Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8488

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200604096/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 1997 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) aan appellant, voor zover thans van belang, handelend namens het dagelijks bestuur van het Regionaal Orgaan Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) een subsidie van f 75.000,00 (€ 34.033,52) verleend voor het bijplaatsen van een lift bij het woongebouw Valeriusterras 5-6 te Amsterdam ten laste van het fonds Besluit Woninggebonden Subsidies (BWS).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604096/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/5509 van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 december 1997 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) aan appellant, voor zover thans van belang, handelend namens het dagelijks bestuur van het Regionaal Orgaan Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) een subsidie van f 75.000,00 (€ 34.033,52) verleend voor het bijplaatsen van een lift bij het woongebouw Valeriusterras 5-6 te Amsterdam ten laste van het fonds Besluit Woninggebonden Subsidies (BWS).

Bij besluit van 22 mei 2000 heeft het college, voor zover thans van belang, handelend namens het dagelijks bestuur voormelde subsidie voor het bijplaatsen van een lift ten laste van het zogenaamde BWS vijfde-fonds op ƒ 75.000,00 (€ 34.033,52) vastgesteld.

Bij besluit van 19 april 2001, medegedeeld bij brief van 18 juli 2001, heeft het dagelijks bestuur het tegen laatstvermeld besluit door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juni 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant met betrekking tot het hiervoor vermelde onderdeel van de subsidie ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 september 2004 in zaak no. 200304973/1, verzonden op dezelfde dag, heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank, voor zover het beroep van appellant met betrekking tot het hiervoor vermelde onderdeel van de subsidie ongegrond is verklaard, vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond verklaard, het besluit van 18 juli 2001 met betrekking tot het hiervoor vermelde onderdeel van de subsidie vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in zoverre in stand blijven.

Bij besluit van 14 september 2004 heeft het college het verzoek van appellant van 7 december 1999 tot verhoging van de subsidieverlening onder verwijzing naar het besluit van 8 december 1997 afgewezen.

Het college heeft met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ten aanzien van het bezwaar van appellant ingestemd met rechtstreeks beroep.

Bij uitspraak van 25 april 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 juni 2006, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 juli 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2006, waar appellant, in persoon, bijgestaan door mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.H. van der Hijden en P. Limonard, beiden ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 1 september 2004 in zaak no. 200304973/1 overwogen dat zij, anders dan het dagelijks bestuur, in het vaststellingsbesluit van 22 mei 2000 geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat dit besluit tevens een impliciete weigering op het verzoek van appellant van 7 december 1999 tot verhoging van de subsidieverlening inhoudt. Op dat verzoek had uitdrukkelijk moeten worden beslist.

   Anders dan appellant kennelijk meent, heeft de Afdeling zich in voornoemde uitspraak niet uitgelaten over de aard van het verzoek van 7 december 1999, doch heeft zij slechts geconstateerd dat hierop een uitdrukkelijk besluit diende te worden genomen.

2.1.1.    Vaststaat dat het college ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2004 ten tijde van het besluit van 14 september 2004 bevoegd was te beslissen op het verzoek van 7 december 1999.

2.1.2.    Bij dat besluit heeft het college dat verzoek, onder verwijzing naar het besluit van 8 december 1997, afgewezen, omdat geen sprake was van een nieuwe aanvraag.

2.1.3.    In haar uitspraak van 25 april 2006 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college dit verzoek terecht heeft afgewezen. Daartoe heeft zij overwogen dat sprake is van een verzoek om terug te komen op het onherroepelijke besluit van 8 december 1997 tot verlening van de subsidie, nu appellant een aanvraag heeft ingediend voor een vergoeding van de kosten voor de bouw van dezelfde lift gebaseerd op dezelfde feiten. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat volgens staande jurisprudentie van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, mag worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen, overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb en dat in het onderhavige geval geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek van 7 december 1999 heeft aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het onherroepelijke besluit tot verlening van de subsidie. Hiertoe voert hij aan dat zijn verzoek erop was gericht om op grond van de werkelijke stichtingskosten het verschil tussen de maximale subsidie van ƒ 125.000,00 (€ 56.722,53) en de verleende subsidie van in totaal ƒ 90.000,00 (€ 40.840,22) alsnog te verkrijgen.

   Appellant betoogt voorts, subsidiair, dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, nu appellant eerst na de verlening van de subsidie is gebleken dat de door de ambtenaar van de gemeente verstrekte informatie, die heeft geleid tot het op het aanvraagformulier invullen van een geschat bedrag aan stichtingskosten, groot ƒ 150.000,00 (€ 68.067,03), onjuist was en appellant mitsdien bij de invulling van het aanvraagformulier heeft gedwaald.

2.3.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn uit de bij de aanvraag van appellant om subsidie voor het bijplaatsen van de lift gevoegde begroting van 25 juni 1997 van de totale kosten voor de verbouw van het pand Valeriusterras 5-6 te Amsterdam, de daarin aangevinkte kosten voor het bijplaatsen van een lift afgeleid. Deze kosten zijn vervolgens ten grondslag gelegd aan het op het aanvraagformulier ingevulde bedrag van ƒ 150.000,00 (€ 68.067,03). Hieruit vloeit voort dat de reële kosten voor het bijplaatsen van de lift reeds zijn betrokken bij het besluit tot subsidieverlening van 8 december 1997, waarbij op voornoemde aanvraag is beslist. Dat het op het aanvraagformulier ingevulde bedrag slechts globaal is berekend en daarom volgens appellant geen exacte weerspiegeling zou vormen van de werkelijke begrote kosten doet hieraan niet af, mede in aanmerking genomen dat appellant zelf verantwoordelijk is voor de aanvraag.

   Nu het besluit tot subsidieverlening van 8 december 1997 in rechte onaantastbaar is en het verzoek van appellant van 7 december 1999 om verlening van een hogere subsidie betrekking heeft op een vergoeding van kosten voor dezelfde werkzaamheden ter zake van het bijplaatsen van dezelfde lift, heeft de rechtbank dat verzoek terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van het in rechte onaantastbare besluit van 8 december 1997.

2.3.1.    Onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 mei 2005 in zaak no. 200406320/1 overweegt de Afdeling dat ingevolge het in de formule "ne bis in idem" en in artikel 4:6 van de Awb besloten liggende algemene rechtsbeginsel niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

   Hieruit vloeit voort dat de rechter, ter bepaling van de omvang van de te verrichten toetsing in geval van een besluit op een verzoek om terug te komen van een eerder, in rechte onaantastbaar, besluit direct dient te treden in de vraag of aan dat verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

2.3.2.    De door appellant aangevoerde omstandigheid dat hij bij de invulling van het aanvraagformulier heeft gedwaald omdat hij in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat hem op basis van het op het aanvraagformulier, in overleg met een ambtenaar, ingevulde bedrag de maximale subsidie zou worden verleend, betreft geen omstandigheid in vorenbedoelde zin. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kon en behoorde appellant reeds ten tijde van de ontvangst van het besluit tot subsidieverlening van 8 december 1997 te weten dat hem niet de maximale subsidie van ƒ 125.000,00 (€ 56.722,53) was verleend en had appellant op dat moment daartegen bezwaar kunnen maken. Ook overigens hebben zich na het nemen van voornoemd besluit - zoals ter zitting door appellant is bevestigd - geen omstandigheden voorgedaan die tot hogere kosten voor het bijplaatsen van de onderhavige lift hebben geleid.

   Gelet op het vorenstaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die het college tot herziening van het besluit van 8 december 1997 hadden moeten nopen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom                      w.g. Haan

Voorzitter                     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

85-505.