Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200606141/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2004 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) op grond van de Subsidieregeling capaciteitsvermindering IJsselmeervisserij en innovatie aquacultuur een subsidie ten bedrage van maximaal € 508.821,00 verleend aan [vergunninghoudster] voor het project "Alternatieve winning Mosselzaad" (hierna: het project).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 76 met annotatie van N. Verheij
NJB 2007, 552
ABkort 2007/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606141/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "West 6 B.V.", gevestigd te Den Helder,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. BELEI 05/2295 van de rechtbank Alkmaar van 30 juni 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2004 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) op grond van de Subsidieregeling capaciteitsvermindering IJsselmeervisserij en innovatie aquacultuur een subsidie ten bedrage van maximaal € 508.821,00 verleend aan [vergunninghoudster] voor het project "Alternatieve winning Mosselzaad" (hierna: het project).

Bij besluit van 16 augustus 2005 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 30 juni 2006, verzonden op 7 juli 2006, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 18 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 september 2006. Laatstgenoemde brief is aangehecht.

Bij brief van 18 oktober 2006 heeft de minister op verzoek van de Afdeling nadere stukken ingediend.

Bij brief van 19 oktober 2006 heeft de minister van antwoord gediend.

[vergunninghoudster] is op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. drs. H.A. Samuels Brusse, advocaat te Utrecht, [directeur] en mr. D.L. Haeck, adviseur, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.H. Verheul-Verkaik, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.

[vergunninghoudster] heeft zich met bericht niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.    Appellante, een innovatiebedrijf, is sinds 2000 bezig met het ontwikkelen van een alternatieve methode voor het produceren van mosselzaad, namelijk door het invangen van mosselzaad in netten.

[vergunninghoudster], een mosselproducerend en -verwerkend bedrijf, is nadien gestart met het invangen van mosselzaad in netten. Bij besluit van 30 november 2004 heeft de minister aan [vergunninghoudster] subsidie verleend voor het project, dat tot doel heeft per jaar 25.000 ton extra aan mosselzaad te winnen.

   Bij besluit van 16 augustus 2005 heeft de minister het door appellante tegen het besluit van 30 november 2004 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de subsidie niet rechtstreeks is gericht op het ontstaan van een concurrerend aanbod, maar op het bestendigen van de exploitatie en de concurrentiepositie van [vergunninghoudster]. Appellante kan daarom volgens de minister niet worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit tot subsidieverlening. Het enkele feit dat appellante als concurrent nadeel kan ondervinden van de subsidieverlening is daarvoor onvoldoende, aldus de minister.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat uit de door de minister in de beslissing op bezwaar genoemde uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2001 in zaak no. 200003126/1 (AB 2002, 58) drie cumulatieve criteria kunnen worden afgeleid waaraan moet zijn voldaan om appellante in dit geval op grond van haar concurrentiepositie als belanghebbende bij het besluit tot subsidieverlening aan te merken. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is voldaan aan het - eerste - criterium dat de subsidieverlening rechtstreeks is gericht op het ontstaan van een concurrerend aanbod en dus op toetreding tot de markt, nu [vergunninghoudster] reeds in 2003 actief was op de mosselzaadmarkt. Aan het - tweede - criterium dat het aanbod moet zijn gericht op hetzelfde marktsegment is volgens de rechtbank wel voldaan. Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat is voldaan aan het - derde - criterium dat de subsidieverlening een dreigend omzetverlies voor appellante tot gevolg heeft. Omdat de resultaten van het project openbaar moeten worden gemaakt is zelfs niet uitgesloten dat zij in de toekomst indirect van de subsidieverlening zal kunnen profiteren. Gelet hierop heeft de minister volgens de rechtbank het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 november 2004 terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.4.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit tot subsidieverlening rechtstreeks is gericht op het ontstaan van een concurrerend aanbod, nu de subsidie ziet op een zodanige uitbreiding van het aantal netten dat een substantieel extra aanbod van mosselzaad ontstaat. Voorts is volgens appellante wel degelijk sprake van dreigend omzetverlies, nu [vergunninghoudster] door de subsidieverlening een inhaalslag maakt op de mosselzaadmarkt. Zonder de verleende subsidie zou zij pas op een later moment dan wel tegen hogere kosten haar bedrijfsactiviteiten hebben kunnen uitbreiden. Tot slot is volgens appellante niet aannemelijk dat zij in de toekomst van de subsidieverlening kan profiteren, nu zij haar methode vrijwel volledig heeft ontwikkeld en zij betwijfelt of de inhoudelijke gegevens van het project daadwerkelijk openbaar zullen worden gemaakt.

2.4.1.    Tussen partijen is niet in geschil dat [vergunninghoudster] op hetzelfde - landelijke - marktsegment opereert als appellante. Zij zijn derhalve concurrenten. Appellante heeft ter zitting toegelicht dat, hoewel geen inzicht is verkregen in de precieze methode, het project waarvoor aan [vergunninghoudster] subsidie is verleend gelijkenis vertoont met de door appellante ontwikkelde methode, nu sprake is van het invangen van mosselzaad in netten. Appellante was de eerste deelnemer op de mosselzaadmarkt die deze methode gebruikte en was enkele jaren de enige aanbieder van (hang)mosselzaad. De subsidieverlening ziet op een zodanige uitbreiding van het aantal netten met het doel 25.000 ton extra per jaar aan mosselzaad te winnen, dat sprake zal zijn van een substantieel extra aanbod van mosselzaad. Daardoor wordt [vergunninghoudster] in staat gesteld mosselzaad op de markt te brengen tegen aanzienlijk lagere kosten dan appellante zich heeft moeten getroosten. Gelet hierop is het besluit tot subsidieverlening in dit geval rechtstreeks gericht op het met de bedrijfsactiviteiten van appellante concurrerend aanbod op de mosselzaadmarkt. Aannemelijk is dat appellante als gevolg daarvan omzetverlies zal ondervinden. Zonder subsidieverlening zou dat aanbod, in die vorm en omvang, immers niet zijn ontstaan. Derhalve is het belang van appellante rechtstreeks bij het besluit tot subsidieverlening betrokken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2001 heeft de rechtbank ten onrechte het algemene criterium afgeleid dat een concurrent alleen als belanghebbende kan worden aangemerkt, indien de subsidie rechtstreeks is gericht op het ontstaan van een concurrerend aanbod en dus op toetreding tot de markt, zoals in die zaak feitelijk het geval was. Het is derhalve niet van belang dat [vergunninghoudster] al in 2003, vóór het besluit tot subsidieverlening, actief was op de mosselzaadmarkt, waardoor van toetreding tot die markt geen sprake zou zijn.

2.4.2.    De slotsom is dat appellante belanghebbende is bij het besluit tot subsidieverlening aan [vergunninghoudster], zodat de minister het daartegen gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellante bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 16 augustus 2005 vernietigen wegens schending van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De minister zal alsnog inhoudelijk op het door appellante tegen het besluit van 30 november 2004 gemaakte bezwaar dienen te beslissen.

2.6.    De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 30 juni 2006 in zaak no. BELEI 05/2295;

III.    verklaart het door appellante bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 augustus 2005, kenmerk 05.1.0014/JV;

V.    veroordeelt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 698,00 (zegge: zeshonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink             w.g. Dallinga

Voorzitter               ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

18-453.