Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8500

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200602961/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) aan appellant vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een berging en overkapping op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602961/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Zaanstad,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05 / 2280 van de rechtbank Haarlem van 9 maart 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) aan appellant vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een berging en overkapping op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 april 2004 heeft het college het door [partijen] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de vrijstelling alsnog geweigerd en de bouwvergunning herroepen.

Bij uitspraak van 9 maart 2006, verzonden op 10 maart 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 31 mei 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 1 juni 2006 hebben [partijen] die in de gelegenheid zijn gesteld als partij aan het geding deel te nemen een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. I.M.F. Kwint, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. P. de Vries, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [partijen], vertegenwoordigd door [partij], daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwwerk waarop het bouwplan ziet is 2.95 meter breed, 8.98 meter diep en loopt in hoogte op van circa 1.90 meter tot 2.80 meter.

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Regeling bebouwde kom [locatie]" rust op het perceel de bestemming "Bedrijven A".

Het bouwplan is daarmee in strijd. Het college heeft bij de weigering vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) betrokken "het Vrijstellingsbeleid artikel 19 WRO van de gemeente Zaanstad" (hierna: het beleid), waarvan de nota "Erfbebouwing" van 16 maart 2004 deel uitmaakt.

   Blijkens § 3.2.2. onder punt 2. van het beleid komt erfbebouwing, passend in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1 en 2, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 maar niet voorkomend in de nota "Erfbebouwing", in principe niet voor het verlenen van vrijstelling in aanmerking, tenzij de plaatselijke situatie of andere bijzondere omstandigheden een uitzondering rechtvaardigen.

   Ingevolge de nota "Erfbebouwing" wordt aan een bouwaanvraag voor bebouwing van een zij- of achtererf, dat niet aan de openbare weg, aan het openbaar water of aan openbaar groen grenst, zonder meer medewerking verleend, indien het bouwplan past binnen de in deze nota aangegeven maatvoering en situering. Ten aanzien van de maatvoering geeft de nota "Erfbebouwing" - voor zover van belang - aan dat bebouwing aan de achterzijde, aangebouwd aan de woning, ingeval van een half-vrijstaande woning, een diepte van niet meer dan 3 meter mag hebben.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het beleid, gelegen in de plaatselijke situatie of anderszins, onvoldoende sprake is. Daartoe voert hij aan dat de overschrijding van de in de nota "Erfbebouwing" toegestane maatvoering gering is. Voorts zou de berging, indien deze geen onderdeel uitmaakte van het totale bouwwerk vergunningvrij zijn. Het bestemmingsplan staat bedrijfsbebouwing toe die omvangrijker zou zijn dan het in geding zijnde bouwwerk en gezien de bestaande bebouwing in de omgeving valt het aangevraagde bouwwerk niet uit de toon, hetgeen ook de visie is die is neergelegd in het stedenbouwkundig advies aan het college, aldus appellant.

2.3.1.    Dit betoog faalt.

Zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld overschrijdt het bouwwerk met zijn diepte van bijna 9 meter de in het beleid aangegeven maatvoering van 3 meter in niet geringe mate, mede gezien het niet al te grote perceel van appellant. Dat het bestemmingsplan een grotere maatvoering toestaat doet daar niet aan af, nu die maatvoering is bedoeld voor bedrijfsgebouwen en niet voor de met de bestemming strijdige woonbebouwing.

   Voorts kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog dat onderdelen van het bouwwerk afzonderlijk bezien vergunningvrij zouden zijn. In deze procedure ligt slechts het bouwplan voor waarvoor bouwvergunning is gevraagd. Welke andere bebouwing vergunningvrij, dan wel met een bouwvergunning zou kunnen worden opgericht is hier niet aan de orde.

   Anders dan appellant betoogt, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plaatselijke situatie niet zodanig bijzonder is dat dit aanleiding had moeten zijn af te wijken van de nota "Erfbebouwing".

2.3.2.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vrijstelling te weigeren.

2.3.3.    Ook dit betoog kan niet slagen. Er is geen grond voor het oordeel dat, naar appellant aanvoert, aan de belangen van [partijen] alleen tegemoet gekomen moet worden als de inbreuk op hun lichtinval of uitzicht dusdanig is dat deze praktisch tot nul worden gereduceerd. Het college heeft in redelijkheid aan de beperking van het zicht, het daarmee samenhangende beklemmende gevoel en beïnvloeding van het leefgenot van [partijen] een groter gewicht kunnen toekennen dan aan de bij het bouwwerk betrokken belangen van appellant. Dat, naar appellant betoogt, tussen de erfgrens en de berging nog enige ruimte vrij is doet daar niet aan af.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink      w.g. Boermans

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

429-543.