Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8495

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200602893/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2004 heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) met betrekking tot de stichting "ROC voor Educatie en Beroepsonderwijs Zadkine" (hierna: de stichting) de beschikking van 12 juli 2002 gewijzigd in die zin, dat de daarbij vastgestelde rijksbijdrage voor het jaar 2002 nader is vastgesteld op € 77.493.431,00, de beschikking van 14 oktober 2003 gewijzigd in die zin, dat de daarbij vastgestelde rijksbijdrage voor het jaar 2003 nader is vastgesteld op € 79.025.959,00 en een bedrag van € 435.584,00 teruggevorderd, te verrekenen met de in september 2005 te ontvangen rijksbijdrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602893/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. WET 05/3516 van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2006 in het geding tussen:

de stichting "ROC voor Educatie en Beroepsonderwijs Zadkine", gevestigd te Rotterdam

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2004 heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) met betrekking tot de stichting "ROC voor Educatie en Beroepsonderwijs Zadkine" (hierna: de stichting) de beschikking van 12 juli 2002 gewijzigd in die zin, dat de daarbij vastgestelde rijksbijdrage voor het jaar 2002 nader is vastgesteld op € 77.493.431,00, de beschikking van 14 oktober 2003 gewijzigd in die zin, dat de daarbij vastgestelde rijksbijdrage voor het jaar 2003 nader is vastgesteld op € 79.025.959,00 en een bedrag van € 435.584,00 teruggevorderd, te verrekenen met de in september 2005 te ontvangen rijksbijdrage.

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft de staatssecretaris het daartegen door de stichting gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door de stichting ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het besluit van de staatssecretaris van 11 november 2004 wordt herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 juni 2006 heeft de stichting van antwoord gediend.

Bij brief van 15 augustus 2006 heeft de stichting een nadere memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.J. Boorsma, advocaat te 's-Gravenhage, en de stichting, vertegenwoordigd door mr. W.E. Pors, advocaat te 's-Gravenhage, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4:21, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is titel 4.2 van die wet van overeenkomstige toepassing op de bekostiging van het onderwijs en onderzoek.

   Ingevolge artikel 4:49, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;

b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten, of

c. indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen.

   Ingevolge het derde lid van dat artikel kan de subsidievaststelling niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.

2.2.    Ingevolge artikel 1.1.1, aanhef, onder b, onder 1, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: de WEB) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder een instelling onder meer verstaan een regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1.

   Ingevolge artikel 1.1.1, aanhef en onder r, van de WEB wordt onder studiejaar verstaan het tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daarop volgend jaar.

   Ingevolge artikel 1.3.1, eerste lid, van de WEB worden aan regionale opleidingencentra opleidingen educatie en beroepsonderwijs verzorgd.

   Ingevolge artikel 1.3.1, tweede lid, van de WEB heeft het regionaal opleidingencentrum dat daarvoor op grond van artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, in aanmerking komt, aanspraak op bekostiging uit 's Rijks kas voor het verzorgen van beroepsopleidingen die op de voet van artikel 2.1.1 voor bekostiging in aanmerking komen, en die zijn geregistreerd in het Centraal register.

   Ingevolge artikel 2.1.1, eerste lid, van de WEB besluit de minister jaarlijks voor 1 september of een beroepsopleiding ten aanzien waarvan de minister eindtermen heeft vastgesteld, voor bekostiging in aanmerking komt. De aanspraak op bekostiging ontstaat met ingang van het studiejaar volgend op het in de eerste volzin bedoelde jaar.

   Ingevolge artikel 2.1.3, eerste lid, van de WEB, voor zover thans van belang, worden instellingen bij wet voor bekostiging in aanmerking gebracht.

   Ingevolge artikel 2.2.1, eerste lid, van de WEB, voor zover thans van belang, wordt de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs waarop de in artikel 1.3.1 bedoelde aanspraak betrekking heeft, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per instelling berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze die ten aanzien van de in artikel 2.2.2, tweede lid, onder a en b, bedoelde gegevens betrekking heeft op het tweede aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaar.

   Ingevolge artikel 2.2.2, eerste lid, van de WEB bevat de in artikel 2.2.1 bedoelde berekeningswijze voor elke instelling en elke opleiding gelijkelijk geldende maatstaven.

   Ingevolge het tweede lid van dat artikel voorzien de maatstaven in bekostiging aan de hand van:

a. de instroom van deelnemers, en

b. het aantal deelnemers en examendeelnemers dat een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 heeft behaald.

   Ingevolge artikel 2.2.4, eerste lid, van de WEB, voor zover thans van belang, maakt de minister aan elke instelling jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het daarop volgende jaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is berekend.

   Ingevolge het vierde lid van dat artikel worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de uitvoering van deze paragraaf. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op aard, inrichting en wijze van verstrekking van gegevens met betrekking tot de deelnemers.

   Ingevolge het vijfde lid van dat artikel gaan de in het vierde lid bedoelde gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.2.2, vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze gegevens en de verklaring worden ingediend voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip.

2.3.    Ingevolge artikel 2.2.2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB berekent de minister de rijksbijdrage voor een instelling voor de exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs voor een kalenderjaar door bij elkaar op te tellen:

a. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf ingeschreven deelnemers,

b. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf diploma's beroepsonderwijs, en

c. het rijksbijdragedeel ten behoeve van voorbereidende en ondersteunende activiteiten, zoals deze delen voor het desbetreffende jaar voor de instelling worden berekend op grond van artikel 2.2.3, artikel 2.2.4 respectievelijk artikel 2.2.5.

   In artikel 2.2.3, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB is de berekeningswijze van het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf ingeschreven deelnemers neergelegd. In dit verband is van belang het aantal deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan de desbetreffende instelling voor de desbetreffende opleiding is ingeschreven en daadwerkelijk die opleiding volgt.

2.4.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Les- en cursusgeldwet wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover niet anders bepaald, verstaan onder cursusjaar het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend;

   Ingevolge artikel 1, aanhef, onder f, ten vierde, van de Les- en cursusgeldwet wordt onder cursus onder meer verstaan een beroepsopleiding of opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs anders dan bedoeld onder e, die aan een instelling als bedoeld in 1.1.1, onderdeel b, van de WEB ten laste van 's Rijks kas wordt verzorgd.

   Ingevolge artikel 2, van de Les- en cursusgeldwet, voor zover thans van belang, wordt ter zake van het volgen van uit de openbare kas bekostigde cursussen cursusgeld geheven met inachtneming van de bepalingen van deze wet.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Les- en cursusgeldwet is cursusgeld verschuldigd ter zake van het volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs aan cursussen.

   Ingevolge het tweede lid van dat artikel dient degene die tot het onderwijs aan een cursus is toegelaten, zich om in een bepaald cursusjaar onderwijs te kunnen volgen, te laten inschrijven.

   Ingevolge het derde lid van dat artikel wordt tot de inschrijving niet overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde cursusgeld is of zal worden voldaan.

   Ingevolge artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 wordt onder cursist verstaan degene die een opleiding volgt als bedoeld in artikel 15, eerste lid.

   Ingevolge datzelfde artikel wordt onder cursusgeldperiode verstaan de periode die gelijk is aan de duur van de opleiding met een maximum van een cursusjaar.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 kan een aanvraag tot inschrijving van een cursist bij een cursus uitsluitend worden gedaan door degene die op grond van de inschrijving cursusgeldplichtig zal zijn.

   Ingevolge het vierde lid van dat artikel geschiedt inschrijving niet dan nadat:

a. het cursusgeld is voldaan, tenzij artikel 13 van toepassing is, of

b. een betalingsregeling als bedoeld in artikel 11 is getroffen.

2.5.    In de periode vanaf maart 2002 tot en met september 2002 heeft de minister naar aanleiding van een onderzoek bij 7 HBO-instellingen een zogenaamd "Zelfreinigend Onderzoek" doen uitvoeren bij alle instellingen in het hoger beroepsonderwijs (HBO), het wetenschappelijk onderwijs (WO) en het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie (BVE), inclusief de instellingen voor landbouwonderwijs. Het onderzoek had ten doel alle instellingen in het WO, HBO en BVE uit te nodigen hun wijze van omgang met de bekostigingsregels uiteen te zetten. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Ruimte voor Rekenschap" (eindrapport Zelfreinigend onderzoek naar de handelwijzen van onderwijsinstellingen ten aanzien van de bekostigingsregels in de BVE, HBO en WO sector), welk rapport bij brief van 13 december 2002 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Naar aanleiding van voormeld onderzoek hebben de minister en de staatssecretaris op 2 mei 2003 opdracht gegeven tot een vervolgonderzoek, waartoe de Commissie Vervolgonderzoek Rekenschap werd ingesteld, kortweg de Commissie Schutte. Deze commissie kreeg als opdracht een onderzoek uit te voeren naar onregelmatigheden in de bekostiging van het hoger onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. De commissie diende een feitenonderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag of bij de instellingen in de sectoren WO, HBO en BVE één of meer van de in het rapport "Ruimte voor Rekenschap" in de categorieën rood I tot en met rood V ingedeelde handelwijzen zijn toegepast.

   Op 20 februari 2004 heeft het accountantskantoor Ernst & Young Accountants in opdracht van de Commissie Schutte zijn rapport van bevindingen van het door hem bij de stichting uitgevoerde onderzoek uitgebracht. Uit dit rapport blijkt, voor zover thans van belang, dat voor de opleiding Handel en Uiterlijke Verzorging in het bekostigingsjaar 2000 292 deelnemers voor twee opleidingen voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht. Van 137 deelnemers heeft de stichting het wettelijk cursusgeld voor haar rekening genomen. Voorts zijn voor dezelfde opleiding in het bekostigingsjaar 2001 516 deelnemers voor twee opleidingen voor bekostiging in aanmerking gebracht. De stichting heeft voor 238 van deze 516 deelnemers het wettelijk cursusgeld voor de BOL-deeltijdopleiding voor eigen rekening genomen. Bij brief van 1 april 2004 heeft de Commissie Schutte haar definitieve oordeel van 22 maart 2004 aan de stichting meegedeeld. Daarin is onder meer opgenomen dat de stichting 49 (lees: 375) deelnemers die voor een bepaalde crebo-opleiding waren ingeschreven, ook voor een aanvullende crebo-opleiding heeft ingeschreven. Ter zake van deze laatste inschrijving waren de deelnemers aan de stichting cursusgeld verschuldigd, maar de stichting heeft dit geld niet geïnd; het bedrag is door de stichting wel afgedragen. Zodoende heeft de stichting ten onrechte vrijstelling verleend van betaling van het cursusgeld, aldus het definitieve oordeel. Gelet hierop zijn deze 49 (lees: 375) deelnemers ten onrechte ingeschreven en zijn zij ten onrechte voor bekostiging in aanmerking gebracht.

   Naar aanleiding hiervan heeft de staatssecretaris bij het primaire besluit van 11 november 2004 met betrekking tot de stichting, mede gelet op de artikelen 4:49 en 4:57 van de Awb, de beschikking van 12 juli 2002 gewijzigd in die zin, dat de daarbij vastgestelde rijksbijdrage voor het jaar 2002 nader is vastgesteld op € 77.493.431,00, de beschikking van 14 oktober 2003 gewijzigd in die zin, dat de daarbij vastgestelde rijksbijdrage voor het jaar 2003 nader is vastgesteld op € 79.025.959,00 en een bedrag van € 435.584,00 teruggevorderd, te verrekenen met de in september 2005 te ontvangen rijksbijdrage.

   Bij besluit van 7 juli 2005 heeft de staatssecretaris het door de stichting gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 november 2004, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de bezwaarschriftencommissie) van 14 juni 2005, ongegrond verklaard.

   Tegen het besluit van 7 juli 2005 heeft de stichting beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.6.    De rechtbank heeft het beroep van de stichting bij uitspraak van 10 maart 2006 gegrond verklaard en het besluit van 7 juli 2005 vernietigd.

Ook volgens de rechtbank heeft de stichting op 1 oktober 2000 en 1 oktober 2001 respectievelijk 137 en 238 deelnemers ten onrechte voor de tweede cursus laten meetellen voor de berekening van de rijksbijdrage, nu deze deelnemers op grond van artikel 6, derde lid, van de Les- en cursusgeldwet niet hadden mogen worden ingeschreven, omdat zij het verschuldigde cursusgeld niet hadden betaald. Hieruit volgt dat de stichting voor de bekostigingsjaren 2002 en 2003 een onjuiste opgave heeft gedaan van het aantal deelnemers dat meetelt voor de berekening van de hoogte van de rijksbijdrage, aldus de rechtbank.

   De rechtbank is evenwel van oordeel dat de rijksbijdragen over de jaren 2002 en 2003 niet op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb lager hadden kunnen worden vastgesteld, nu de staatssecretaris reeds voor 12 juli 2002 en 14 oktober 2003 op de hoogte was van de in dit verband relevante feiten en omstandigheden.

   Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat, zo er al op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb een bevoegdheid voor de staatssecretaris bestond tot correctie van de in 2002 en 2003 toegekende rijksbijdragen, de nadelige gevolgen van deze correctie voor de stichting onevenredig zijn in verhouding tot de met deze correctie te dienen doelen en het besluit mitsdien in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb is genomen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de staatssecretaris de gedragslijn volgt dat niet wordt overgegaan tot correctie van de rijksbijdrage, indien door middel van een specifieke transactie in de boekhouding van het bevoegd gezag kan worden aangetoond dat het bevoegd gezag het door de cursusgeldplichtige verschuldigde cursusgeld niet uit de rijksbijdrage, doch uit eigen middelen heeft voldaan. De omstandigheid dat de stichting meende dat voor de tweede cursus geen cursusgeld was verschuldigd en de onbetwiste stelling van de stichting dat de inkomsten uit de posten "Opbrengst werk voor derden" en "Overige baten" ruim voldoende waren om de betaling van de cursusgelden te dekken, zodat de stichting door middel van een boekhoudkundige constructie correctie had kunnen vermijden, leiden de rechtbank tot het oordeel dat van feitelijke benadeling van de minister of bevoordeling van de stichting geen sprake is.

2.7.    In hoger beroep is niet betwist dat de stichting voor de bekostigingsjaren 2002 en 2003 een onjuiste opgave heeft gedaan van het aantal deelnemers dat meetelt voor de berekening van de hoogte van de rijksbijdrage.

2.8.    De staatssecretaris betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onder a, van de Awb, omdat de stichting deze feiten en omstandigheden al voor 12 juli 2002 en derhalve ook voor 14 oktober 2003 op juiste wijze had gemeld in het kader van het "Zelfreinigend Onderzoek" en deze derhalve bij de staatssecretaris bekend waren. De rechtbank miskent volgens de staatssecretaris dat eerst op 22 maart 2004, toen het rapport van de Commissie Schutte bekend werd gemaakt, vast kwam te staan dat ten aanzien van de stichting sprake was van feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:49, eerste lid, onder a, van de Awb.

2.8.1.    Vast staat dat het "Zelfreinigend Onderzoek" de periode maart 2002 tot en met september 2002 in beslag heeft genomen en dat de staatssecretaris de bevindingen en uitkomsten van dat onderzoek, neergelegd in het rapport "Ruimte voor Rekenschap"van 23 oktober 2002, bij brief van 13 december 2002 aan de Tweede Kamer heeft aangeboden. Gelet hierop, op het uitgangspunt dat het de verantwoordelijkheid van de stichting was op 1 oktober 2000 en 1 oktober 2001 de juiste telgegevens over te leggen voor de berekening van de rijksbijdrage, en in aanmerking genomen dat de staatssecretaris niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in het kader van het "Zelfreinigend Onderzoek" door de stichting overgelegde gegevens onvoldoende in kaart waren gebracht, is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris reeds op 23 oktober 2002, namelijk ten tijde van het verschijnen van de uitkomsten van het "Zelfreinigend Onderzoek", redelijkerwijs op de hoogte was van de door de stichting overgelegde onjuiste telgegevens. Dat de staatssecretaris er, met het oog op het voor alle gevallen verkrijgen van voor het nemen van besluiten tot wijziging en lagere vaststelling van de rijksbijdragen en tot terugvordering van de ten onrechte ontvangen bedragen vereiste duidelijkheid, voor heeft gekozen de resultaten af te wachten van het aan de Commissie Schutte opgedragen nader onderzoek, neemt niet weg dat, wat betreft de stichting, de voor de toepassing van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb relevante feiten en omstandigheden reeds op 23 oktober 2002 en niet pas op 22 maart 2004 bekend waren.

2.8.2.    Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat de bevindingen en uitkomsten van het "Zelfreinigend Onderzoek" kunnen worden aangemerkt als feiten en omstandigheden waarvan de staatssecretaris bij de vaststelling van de rijksbijdrage voor het jaar 2002 bij besluit van 12 juli 2002, dat wil zeggen voordat de uitkomsten van het "Zelfreinigend Onderzoek" waren verschenen, redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan, was hij er wel van op de hoogte geweest, de rijksbijdrage lager zou zijn vastgesteld. Gelet op het vorenstaande, kwam de staatssecretaris in beginsel de bevoegdheid toe het besluit van 12 juli 2002 te wijzigen op grond van het ingevolge artikel 4:21, vierde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. De rechtbank heeft dit miskend.

2.8.3.    Ten tijde van het besluit van 14 oktober 2003 kon de staatssecretaris er redelijkerwijs wel van op de hoogte zijn dat de op de telgegevens van 1 oktober 2001 gebaseerde rijksbijdrage onjuist was. In de op de rijksbijdrage van 2003 ziende en aan het besluit van 14 oktober 2003 voorafgaande besluiten van 11 oktober 2002 en 20 februari 2003 is echter - naar uit de verklaringen van partijen ter zitting is gebleken - het voorbehoud opgenomen dat er rekening mee moest worden gehouden dat de telgegevens van oktober 2001 werden bijgesteld als gevolg van de uitkomst van het project Rekenschap en dientengevolge de rijksbijdrage 2003 zou kunnen worden gewijzigd. In zoverre hebben deze besluiten een voorwaardelijk karakter. Vast staat dat tegen deze eerdere besluiten geen bezwaar is gemaakt. Gelet hierop staat de rechtmatigheid van deze besluiten - en ook van het in die besluiten gemaakte voorbehoud - vast.

   Gelet op het gemaakte voorbehoud, heeft tussen partijen te gelden dat de staatssecretaris bevoegd is om de rijksbijdrage over het jaar 2003 te wijzigen overeenkomstig de in het rapport van de Commissie Schutte van 1 april 2004 neergelegde resultaten van het project Rekenschap. Dat in het besluit van 14 oktober 2003 het voorbehoud niet uitdrukkelijk is herhaald, maakt dit niet anders, nu ten tijde van dat besluit het onderzoek van de Commissie Schutte nog niet was afgerond en het voorbehoud, opgenomen in de besluiten van 11 oktober 2002 en 20 februari 2003, zijn betekenis derhalve nog niet had verloren.

2.8.4.    De staatssecretaris betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 7 juli 2005 in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. In dit verband stelt de staatssecretaris dat voor een indringende toets aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, zoals de rechtbank heeft gedaan, geen ruimte is. Ook voert hij aan dat de door hem gehanteerde gedragslijn is bedoeld voor de situatie dat cursusgeld door een instelling aan zichzelf ten behoeve van de deelnemers is betaald en vast staat dat die cursusgeldbetaling niet ten laste is gekomen van de rijksbijdrage. Volgens de staatssecretaris is in het onderhavige geval niet gebleken dat cursusgeld is betaald voor de tweede opleiding van de desbetreffende deelnemers en is de gedragslijn mitsdien niet van toepassing.

2.8.5.    De rechtbank heeft overwogen dat de nadelige gevolgen van de correctie van de in 2002 en 2003 toegekende rijksbijdragen voor de stichting onevenredig zijn in verhouding tot de met deze correctie te dienen doelen en dat de staatssecretaris op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb had behoren af te zien van correctie van de aan de stichting toegekende rijksbijdragen. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de betekenis van het bepaalde bij artikel 3:4, tweede lid, van de Awb voor de toetsing door de rechter van de uitoefening door het bestuur van een bevoegdheid, als waar het hier om gaat. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 9 mei 1996, in zaak no. H01.95.0337, JB 1996/158) had de rechtbank zich moeten beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat de staatssecretaris niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot wijziging van de rijksbijdragen over de jaren 2002 en 2003 en terugvordering van de ten onrechte door de stichting ontvangen bedragen.

2.8.6.    Voor het oordeel dat de staatssecretaris in het onderhavige geval in redelijkheid bij afweging van alle betrokken belangen de verstrekte rijksbijdragen over de jaren 2002 en 2003 niet lager heeft kunnen vaststellen, kan geen grond worden gevonden in de omstandigheid dat de stichting met een boekhoudkundige constructie op eenvoudige en verifieerbare wijze het bedrag van het verschuldigde cursusgeld had kunnen vastleggen in de boekhouding, zoals de rechtbank heeft geoordeeld. Hieraan staat reeds in de weg dat het niet gaat om een omstandigheid die niet geacht kan worden bij het vaststellen van de door de staatssecretaris gevolgde, niet onredelijke, vaste gedragslijn te zijn betrokken en die tot afwijking van die vaste gedragslijn zou kunnen nopen.

2.9.    Gelet op het vorenoverwogene, is het hoger beroep gegrond. Hetgeen de staatssecretaris heeft aangevoerd met betrekking tot de vraag of hem ook de bevoegdheid toekwam om de rijksbijdragen op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb lager vast te stellen, behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep beoordelen in het licht van de daartegen aangevoerde, nog niet besproken grieven ten aanzien van de wijze waarop de staatssecretaris gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot wijziging van de besluiten van 12 juli 2002 en 14 oktober 2003 en zijn bevoegdheid tot terugvordering.

2.10.    Niet kan worden geoordeeld dat de staatssecretaris bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de omstreden gewijzigde vaststelling van de rijksbijdragen op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb en het voormelde voorbehoud, en tot terugvordering van de ten onrechte aan de stichting betaalde bedragen op grond van artikel 4:57 van de Awb. In een geval als het onderhavige, waarin herstel van de rechtmatige situatie wordt beoogd, kan niet worden geoordeeld dat de staatssecretaris beslissende betekenis had moeten toekennen aan de stelling van de stichting dat zij beschikte over voldoende privaat vermogen om de betrokken cursusgelden te voldoen. Gelet op evenvermeld oogmerk komt ook aan de stelling dat het terug te vorderen bedrag niet in verhouding staat tot het bedrag aan ten onrechte niet in rekening gebracht cursusgeld en de stelling dat de stichting niet opzettelijk heeft gehandeld, niet de betekenis toe die de stichting daaraan gehecht wenst te zien.

2.11.    De beroepsgrond van de stichting dat de staatssecretaris de rijksbijdrage niet in redelijkheid bij afweging van alle betrokken belangen op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb lager heeft kunnen vaststellen, behoeft, gelet op het vorenstaande, geen bespreking.

2.12.    Het beroep van de stichting is, gelet op het vorenoverwogene, ongegrond.

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2006 in zaak no. WET 05/3516;

III.    verklaart het bij de rechtbank door de stichting ingestelde beroep tegen het besluit van 7 juli 2005 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. van den Brink, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van den Brink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

435