Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200605758/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2006 heeft het dagelijks bestuur van de Deelgemeente Charlois (hierna: het dagelijks bestuur) het door appellant gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om handhavend op te treden tegen het illegaal innemen van standplaatsen op het voorplein van Ahoy', niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605758/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. GEMWT 06/1886 van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van de Deelgemeente Charlois.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2006 heeft het dagelijks bestuur van de Deelgemeente Charlois (hierna: het dagelijks bestuur) het door appellant gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om handhavend op te treden tegen het illegaal innemen van standplaatsen op het voorplein van Ahoy', niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 12 juli 2006, verzonden op 17 juli 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 31 augustus 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2006, waar appellant in persoon en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door, mr. T.A. Revet, ambtenaar bij de deelgemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

   Ingevolge het derde lid wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de beslissing op zijn verzoek om handhaving en dat die beslissing derhalve geen besluit is in de zin van de Awb. Hij bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat herstel of behoud van iemands rechtsgevoel een subjectief criterium is dat zich moeilijk laat beoordelen en dat daarin geen objectief bepaalbaar belang kan zijn gelegen dat hem onderscheidt van anderen. Appellant betoogt in dat verband dat het aangetast zijn in een rechtsgevoel zeker niet anders dient te worden gewaardeerd dan indien iemand wordt aangetast in zijn woongenot. Volgens appellant beoogt het standplaatsenbeleid het voorplein van Ahoy' open en leeg te houden. Nu appellant door het dagelijks bestuur een standplaatsvergunning voor die locatie is geweigerd, terwijl daar regelmatig door anderen illegaal standplaats wordt ingenomen zonder dat hiertegen wordt opgetreden, voelt hij zich aangetast in zijn rechtsgevoel.

2.3.    Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 april 2005 in zaak no. 200500292/1 (AB 2005, 162) is een gevoel van persoonlijke betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat ook moge zijn, niet voldoende om een rechtstreeks bij dat besluit betrokken belang op te leveren in de zin van de Awb.

   Van enige materiële betrokkenheid van appellant bij de onderhavige beslissing ter zake van het handhavend optreden is niet gebleken. Naar de rechtbank terecht heeft overwogen is het rechtsgevoel waarin appellant zich getroffen acht onvoldoende objectief bepaald om een rechtstreeks belang aan te nemen dat appellant in voldoende mate onderscheidt van andere burgers in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb.

   Gezien het bovenstaande heeft de rechtbank evenzeer met juistheid overwogen dat het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhaving terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen                  w.g. Den Broeder

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

306-187-538.