Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9006

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
200603329/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen en vergroten van een loods op het perceel achter het zomerwoningenterrein "De Duyncroft" te Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603329/1.

Datum uitspraak: 21 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. WRO 05/680 van de rechtbank Alkmaar van 6 maart 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen en vergroten van een loods op het perceel achter het zomerwoningenterrein "De Duyncroft" te Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard, het besluit van 6 juli 2004 aangevuld met de voorwaarde dat het gebruik van de schuur is begrensd tot het stallen van materiaal en materieel ten behoeve van het onderhoud van het zomerhuizenpark, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2006, verzonden op 20 maart 2006, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 juni 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 10 juli 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten) een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2006, waar appellanten in persoon en het college, vertegenwoordigd door C. Langedijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

   Uit artikel VI, eerste lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu de aanvraag is ingediend vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1998" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "open agrarisch gebied (Ao)". Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, nu het gebruik van de loods ten behoeve van het onderhoud van het zomerhuizenpark in strijd is met voornoemde bestemming en de bouwvoorschriften de realisatie van een loods niet toestaan. Teneinde de bouw niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van de zogeheten anticipatieprocedure, als bedoeld in artikel 19 van de WRO zoals dat luidde ten tijde van het indienen van de aanvraag van 9 december 1998, bouwvergunning verleend. Aan de formele voorwaarden voor toepassing van de anticipatieprocedure is voldaan.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit op bezwaar van 15 februari 2005 in stand kan blijven. Daartoe voeren zij onder meer aan dat de loods een grote inbreuk maakt op de planologisch situatie ter plaatse, dat de voor toepassing van de anticipatieprocedure vereiste urgentie ontbreekt, dat het bouwplan de nabijgelegen duinbeek aantast en dat de in het besluit op bezwaar opgenomen restrictie van het gebruik onvoldoende waarborg biedt tegen een ander bedrijfsmatig gebruik van de loods.

2.3.1.    De beslissing om al dan niet te anticiperen dient te berusten op een afweging van het belang van onmiddellijke uitvoering van het bouwplan tegen het belang dat eerst de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure wordt afgewacht. Daarbij is de te verlangen mate van spoedeisendheid afhankelijk van de inbreuk op het geldende planologische regime alsmede van de uitstraling die het project op de omgeving heeft. Naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie groter is, dienen hogere eisen te worden gesteld ten aanzien van de mate van spoedeisendheid van het bouwplan en de mate van uitwerking van het toekomstig planologisch kader.

2.3.2.    Het bouwplan, dat is gesitueerd op een locatie waar de resten van een veeboet stonden die in het bestemmingsplan is wegbestemd, is gelegen in de directe nabijheid van het zomerhuizenpark, ten behoeve waarvan de loods zal worden gebruikt. Gelet hierop, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het bouwplan geen grote inbreuk vormt op de planologische situatie. Dat zich tussen het park en de loods een duinbeek en een groenstrook bevinden, leidt niet tot een ander oordeel, nu die omstandigheid er niet aan afdoet dat de loods aansluit bij bestaande bebouwing. Derhalve behoeven minder zware eisen te worden gesteld aan de mate van spoedeisendheid van het bouwplan.

   Op grond van door vergunninghouder gegeven informatie heeft het college vastgesteld dat vergunninghouder geen goede opslagmogelijkheid heeft voor de opslag van materiaal en materieel ten behoeve van het onderhoud van het zomerhuizenpark, waarmee hij is belast. Die opslag vindt nu op verschillende locaties plaats. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze informatie onjuist is. Gelet hierop en op de omstandigheid dat op het zomerhuizenpark zelf geen geschikte locatie voor de loods voorhanden is, heeft het college de behoefte aan de loods voldoende spoedeisend mogen achten om toepassing van de anticipatieprocedure te rechtvaardigen. De enkele stelling van appellanten dat vergunninghouder de loods die voorheen voor opslag werd gebruikt, heeft verwijderd ten behoeve van een woning, vormt onvoldoende grond voor de conclusie dat aan de loods geen behoefte bestaat.

2.3.3.    Gelet op de afstand tussen de loods en de nabijgelegen duinbeek, heeft de rechtbank verder terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de loods tot aantasting van de nabij de loods gelegen duinbeek leidt. De stelling van appellanten dat het bouwplan wel leidt tot een aantasting van de duinbeek en dat de duinbeek moet worden aangemerkt als een waardevolle ecologische verbindingszone die door het bouwplan wordt onderbroken, is niet nader onderbouwd en leidt derhalve niet tot een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het gebied grenzend aan het zomerhuizenpark geen onderdeel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur en dat het streekplan de duinbeek niet heeft aangewezen als ecologische verbindingszone.

   De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de in het besluit op bezwaar opgenomen restrictie dat het gebruik van de loods is begrensd tot het stallen van materiaal en materieel ten behoeve van het onderhoud van het zomerhuizenpark, voldoende waarborgen biedt om ander bedrijfsmatig gebruik van de loods tegen te gaan. Voor het oordeel dat, zoals appellanten betogen, het college gehouden was een verdergaande beperking aan het gebruik van de loods op te leggen, bestaat geen grond. De stelling van appellanten dat zou zijn afgesproken dat het gebruik van de loods slechts ten dienste van hovenierswerkzaamheden zou staan, vindt geen steun in de gedingstukken. Indien, zoals appellanten vrezen, de loods zal worden aangewend voor met het bestemmingsplan strijdig bedrijfsmatig gebruik, kunnen zij bij het college een verzoek indienen tot handhaving van de verbodsbepaling inzake het gebruik van het bestemmingsplan.

2.3.4.    Gelet op het voorgaande en op de motivering die het college aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat er op het zomerhuizenpark geen geschikte locatie voor de loods voorhanden is, dat de loods visueel gezien niet opvalt in het landschap, dat de natuurlijke, agrarische en landschappelijke waarden niet wezenlijk zullen worden aangetast, dat de loods gedeeltelijk aan het zicht wordt onttrokken door de aanwezige groenstrook en dat het gebruik van de loods beperkt is tot het stallen van materiaal en materieel ten behoeve van het onderhoud van het zomerhuizenpark, heeft de rechtbank, anders dan appellanten betogen, met juistheid geoordeeld dat het college na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen van vergunninghouder bij de realisering van de loods dan aan de belangen van appellanten bij handhaving van de in het bestemmingsplan neergelegde bestemming. De omstandigheid dat het uitzicht van appellanten als gevolg van realisering van het bouwplan in enigerlei mate zal afnemen, maakt dit niet anders. Zij heeft dan ook juist geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van de vrijstelling.

2.4.    De ter zitting gebleken bezwaren van appellanten tegen de rondom de loods geplante coniferen kunnen in deze procedure niet aan de orde komen, nu deze zaak slechts betrekking heeft op de voor de bouw van de loods verleende vrijstelling en bouwvergunning.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Lodder

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007

17-457.