Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9018

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
200603588/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (hierna: het college) geweigerd aan appellante vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van een windturbine op het perceel, plaatselijk gemerkt [locatie] te Lelystad, kadastraal bekend gemeente Lelystad, sectie […], no. […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 100 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Ruimtelijke ordening 2007/5334 met annotatie van J.R. van Angeren
ABkort 2007/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603588/1.

Datum uitspraak: 21 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05/2088 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 april 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (hierna: het college) geweigerd aan appellante vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van een windturbine op het perceel, plaatselijk gemerkt [locatie] te Lelystad, kadastraal bekend gemeente Lelystad, sectie […], no. […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 april 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 12 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 mei 2006 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Bij brief van 14 juli 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 januari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G.A. Leever, gemachtigde, en [directeur], en het college, vertegenwoordigd door A. Hooymans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan ziet op het vervangen van de rotorbladen met een diameter van 48 meter van een bestaande windturbine door rotorbladen met een diameter van 52 meter.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied Lelystad gedeelte Oostelijk Flevoland" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch gebied bebouwingsklasse 3". Vaststaat dat het bouwplan met deze bestemming in strijd is.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in overeenstemming is met het overgangsrecht dat is neergelegd in de partiële herziening van het bestemmingsplan "Landelijk gebied Lelystad, gedeelte Oostelijk Flevoland, intensieve veehouderij" die in 1999 is vastgesteld en goedgekeurd.

   Dit betoog faalt. De partiële herziening ziet niet op een wijziging van de ter plaatse geldende bestemming. Zij ziet evenmin op wijziging van het in de artikelen 35 en 36 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan opgenomen overgangsrecht. Het moet er daarom voor worden gehouden dat het in artikel 6 van de voorschriften van de herziening vervatte overgangsrecht enkel van toepassing is op de gronden met de bestemmingen waarvan de voorschriften zijn gewijzigd. Voor de toepassing van het overgangsrecht ten aanzien van het bouwplan moet de datum van de terinzagelegging van het bestemmingsplan vóór de herziening als beslissend worden aangemerkt. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.4.    Het bouwplan is derhalve in strijd met het bestemmingsplan. Om medewerking aan het bouwplan te verlenen is vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vereist.

2.5.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, eerste volzin, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Ingevolge de laatste volzin van dit artikellid kan de gemeenteraad deze vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

   Ingevolge artikel 19, vierde lid, wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

   Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de WRO wordt een bestemmingsplan, voor zover thans van belang, tenminste eenmaal in de tien jaren herzien. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen gedeputeerde staten op verzoek van de gemeenteraad voor ten hoogste tien jaren vrijstelling verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid.

2.6.    Vaststaat dat het bestemmingsplan ouder is dan 10 jaar. De partiële herziening uit 1999 reguleert uitsluitend de toelaatbaarheid van intensieve veehouderijbedrijven in het bestemmingsplangebied en kan niet worden aangemerkt als een algehele herziening van de planologische situatie van het gebied waarop het bestemmingsplan van toepassing is. Voor de toepassing van artikel 19, vierde lid, van de WRO moet er daarom van worden uitgegaan dat geen herziening overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van die wet heeft plaatsgevonden. Nu voorts niet is gebleken dat vrijstelling als bedoeld in artikel 33, tweede lid, is verleend, ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar geen voorbereidingsbesluit gold en evenmin een ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan ter inzage was gelegd, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat niet is voldaan aan de in artikel 19, vierde lid, van de WRO neergelegde wettelijke vereisten voor het verlenen van vrijstelling als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. Het college was derhalve niet bevoegd de vrijstelling te verlenen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Huijben

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007

378