Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9002

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
200606952/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2006 heeft verweerder aan appellante een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer de inzameling, op- en overslag en bewerking van ferro- en non-ferrometalen op het adres Ambachtshof 2 te Nootdorp voor een periode van tien jaar. Dit besluit is op 7 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.14
Wet milieubeheer 10.37
Wet milieubeheer 10.38
Wet milieubeheer 10.40
Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Besluit beheer autowrakken
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2007, 53K
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/1248
JAF 2007/17 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2007/155
JBO 2007/83 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606952/1.

Datum uitspraak: 21 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Geelhoed Metaalhandel B.V.", gevestigd te Den Haag,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2006 heeft verweerder aan appellante een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer de inzameling, op- en overslag en bewerking van ferro- en non-ferrometalen op het adres Ambachtshof 2 te Nootdorp voor een periode van tien jaar. Dit besluit is op 7 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 18 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 oktober 2006.

Bij brief van 6 december 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, G.C. van Winkelen en drs. R.C. van Winkelen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. A.J. Rusting, ing. H.H.A. Hermanns, V.M.E. Deumers en M.E. Maathuis, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.2.1, 1.2.2, 1.2.3, 1.2.7 en 1.2.9. Deze voorschriften hebben betrekking op de registratieverplichtingen van (afval)stoffen. Volgens haar zijn deze voorschriften niet nodig ter bescherming van het milieu. Zij voert in dit verband onder meer aan dat in de artikelen 10.38 en 10.40 van de Wet milieubeheer en het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (hierna: het Besluit) reeds regels zijn gesteld voor de registratie van afgiften van afvalstoffen, zodat sprake is van een doorkruising van deze regelingen. Volgens haar wijken de genoemde voorschriften bovendien af van hetgeen in het Besluit is bepaald, hetgeen niet is toegestaan, aldus appellante. Voorts betoogt zij dat de voorschriften, gelet op de werkzaamheden die binnen de inrichting worden uitgevoerd, onnodig bezwarend zijn. Zij stelt ten aanzien van voorschrift 1.2.7 dat onduidelijk is wat van haar wordt verlangd.

2.1.1.    Ingevolge artikel 8.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, bevat de vergunning, indien deze betrekking heeft op een inrichting waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd, ten minste de verplichting daarbij aangewezen afvalstoffen te registreren naar hoeveelheid, aard en oorsprong.

   Ingevolge artikel 10.38, eerste lid, van de Wet milieubeheer registreert degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met f, met betrekking tot zodanige afgifte:

a. de datum van afgifte;

b. de naam en het adres van degene aan wie de afvalstoffen worden afgegeven;

c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van die afvalstoffen;

d. de plaats waar en de wijze waarop de afvalstoffen worden afgegeven;

e. de voorgenomen wijze van beheer van de afvalstoffen;

f. ingeval de afgifte geschiedt door tussenkomst van een ander die opdracht heeft de afvalstoffen te vervoeren naar degene voor wie deze zijn bestemd: diens naam en adres en de naam en het adres van degene in wiens opdracht het vervoer geschiedt.

   Ingevolge artikel 10.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, meldt een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b, aan wie bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven, met betrekking tot een zodanige afgifte, de volgende gegevens aan een door Onze Minister aan te wijzen instantie:

a. de datum van afgifte;

b. de naam en het adres van degene van wie de afvalstoffen afkomstig zijn;

c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van de afvalstoffen;

d. de plaats waar en de wijze waarop de afvalstoffen worden afgegeven;

e. de wijze waarop de afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd;

f. ingeval de afgifte geschiedt door tussenkomst van een ander die opdracht had de afvalstoffen naar hem te vervoeren: diens naam en adres en de naam en het adres van degene in wiens opdracht het vervoer geschiedt.

2.1.2.    In de voorschriften 1.2.1 en voorschrift 1.2.2 worden de gegevens genoemd die dienen te worden vermeld in een registratiesysteem van de aangevoerde en afgevoerde (afval)stoffen.

   In voorschrift 1.2.3 is bepaald dat een registratie moet worden bijgehouden van de reeds ingewogen afvalstoffen die op grond van een acceptatievoorschrift van de vergunning alsnog moeten worden geweigerd, waarin wordt vermeld:

a. de datum van aanvoer;

b. de aangeboden hoeveelheid (kg);

c. de naam en het adres van plaats van herkomst;

d. de reden van weigering;

e. de Euralcode (indien van toepassing);

f. het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

   In voorschrift 1.2.7 is bepaald dat een sluitend verband dient te bestaan tussen de (afval)stoffenregistratie en de financiële administratie.

   In voorschrift 1.2.9 is, voor zover hier van belang, bepaald dat alle te registreren gegevens dagelijks moeten worden bijgehouden.

2.1.3.    Verweerder heeft zich bij nader inzien op het standpunt gesteld dat de voorschriften 1.2.1 en 1.2.2 niet in de huidige vorm aan de vergunning hadden moeten worden verbonden. Het bestreden besluit verdraagt zich in zoverre niet met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

2.1.4.    De Afdeling overweegt dat artikel 8.14 van de Wet milieubeheer als grondslag kan dienen voor registratieverplichtingen als de onderhavige.         Het stelsel van de Wet milieubeheer laat niet toe dat aan een vergunning ingevolge die wet voorschriften worden verbonden, die letterlijk of inhoudelijk overeenkomen met de regeling, die met betrekking tot hetzelfde onderwerp in wettelijke bepalingen is opgenomen.

   De Afdeling is met verweerder van oordeel dat de regelingen die in de voorschriften 1.2.3 en 1.2.9 zijn opgenomen, niet letterlijk of inhoudelijk overeenkomen met de artikelen 10.38 en 10.40 van de Wet milieubeheer.

2.1.5.    De Afdeling overweegt verder dat geen sprake is van een ongeoorloofde afwijking van de artikelen 10.38, 10.40 en het Besluit. Het Besluit vormt een nadere uitwerking van de artikelen 10.38 en 10.40 van de Wet milieubeheer. De meldings- en registratieverplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 10.38, eerste lid, en 10.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer en het Besluit, gelden jegens de Stichting Landelijk Meldpunt afvalstoffen. De verplichtingen die in hoofdstuk 1.2 van de vergunningvoorschriften zijn opgenomen, zien op melding aan verweerder, die aan de hand hiervan kan controleren of de voor de inrichting geldende voorschriften worden nageleefd. De Afdeling ziet in hetgeen appellante heeft gesteld, mede in aanmerking genomen dat de inrichting is aan te merken als een inrichting als bedoeld in artikel 8.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften 1.2.3, 1.2.7 en 1.2.9 nodig zijn ter bescherming van het milieu, noch dat deze voorschriften onnodig bezwarend zijn. Deze beroepsgrond faalt.

2.2.    Appellante kan zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.1.2, voor zover daarin wordt bepaald dat loodaccu's rechtstandig dienen te worden opgeslagen. Zij acht het voorschrift in zoverre onnodig bezwarend.

2.2.1.    Ingevolge artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Bij de toepassing van deze bepaling komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2.2.    Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten (hierna: de regeling) houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de documenten vermeld in tabel 2 van de bij deze regeling behorende bijlage. De Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (hierna: de NRB) is als document opgenomen in tabel 2 van de bijlage bij de regeling.

2.2.3.    Verweerder heeft voor de beoordeling van het aspect bodembescherming de NRB gehanteerd. Uitgangspunt in de NRB is dat de bodemrisico's van bedrijfsmatige activiteiten door doelmatige maatregelen en voorzieningen zoveel mogelijk tot een verwaarloosbaar risico moeten worden beperkt. Hiertoe beschrijft de NRB het bodemrisico van die activiteiten en geeft aan welke bodembeschermende maatregelen en voorzieningen zijn te treffen om dat risico te beperken. Binnen de inrichting vindt op- en overslag en verlading van loodaccu's plaats. In de NRB wordt vermeld dat deze activiteiten dienen plaats te vinden op een blijvend vloeistofdichte voorziening of op een vloeistofkerende voorziening, indien de op- en overslag en verlading plaatsvindt in speciale emballage of boven een lekbak. Daarnaast heeft verweerder de eis opgenomen dat de accu's rechtstandig moeten worden opgeslagen. Hij heeft hiervoor aansluiting gezocht bij het Besluit beheer autowrakken (hierna: het Bba). Niet in geschil is dat de inrichting niet onder de werking van het Bba valt. Blijkens het bestreden besluit wordt voldaan aan eindemissiescore 1, zodat sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. Verweerder heeft naar het oordeel van de Afdeling niet inzichtelijk gemaakt waarom daarnaast dient te worden voldaan aan de in het Bba geformuleerde eis, teneinde toepassing te geven aan de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Het bestreden besluit is, voor zover het voorschrift 5.1.2 betreft, niet deugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.

2.3.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.2.1, 1.2.2 en 5.1.2 betreft.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 19 juli 2006, kenmerk DGWM/2006/10420, voor zover het de voorschriften 1.2.1, 1.2.2 en 5.1.2 betreft;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 647,63 (zegge: zeshonderdzevenenveertig euro en drieënzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink                                              w.g. Fransen

Lid van de enkelvoudige kamer            ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007

407-537.