Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9009

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
200605323/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft appellant (hierna: de Staatssecretaris) besloten niet in te stemmen met het voornemen van de stichting "Stichting NHTV internationale hogeschool Breda" (hierna: de Stichting) tot het verzorgen van een nieuwe bacheloropleiding Hogere Europese Beroepenopleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605323/1.

Datum uitspraak: 21 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/2290 van de rechtbank Breda van 29 juni 2006 in het geding tussen:

de stichting "Stichting NHTV internationale hogeschool Breda", gevestigd te Breda,

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft appellant (hierna: de Staatssecretaris) besloten niet in te stemmen met het voornemen van de stichting "Stichting NHTV internationale hogeschool Breda" (hierna: de Stichting) tot het verzorgen van een nieuwe bacheloropleiding Hogere Europese Beroepenopleiding.

Bij besluit van 18 mei 2005 heeft appellant het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door de Stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het besluit van de Staatssecretaris van 26 oktober 2004 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2006. Laatstgenoemde brief is aangehecht.

Bij brief van 14 september 2006 heeft de Stichting van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2006, waar de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.J. Minkhorst, drs. D.W. Post, mr. M.M. Odijk en mr. G.L. Boomsma, en de Stichting, vertegenwoordigd door mr. W. Brussee, J.G. Uijterwijk, R.H. Fisscher, mr. S.M.J. Edelhauser en H.A. Nijboer, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) legt het instellingsbestuur het voornemen tot het verzorgen van een nieuwe opleiding aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) voor met het oog op de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel legt het instellingsbestuur het voornemen voor nadat de opleiding de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt de Minister geacht met het voornemen in te stemmen, indien hij niet binnen vier maanden na ontvangst heeft verklaard dat aan het voornemen geen uitvoering kan worden gegeven in verband met een ondoelmatige taakverdeling tussen de instellingen die als gevolg daarvan zou ontstaan.

2.2.    De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 26 oktober 2004 herroepen, omdat de Staatssecretaris naar haar oordeel niet langer bevoegd was te beslissen op het voornemen van de Stichting, omdat hij ingevolge artikel 6.2, derde lid, van de WHW geacht wordt reeds te hebben ingestemd met het voornemen van de Stichting tot het verzorgen van een nieuwe opleiding, nu hij niet binnen vier maanden na ontvangst van het voornemen heeft verklaard dat daaraan geen uitvoering kan worden gegeven. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de Stichting bij brief van 4 maart 2004 de Staatssecretaris heeft geïnformeerd over haar voornemen.

2.3.    Het betoog van de Staatssecretaris dat de rechtbank is getreden buiten de omvang van het aan haar voorgelegde geschil, nu de door de Stichting aangevoerde beroepsgronden geen betrekking hadden op de overschrijding van de in artikel 6.2, derde lid, van de WHW bedoelde beslistermijn of op het van rechtswege ontstaan van instemming, slaagt niet. De rechtbank dient ambtshalve de vraag te beantwoorden of sprake is van instemming van rechtswege, omdat het antwoord van deze vraag van betekenis is voor de bevoegdheid van de Staatssecretaris om alsnog te weigeren in te stemmen met het voornemen.

2.4.    De Staatssecretaris betoogt evenwel met recht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de bewoordingen van artikel 6.2 van de WHW niet is af te leiden dat eerst sprake is van een rechtens voor te leggen voornemen nadat een opleiding is geaccrediteerd door de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie i.o. (hierna: NVAO). Uit de bewoordingen van het bepaalde in artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de WHW, in onderlinge samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de Afdeling dat eerst nadat de NVAO een nieuwe opleiding heeft getoetst en geaccrediteerd sprake is van voorlegging van een voornemen, als bedoeld in artikel 6.2 van de WHW. De in artikel 6.2, derde lid, van de WHW bedoelde termijn van vier maanden vangt pas aan na ontvangst van het voornemen, derhalve nadat het accreditatiebesluit door de Staatssecretaris is ontvangen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht hier dan ook niet van toepassing. Dat de Staatssecretaris met de Stichting zou hebben afgesproken dat haar verzoek in behandeling zou worden genomen voordat de NVAO de opleiding heeft getoetst kan hieraan niet afdoen.

   Nu tussen partijen niet in geschil is dat de Staatssecretaris heeft beslist binnen vier maanden na ontvangst van de positieve beoordeling van de opleiding, is de rechtbank ten onrechte tot de conclusie gekomen dat de Staatssecretaris geacht moet worden te hebben ingestemd met het voornemen. Derhalve dient zij alsnog het beroep van de Stichting tegen het besluit van 18 mei 2005, waarbij de weigering in te stemmen met het voornemen van de Stichting is gehandhaafd, inhoudelijk te beoordelen.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.6.    De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juni 2006 in zaak no. 05/2290;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    stelt de door de stichting "NHTV internationale hogeschool Breda" in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump                    w.g. Haan

Voorzitter                    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007

362