Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8502

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200602965/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast vóór 31 maart 2005 de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) zonder bouwvergunning gebouwde dakkapellen (1) en (2), overkapping (3), bijgebouwen (4) en (5) en toegangspoort (7) te verwijderen of aan te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602965/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/3567, 05/3568 en 05/4004 van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 maart 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast vóór 31 maart 2005 de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) zonder bouwvergunning gebouwde dakkapellen (1) en (2), overkapping (3), bijgebouwen (4) en (5) en toegangspoort (7) te verwijderen of aan te passen.

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft het college geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van de toegangspoort (7) op het perceel.

Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2005 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 30 november 2004 met betrekking tot de dakkapellen (1) en (2) gegrond verklaard, dat besluit in zoverre herroepen en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2006, verzonden op die dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voor zover hier van belang, het door appellant ingestelde beroep tegen de besluiten van 26 april 2005 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 juli 2006. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 6 oktober 2006 heeft appellant een reactie gegeven op de memorie van antwoord van het college.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. drs. B.J.P.M. Zwinkels, advocaat te Honselersdijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. de Heij, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het hoger beroep beperkt zich tot de bouwwerken (3), (4), (5) en (7) zoals aangegeven in het besluit van 30 november 2004.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank de overkapping (3) ten onrechte heeft getoetst aan het Besluit  bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb). Daartoe voert hij aan dat hij dit bouwwerk heeft gebouwd vóórdat het Bblb in werking trad, zodat de rechtbank had behoren te toetsen aan artikel 43, eerste lid, sub d, van de Woningwet zoals dat luidde vóór 1 januari 2003 (hierna: oude Woningwet).

2.2.1.    Dit betoog faalt. Zo, naar appellant stelt, de overkapping (3) reeds werd gebouwd vóórdat het Bblb in werking trad, is de in artikel 9 van dat besluit opgenomen uitzondering op het bouwverbod daarop niet van toepassing, nu het bouwwerk ook onder artikel 43 van de oude Woningwet, gezien de overschrijding van de in deze bepaling opgenomen maximale oppervlakte voor overkappingen, vergunningplichtig was. Dat, naar appellant betoogt, hem dit maximum niet zou zijn meegedeeld doet daar niet aan af.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de bouwwerken (3), (4) en (5) sprake is van overtreding van artikel 40 van de Woningwet. Appellant voert hiertoe aan dat de bouwwerken, nu zij in chronologische volgorde zijn gerealiseerd, op enig moment de maximaal toegestane bruto-oppervlakte van 30 m2 die volgens het Bblb geldt voor vergunningsvrije bijgebouwen en overkappingen, nog niet overschreden.

2.3.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van de overkapping (3) en de twee bijgebouwen (4) en (5) sprake is van een overtreding van artikel 40 van de Woningwet, reeds omdat de in het Bblb genoemde maximale oppervlakte voor vergunningsvrije bouwwerken met deze bouwwerken werd overschreden. Dat naar appellant betoogt, deze maximale oppervlakte door de volgtijdelijke bouw ten aanzien van één van deze bouwwerken op enig moment nog niet was overschreden doet er niet aan af dat de in de last genoemde bouwwerken gezamenlijk niet vergunningsvrij waren. Bovendien is in de last de mogelijkheid gegeven om de oppervlakte van de bouwwerken, voor zover aan de kenmerken van de Bblb wordt voldaan, te reduceren tot 30 m2.

2.4.    De bouwvergunning voor de toegangspoort (7) is geweigerd omdat de toegangspoort volgens een door het college overgenomen negatief welstandsadvies niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

   Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college dit welstandsadvies terecht aan de geweigerde bouwvergunning ten grondslag heeft kunnen leggen. Daartoe voert hij aan dat de toegangspoort op verschillende plaatsen in de wijk voorkomt.

2.4.1.    Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 22 maart 2006 in zaak no. 200506325/1, mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Van zodanige gebreken is niet gebleken. Nu appellant geen tegenadvies heeft overgelegd, mocht het college afgaan op het welstandsadvies.

2.5.    De conclusie is dat ten aanzien van de bouwwerken (3), (4), (5) en (7) is gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.6.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de bouwwerken (3), (4) en (5) heeft verworpen.

2.7.1.    Dit betoog faalt.

    Aan de mededeling van een baliemedewerker van de gemeente dat de bouwwerken (3) en (4) onder bepaalde voorwaarden vergunningsvrij zouden zijn kan niet die betekenis worden gehecht die appellant daaraan toegekend wil zien, reeds omdat niet duidelijk is op welke gegevens de gestelde mededeling gebaseerd zou zijn geweest. Het college heeft in een brief van 20 september 2004 uitdrukkelijk aangegeven dat omtrent de op de door appellant overgelegde schets als "bestaand" aangegeven objecten (waaronder de bouwwerken (3) en (4)) nog een onderzoek gaande is en dat deze van de tekening zijn verwijderd. In de brief van 1 november 2004 zijn deze bouwwerken door het college als vergunningplichtig aangemerkt.

   In de brief van 20 september 2004 en de bijbehorende door het college aangepaste schets heeft het college voorts aangegeven dat bouwwerk (5) vergunningsvrij is met uitdrukkelijke verwijdering van de bouwwerken (3) en (4) van de tekening. Onder deze omstandigheden mocht appellant aan de opmerking in de brief van 1 november 2004 dat gebouw (5) vergunningsvrij is niet het vertrouwen ontlenen dat dit gebouw naast de bouwwerken (3) en (4) zonder meer mocht blijven staan. De Afdeling tekent daarbij overigens aan dat de eveneens in de brief van 20 september 2004 gestelde voorwaarde dat er geen verbinding mag bestaan met het bestaande bijgebouw of de aanbouw aan de woning met dien verstande dat sprake moet zijn van een afzonderlijke constructie, geen steun vindt in het recht en de jurisprudentie van de Afdeling zodat aan die voorwaarde geen betekenis toekomt.

2.8.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een situatie dat handhaving zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoort te worden afgezien. Daartoe voert hij aan dat met de overtreding geen belangen van derden zijn gemoeid, daar, naar hij stelt, de buurman van het perceel geen overlast ervaart.

2.8.1.    Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving had behoren te worden afgezien. Dat de buurman geen bezwaar maakt tegen het bouwen zonder vergunning door appellant, hetgeen overigens, gelet op de gedingstukken, onjuist is, kan niet als een zodanige bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.

2.9.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de dwangsom disproportioneel is.

2.10.    Ook dit betoog treft geen doel. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de overtreding en het met de ongedaanmaking daarvan te dienen belang. Dat door de toenmalige advocaat van appellant geen voorlopige voorziening is gevraagd om de dwangsom op te schorten dient voor risico van appellant te komen. Ook de omstandigheid dat afbraak van de bouwwerken (3), (4), (5) en (7) kosten met zich meebrengt is voor risico van appellant.

2.11.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink      w.g. Boermans

Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

429-543.