Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200603117/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 15 augustus 2005 de op het perceel Voorweg 20 te Heemskerk aanwezige loods en paardenbak, inclusief paarden en bijbehorende omheining, te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603117/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05-2241 van de rechtbank Haarlem van 24 maart 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 15 augustus 2005 de op het perceel Voorweg 20 te Heemskerk aanwezige loods en paardenbak, inclusief paarden en bijbehorende omheining, te verwijderen.

Bij besluit van 15 maart 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 maart 2006, verzonden op 28 maart 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij besluit van 25 juli 2006 heeft het college, opnieuw beslissend, het door appellant tegen het besluit van 28 oktober 2004 gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat betreft de bevoegdheid om handhavend op te treden ten aanzien van de staalconstructie en de fundering van de loods, de paarden en het zand dat in de paardenbak aanwezig is, het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de loods, met uitzondering van de fundering en de staalconstructie, en de rondom de paardenbak geplaatste omheining uiterlijk zestien weken na verzending van dat besluit te verwijderen.

Bij brief van 9 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. A.J.P. Schram, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.C.M. Hemels en G. Lukken, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting heeft het college de aan appellant ten aanzien van de paardenbak opgelegde last ingetrokken. Vervolgens heeft appellant zijn hoger beroep, voor zover dat betrekking had op die last, ingetrokken.

2.2.    Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat voor de verbouw van de kas tot loods een bouwvergunning is vereist. Het vervangen van de asbesthoudende gevelplaten en de oude glasplaten door niet-asbesthoudende platen moet worden aangemerkt als bouwen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet en kan niet worden aangemerkt als zijnde van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet.

2.3.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisering bestaat.

2.5.    De rechtbank heeft, anders dan appellant betoogt, terecht geoordeeld dat de loods in strijd is met het bestemmingsplan "Heemskerkerduin en Noorddorp, partiële herziening 1998" (hierna: het bestemmingsplan). In dit verband verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van heden in zaak no. 200605883/1. Voor zover appellant een beroep doet op het in het bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht, heeft de rechtbank dat met juistheid verworpen, nu, naar ook niet is bestreden door appellant, op het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerpplan geen sprake was van een van het plan afwijkende situatie.

   Appellant betoogt voorts tevergeefs dat het college voor de loods vrijstelling dient te verlenen. Het college is niet bereid vrijstelling te verlenen, nu het bestemmingsplan een conserverende werking heeft, waarbij het ontplooien van niet-agrarische activiteiten, zoals de bouw van de loods, wordt ontmoedigd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat dit standpunt op voorhand niet onredelijk moet worden geacht. Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisering bestaat.

   Het betoog faalt.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 6:24 van die wet, wordt het hoger beroep geacht mede een beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 25 juli 2006 in te houden.

2.8.    Appellant betoogt dat niet duidelijk is tot wie het besluit van 25 juli 2006 zich richt. Dat betoog faalt. Gelet op de bewoordingen van dat besluit is voldoende duidelijk dat de last aan appellant wordt opgelegd.

2.9.    Het betoog van appellant dat de begunstigingstermijn onredelijk kort is, slaagt niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college, zoals hij stelt, in andere, rechtens vergelijkbare, gevallen een langere begunstigingstermijn heeft gehanteerd. Verder valt niet in te zien dat een verlenging van de oorspronkelijk bij het primaire besluit gegeven begunstigingstermijn van eenenveertig weken tot zestien weken na verzending van het besluit op bezwaar van 25 juli 2006 onvoldoende is om aan de last te kunnen voldoen. Voor het oordeel dat het college appellant bij dat besluit nogmaals een begunstigingstermijn van eenenveertig weken diende te geven, bestaat geen aanleiding.

2.10.    Ten slotte bestaat, anders dan appellant betoogt, geen grond voor het oordeel dat de opgelegde dwangsom onredelijk hoog is. De enkele niet onderbouwde stelling van appellant dat de waarde van de loods zoals die door het college is geschat, onjuist is, is daarvoor onvoldoende.

2.11.    Het beroep tegen het besluit van 25 juli 2006 is ongegrond.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het tegen het besluit van 25 juli 2006 ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk                              w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

58-457.