening of maatregel als genoemd in bijlage 1.

2.2.    Appellant heeft een energiepremie gevraagd voor de plaatsing van zeven zonnepanelen op het preceel [locatie] te [plaats], gemeente Tytsjerksteradiel.

2.3.    Vast staat dat aan appellant op 14 oktober 2003 zeven zonnepanelen zijn geleverd. De aanvraag van 22 december 2003 is op 30 december 2003 door het energiebedrijf ontvangen. Op 10 februari 2004 heeft een controle door een medewerker van het energiebedrijf plaatsgevonden. Bij deze controle is gebleken dat slechts vier panelen aanwezig waren en dat deze niet waren aangesloten. Tevens is gebleken dat op het betrokken perceel een bedrijfsgebouw en een in aanbouw zijnde woning staan.

2.4.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat appellant geen recht heeft op een energiepremie, omdat slechts vier zonnepanelen aanwezig waren die ten tijde van de controle op 10 februari 2004 nog niet waren aangesloten en in werking waren. Bovendien was de op het perceel staande woning nog in aanbouw en is door appellant niet aannemelijk gemaakt dat de zonnepanelen uitsluitend gebruikt worden voor deze woning en niet voor het bedrijf dat op hetzelfde perceel aanwezig is.

2.5.    Het betoog van appellant komt er op neer, dat reeds op 19 december 2003 en dus ook ten tijde van de indiening van de aanvraag de voorziening in gebruik was genomen. De voorziening leverde vanaf die datum stroom aan de toen leegstaande woning ten behoeve van ondermeer de cv-pomp, pomp vloerverwarming, automatische buitenverlichting, hydrofoor/dompelpomp en nachtverlichting in verband met inbraak en schakelklokken. Volgens appellant zijn op 9 februari 2004, de dag voor de controle door het energiebedrijf, drie van de zeven zonnepanelen door een storm van het rek gewaaid, waarbij tevens de bedrading losgeslagen moet zijn. Direct nadat appellant de schade constateerde, heeft hij de voorziening hersteld. Voorts ontkent appellant dat op 10 februari 2004 de woning nog in aanbouw was, zoals in het rapport wordt gesteld. Volgens appellant was de woning, afgezien van enkele werkzaamheden ten aanzien van de afwerking, gereed.

2.6.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 september 2005 in zaak no. 200409360/1, moet een aanvraag om een energiepremie ingevolge artikel II, eerste lid, aanhef en onder b, van de Intrekkingsregeling, in samenhang met artikel 1, aanhef en onder j, onder 1, en artikel 8, eerste lid, van de Tre 2003 - voor zover hier van belang - bij het energiebedrijf worden ingediend nadat de voorzieningen in of aan een woning zijn aangebracht en in werking gesteld. Dat daarvan in het onderhavige geval ten tijde van de indiening van de aanvraag sprake was, heeft verweerder, gelet op het feit dat - zoals door appellant is erkend - aan de woning nog afrondende werkzaamheden dienden te worden verricht en deze eerst sinds mei 2004 is bewoond, terecht niet aannemelijk gemaakt geacht. Verweerder heeft zich derhalve reeds hierom terecht op het standpunt gesteld dat geen energiepremie kon worden toegekend. Daar komt nog bij dat ook in de rapportage naar aanleiding van de controle van de zijde van het energiebedrijf van 10 februari 2004 nog wordt gesproken van een in aanbouw zijnde woning. Met foto's die dateren van na die datum heeft appellant niet aannemelijk kunnen maken dat die constatering onjuist zou zijn. Laat staan dat daarmee aannemelijk zou zijn genaakt dat reeds ten tijde van de aanvraag, dat wil zeggen omstreeks eind 2003, sprake zou zijn geweest van ten behoeve van de woning in werking zijnde voorzieningen. Dat appellant de rapportage van de controle van 10 februari 2004 eerst na de indiening van het beroep heeft ontvangen, zodat hij hierop niet eerder heeft kunnen reageren, doet aan het vorenstaande niet af, omdat in het bestreden besluit de inhoud van deze rapportage reeds was vermeld. Het betoog van appellant dat - anders dan verweerder heeft vastgesteld - geen sprake is van gebruik van de zonnepanelen ten behoeve van het bedrijfsgebouw dat zich met de woning op hetzelfde terrein bevindt, behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van-Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007

164-496.