Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8985

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
200604006/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Windpark A7 B.V. i.o. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van vier windturbines ten noorden van de A7 ter hoogte van Wons op het perceel kadastraal bekend Witmarsum D 400/480/448/434.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604006/1.

Datum uitspraak: 21 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting De Eendracht", gevestigd in de gemeente Wûnseradiel,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/928 van de rechtbank Leeuwarden van 18 april 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Windpark A7 B.V. i.o. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van vier windturbines ten noorden van de A7 ter hoogte van Wons op het perceel kadastraal bekend Witmarsum D 400/480/448/434.

Bij besluit van 3 mei 2005 heeft het college het onder meer door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2006, verzonden op 19 april 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 29 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 juni 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: gedeputeerde staten) een reactie ingediend.

Bij brief van 10 juli 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn bij brief van 21 december 2006 nadere stukken ontvangen van Windpark A7 B.V. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 januari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.W. Knottenbelt, advocaat, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Lemstra, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn Windpark A7 B.V., vertegenwoordigd door G. Mensonides en ir. J. Wisse, en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. F. Jilderda, ambtenaar van de provincie, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 23 augustus 2006 in zaak no. 200507730/1 komt een belangenorganisatie die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee op voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt.

2.1.3.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van haar statuten heeft appellante ten doel:

"het fungeren als intermediair en adviesinstantie van bewoners/eigenaren van de huizen en/of bedrijfspanden die door de stichting als omwonenden (in de ruimste zin van het woord; betreft dus ook de dorpen) van polder De Eendracht en Gooijumer- en Zuricher polder en de IJpmapolder kunnen worden aangemerkt en die op enigerlei wijze schade of overlast denken te ondervinden van veranderingen die door derden nu en in de toekomst worden voorgestaan in het bestemmingsplan buitengebied met betrekking tot voornoemde polders en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn en ook dit telkens in de ruimste zin van het woord."

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, tracht appellante haar doel onder meer te verwezenlijken door het tegengaan van het oprichten van voor de bewoners/deelnemers overlast bezorgende windmolens.

2.1.4.    Gelet op deze statuten is het belang van omwonenden van polder De Eendracht bij een besluit betreffende de oprichting van windmolens, waarvoor appellante in deze procedure opkomt, een belang dat appellante in het bijzonder behartigt. Anders dan Windpark A7 B.V. betoogt, is appellante derhalve belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, in samenhang met het derde lid, van de Awb.

2.2.    Het bouwplan ziet op het oprichten van een "opschalingscluster" van vier windturbines met een ashoogte van 78 m. De turbines worden geplaatst in een lijnopstelling evenwijdig aan de A7 in de Eendrachtpolder en dienen ter vervanging van twaalf bestaande solitaire turbines.

2.3.    Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bûtengebiet-Noard". Om medewerking aan het bouwplan te verlenen heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.4.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.5.    In het streekplan "Windstreek 2000" (hierna: het streekplan) is het windenergiebeleid van de provincie Fryslân vastgelegd. Het doel is om in 2010 200 MW aan windenergievermogen opgesteld te hebben. Uitdrukkelijk is bepaald dat aan initiatieven voor opschalingsclusters alleen zal worden meegewerkt indien deze dienen ter vervanging van bestaande solitaire turbines. Omdat door het eerder gevoerde windenergiebeleid solitaire turbines en clusters hebben geleid tot aantasting van het landschap, wordt ingezet op het zoveel mogelijk saneren van solitaire turbines door de mogelijkheid te geven om op te schalen in clusters. Het is daarnaast mogelijk om bestaande (cluster)opstellingen te vervangen en/of op te schalen op dezelfde locatie. Per opschalingscluster geldt een maximum van twee tot tien turbines met een voorkeur voor een cluster van tien turbines. De nieuwe opschalingsclusters moeten bij voorkeur op of aansluitend bij een bedrijventerrein worden gerealiseerd. Indien dat niet mogelijk is, gaat de voorkeur uit naar plaatsing langs grootschalige structuurbepalende elementen, zoals bijvoorbeeld de A7. De ashoogte van deze windturbines mag maximaal 60 m zijn, tenzij in bijzondere gevallen een hogere ashoogte aanvaardbaar is met het oog op gebruiks- en belevingsfuncties. Bij nieuwe opschalingsclusters dient voorts bij voorkeur een afstand van minimaal 5 km tot bestaande opstellingen van meer dan twee turbines te worden aangehouden.

2.6.    De aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing is verwoord in het door Grontmij Advies & Techniek B.V. opgestelde rapport "Opschalingscluster A7, initiatief voor vervanging van bestaande solitaire windturbines in de gemeente Wûnseradiel door een nieuw windturbinescluster langs de A7" van 11 juli 2002 en het rapport van een door haar verricht aanvullend onderzoek van 14 april 2003. Volgens deze rapporten voldoet het windmolenproject aan de in het streekplan neergelegde uitgangspunten. In de gemeente Wûnseradiel is de mogelijkheid om een opschalingscluster te realiseren overeenkomstig het streekplan beperkt tot de aan de orde zijnde locatie langs de A7. Gelet op de door de turbines veroorzaakte geluid- en slagschaduwhinder en het uitgangspunt dat de turbines in een lijn langs de A7 worden opgesteld, kunnen ter plaatse slechts vier turbines worden opgericht. Een verhoging van de ashoogte tot 78 m levert een zodanige productie op dat een sanering van twaalf solitair gelegen windturbines mogelijk is, hetgeen niet het geval zou zijn geweest indien aan een masthoogte van 60 m zou zijn vastgehouden. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan het provinciale uitgangspunt dat het aantal verspreid gelegen solitaire windturbines moet worden beperkt ter verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Voorts is in aanmerking genomen dat uit de gemaakte visualisaties blijkt dat het verschil tussen een ashoogte van 60 m en een ashoogte van 78 m van geringe invloed is op het landschapsbeeld op een afstand tot de meest nabij gelegen woningen. Daarbij is opgemerkt dat de hoogte van 78 m voor een meer evenwichtig visueel beeld zorgt, doordat de diameter van de rotor en de ashoogte vrijwel gelijk zijn. Tenslotte is betekenis gehecht aan het grootschalige karakter van de A7.

   Gelet op het voorgaande is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat in de ruimtelijke onderbouwing voldoende gemotiveerd is dat sprake is van een bijzondere situatie op grond waarvan van de normaal geldende maximum masthoogte van de turbines kon worden afgeweken. Dat oorspronkelijk overwogen is dertien turbines te saneren, maakt dat niet anders.

   Niet in geschil is voorts dat het op te richten opschalingscluster zich op minder dan 5 km afstand van het naburige windmolenpark "Hiddum-Houw" bevindt. Omdat niet gebleken is van een alternatieve locatie waar een gelijkwaardig resultaat kan worden gerealiseerd met aanmerkelijk minder bezwaren, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat in de ruimtelijke onderbouwing voldoende gemotiveerd is, waarom van de in het streekplan opgenomen voorkeursafstand van 5 km is afgeweken. Dat er nog twee turbines zijn, aan de Noorderlaan en aan de Gooyumerweg, doet daar niet aan af, omdat dit geen clusteropstelling van meer dan twee turbines betreft als bedoeld in het streekplan.

   Het betoog dat de realisering van het project in strijd is met het streekplan omdat de bestaande clusteropstelling "Beabuorren" reeds is opgeschaald, faalt. In het streekplan wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om bestaande clusters te vervangen en/of op te schalen naast het realiseren van clusters ter vervanging van bestaande solitaire windturbines, als thans aan de orde. Het cluster "Beabuorren" is daarbij zelfs genoemd als opstelling die voor opschaling in aanmerking komt.

   Derhalve kan niet worden geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het streekplan.

2.7.    De vraag of het project voldoet aan de krachtens het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer te stellen geluidseisen, komt aan de orde in de procedure betreffende de meldingsprocedure ingevolge dit Besluit. Dit betekent dat slechts aanleiding bestaat voor het oordeel dat de vrijstelling niet kan worden verleend, indien ernstig moet worden getwijfeld of kan worden voldaan aan de in voormeld Besluit opgenomen geluidnormen.

   In de ruimtelijke onderbouwing wordt opgemerkt dat de windmolens deze geluidnormen niet overschrijden. In dat verband wordt verwezen naar de door Lichtveld Buis en Partners B.V. verrichte geluidsonderzoeken van 9 november 2001 en 21 januari 2003. De Afdeling ziet in het door appellante genoemde rapport "Hoge molens vangen veel wind II; geluidsbelasting door windturbines in de nacht" van de Natuurkundewinkel van de Rijksuniversiteit Groningen geen grond voor het oordeel dat deze onderzoeken onzorgvuldig geweest zijn dan wel anderszins onjuist zijn. Het door appellante overgelegde proefschrift van ir. G.P. van den Berg leidt niet tot een ander oordeel. Voorts wordt in deze door appellante overgelegde stukken niet bestreden dat aan de geluidnormen kan worden voldaan, hetgeen nogmaals wordt bevestigd door het door Windpark A7 B.V. overgelegde rapport van Lichtveld Buis en Partners B.V. van 21 december 2006. De rechtbank heeft verder terecht in aanmerking genomen dat de omwentelingssnelheid van de rotor van de turbines instelbaar is, zodat in voorkomende gevallen een dreigende overschrijding van de normen kan worden ondervangen. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat ernstig moet worden getwijfeld of aan de gestelde geluidnormen kan worden voldaan.

2.8.    Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het terzake gevoerde betoog faalt derhalve. De rechtbank heeft terecht de beslissing op bezwaar in stand gelaten.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump                             w.g. Duursma

Voorzitter                     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007

378