Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8990

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
200700300/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2006 heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer zonder daartoe verleende vergunning houden en fokken van honden op het adres [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700300/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2006 heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer zonder daartoe verleende vergunning houden en fokken van honden op het adres [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 11 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 februari 2007, waar verzoeker, bijgestaan door mr. H. Goedegebure, advocaat te Zierikzee, en verweerder, vertegenwoordigd door E. Voogd, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting nog een stuk ingebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Onbestreden staat vast dat ten tijde van het bestreden besluit artikel 8.1 van de Wet milieubeheer werd overtreden, zodat verweerder bevoegd was om ter zake handhavend op te treden.

2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Verzoeker betoogt dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Volgens verzoeker bestaat concreet uitzicht op legalisatie. Hij voert verder aan dat tegen de illegale situatie gedurende lange tijd niet is opgetreden, verweerder bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat de situatie gelegaliseerd kon worden en van overlast voor de omgeving niet of nauwelijks sprake is. De bij het bestreden besluit gestelde begunstigingstermijn van zes weken is bovendien te kort, aldus verzoeker.

2.4.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Daaraan heeft hij onder meer ten grondslag gelegd dat door verzoeker weliswaar een ontvankelijke aanvraag voor een vergunning op grond van de Wet milieubeheer is ingediend, maar dat deze vergunning geweigerd dient te worden vanwege het aspect geluidhinder. Hierbij verwijst verweerder naar een ontwerpbeschikking strekkende tot weigering van de aangevraagde vergunning. Uit die ontwerpbeschikking blijkt dat verweerder van oordeel is dat ter plaatse van omliggende woningen van derden, mede gelet op het gemeten referentieniveau van het omgevingsgeluid, een grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dient te gelden van 40 dB(A) etmaalwaarde. Deze waarde wordt blijkens het akoestisch rapport bij de vergunningaanvraag ruim overschreden, aldus verweerder.

2.5.    De Voorzitter is van oordeel dat de rechtmatigheid van de gronden voor de weigering van de aangevraagde vergunning aan de orde dient te komen in een beroep tegen een besluit tot weigering van de vergunning. Onder de gegeven omstandigheden kan echter niet worden staande gehouden dat er concreet uitzicht bestaat op legalisatie. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat in zoverre geen sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan behoort te worden afgezien van handhaving. Ook hetgeen verzoeker voor het overige heeft aangevoerd, betreft naar het oordeel van de Voorzitter geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van handhaving had moeten afzien. De Voorzitter ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat een begunstigingstermijn van zes weken in dit geval te kort is om de overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer ongedaan te maken.

2.6.    Ter zitting is gebleken dat verzoeker met de verhuurder van het perceel [locatie] is overeengekomen dat verzoeker het perceel vóór 1 juni 2007 zal ontruimen en verlaten. Verzoeker heeft verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn tot die datum. Verweerder heeft aangegeven een zodanige verlenging niet aanvaardbaar te achten, doch geen bezwaar te hebben tegen een verlenging met zes weken vanaf de datum van de uitspraak op het onderhavige verzoek. Gelet hierop en bij afweging van alle betrokken belangen, ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veere van 28 november 2006, kenmerk va/064.7776, tot zes weken na deze uitspraak;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veere tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Veere aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de gemeente Veere aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen                        w.g. Beurmanjer-de Lange

Voorzitter                             ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

241-462.