Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
200605170/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reisvoorwaarden BMA-advies / feitelijke toegankelijkheid tot medische zorg

De rechtbank heeft ten onrechte, in weerwil van het bepaalde in paragraaf B8/4 van de Vc 2000, de feitelijke toegankelijkheid van de medische behandeling voor de vreemdeling toch bij haar oordeel betrokken. Mede bezien in het licht van de reden van het stellen van het mvv vereiste – voorkomen dat een vreemdeling door zijn aanwezigheid hier te lande de Nederlandse autoriteiten voor een voldongen feit stelt – bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid tot het voeren van dat beleid heeft kunnen komen. Voorts hoeft, nu medische behandeling in Macedonië beschikbaar is, geen sprake te zijn van een medische noodsituatie op korte termijn. Voor zover ten gevolge van eventuele problemen betreffende de feitelijke toegankelijkheid van die medische zorg in het land van herkomst daarvan niettemin sprake zou zijn, heeft dit niet tot gevolg dat in verband daarmee geen toepassing mag worden gegeven aan dit beleid, aangezien deze situatie in het beleid is verdisconteerd. Het met de psychische situatie van deze vreemdeling samenhangende risico op suïcide maakt dit niet anders, te minder nu de vreemdeling in staat is geacht om te reizen, de voorwaarden die daaraan in het BMA-advies zijn gesteld een onderdeel vormen van de overwegingen van het besluit van 9 november 2005 en er vanuit moet worden gegaan dat daaraan wordt voldaan. Ten aanzien van de equivalenten van de door de vreemdeling gebruikte medicatie heeft de rechtbank miskend dat door haar is gesteld, noch is gebleken dat die voor haar medische behandeling ontoereikend zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605170/1.

Datum uitspraak: 8 februari 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/55098 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 13 juni 2006 in het geding tussen:

[vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 9 november 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 juli 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 juli 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Ingevolge het vierde lid kan de minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.1.1. Volgens paragraaf B1/1.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) wordt voor de toepassing van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 beoordeeld of een vreemdeling in staat is naar zijn land van herkomst te reizen en in staat kan worden geacht daar de behandeling van een door hem in te dienen aanvraag om verlening van een mvv af te wachten.

Volgens paragraaf B1/2.2.1 voor zover thans van belang wordt geen zeer uitzonderlijk geval dat tot toepassing van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 aanleiding geeft aangenomen, indien een vreemdeling te kennen geeft dat noodzakelijke, medische behandeling aan terugkeer teneinde een mvv te verkrijgen naar het land van herkomst in de weg staat, maar niet heeft aangetoond dat sprake is van een medische noodsituatie.

Volgens paragraaf B8/4 voor zover thans van belang wordt de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het herkomstland niet bij de beoordeling van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “medische behandeling” of “vanwege medische noodsituatie” betrokken.

Na inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit Vc 2000, no. 2005/40, op 19 augustus 2005, is aan paragraaf B1/1.2.1 van de Vc 2000 toegevoegd dat voor zover thans van belang omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst betreffen niet bij de beoordeling worden betrokken. Hiermee wordt aangesloten bij paragraaf B8/4.

2.2.De minister klaagt, kort gezegd, dat de rechtbank door te overwegen, samengevat weergegeven, dat de vreemdeling, afkomstig uit Macedonië, behoort tot de bevolkingsgroep Roma en dat daarom de feitelijke behandeling in het land van herkomst niet kan worden gegarandeerd, het bepaalde in de voormelde paragraaf B8/4 van de Vc 2000 heeft miskend. Voorts klaagt de minister dat is gesteld noch gebleken dat de voor de vreemdeling in Macedonië beschikbare equivalenten van de huidige door haar gebruikte medicatie niet zouden kunnen leiden tot een (naar plaatselijke maatstaven) adequate behandeling.

2.2.1.In het advies van het Bureau Medische Advisering van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: BMA) ten aanzien van de vreemdeling van 21 september 2005, staat, samengevat weergegeven, dat haar psychische klachten in Macedonië zowel klinisch, poliklinisch als met behulp van medicatie kunnen worden behandeld en dat het uitblijven van zo'n behandeling kan leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Voorts staat in het advies dat de vreemdeling in principe kan reizen, maar dat dan medische begeleiding tijdens de reis dient plaats te vinden en de medische behandeling in Macedonië direct dient te worden overgenomen. Het gehele advies vormt een onderdeel van de overwegingen in het besluit van 9 november 2005, waardoor het er voor moet worden gehouden dat de daarin door het BMA neergelegde voorwaarden voor de vreemdeling om te kunnen reizen door de minister zijn aanvaard en er vanuit moet worden gegaan dat aan die voorwaarden wordt voldaan.

De rechtbank heeft ten onrechte, in weerwil van het bepaalde in paragraaf B8/4 van de Vc 2000, de feitelijke toegankelijkheid van de medische behandeling voor de vreemdeling toch bij haar oordeel betrokken. Mede bezien in het licht van de reden van het stellen van het mvv vereiste – voorkomen dat een vreemdeling door zijn aanwezigheid hier te lande de Nederlandse autoriteiten voor een voldongen feit stelt – bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid tot het voeren van dat beleid heeft kunnen komen. Voorts hoeft, nu medische behandeling in Macedonië beschikbaar is, geen sprake te zijn van een medische noodsituatie op korte termijn. Voor zover ten gevolge van eventuele problemen betreffende de feitelijke toegankelijkheid van die medische zorg in het land van herkomst daarvan niettemin sprake zou zijn, heeft dit niet tot gevolg dat in verband daarmee geen toepassing mag worden gegeven aan dit beleid, aangezien deze situatie in het beleid is verdisconteerd. Het met de psychische situatie van deze vreemdeling samenhangende risico op suïcide maakt dit niet anders, te minder nu de vreemdeling in staat is geacht om te reizen, de voorwaarden die daaraan in het BMA-advies zijn gesteld een onderdeel vormen van de overwegingen van het besluit van 9 november 2005 en er vanuit moet worden gegaan dat daaraan wordt voldaan. Ten aanzien van de equivalenten van de door de vreemdeling gebruikte medicatie heeft de rechtbank miskend dat door haar is gesteld, noch is gebleken dat die voor haar medische behandeling ontoereikend zijn.

De grieven slagen.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.4. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen overweegt de Afdeling als volgt.

2.4.1. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat uitzetting naar Macedonië in strijd zou zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 11 april 2003 in zaak no. 200301121/1, JV 2003/225), dient een vreemdeling, indien hij de bescherming van de Nederlandse autoriteiten wenst in te roepen tegen een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 in te dienen.

2.4.3. De Afdeling zal het inleidende beroep ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 13 juni 2006 in zaak no. AWB 05/55098;

III. verklaart het door de vreemdeling in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. De Vink

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007

154-498.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak