Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8472

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200602365/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor de bouw van twintig starterswoningen met bijbehorende parkeer- en nutsvoorzieningen, op het perceel aan de Van Halsterenstraat, Goudenregenstraat en Ds. Van Krevelenstraat te Lichtenvoorde (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602365/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van

Groenlo (thans: Oost-Gelre),

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. 05 / 2230 en 05 / 2231 van de rechtbank Zutphen van 14 februari 2006 in het geding tussen:

[wederpartijen], allen wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor de bouw van twintig starterswoningen met bijbehorende parkeer- en nutsvoorzieningen, op het perceel aan de Van Halsterenstraat, Goudenregenstraat en Ds. Van Krevelenstraat te Lichtenvoorde (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 november 2005 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van die uitspraak op het bezwaar van [wederpartijen] te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 21 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 juli 2006 hebben [wederpartijen] van antwoord gediend.

Bij besluit van 14 maart 2006 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2006, opnieuw op het door [wederpartijen] tegen het besluit van 11 juli 2005 gemaakte bezwaar beslist en daarbij dit bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij brief van 21 april 2006, bij de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) ingekomen op dezelfde dag, hebben [wederpartijen] beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft deze brief op de voet van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar de Afdeling.

Bij brief van 5 juli 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 8 november heeft het college een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. B. ten Have en ing. M.A.J. Bluemer, ambtenaren van de gemeente, en [wederpartijen], in de persoon van [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.P.P.D. Rouwet, advocaat te Lichtenvoorde, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door [directeur].

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Lichtenvoorde West" (hierna: het bestemmingsplan). Teneinde bouwvergunning voor het bouwplan te kunnen verlenen, heeft het college toepassing gegeven aan de bevoegdheid vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.2.    Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge het eerste lid van dit artikel wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of een intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.3.    Bij besluit van 16 maart 2004 hebben gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: gedeputeerde staten) de beleidsnota "Wijziging Wet op de Ruimtelijke Ordening" vastgesteld, waarin, voorzover thans van belang, algemene voorwaarden waaraan moet worden voldaan om vrijstelling te mogen verlenen voor de aangewezen categorie van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO zijn vervat. Volgens deze voorwaarden mag geen vrijstelling worden verleend voor een project, indien dit project onevenredig afbreuk doet aan of onevenredige hinder of beperkingen oplevert voor aangrenzende of nabije functies en bestemmingen.

   Bij brief van 23 december 2004 heeft het college van gedeputeerde staten enkele in de door de gemeenteraad van Lichtenvoorde op 18 maart 2004 vastgestelde nota "Wonen en Werken in Lichtenvoorde 2015" (hierna: de nota "Wonen en Werken") als zogenoemde inbreidingslocaties opgenomen locaties, waaronder de onderhavige, aangewezen als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

   Bij besluit van 4 januari 2005 hebben gedeputeerde staten de categorieën van gevallen aangewezen waarin burgemeester en wethouders zonder dat vooraf een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist vrijstelling kunnen verlenen. Daartoe behoren, voorzover thans van belang, woning(bouw)projecten op een inbreidingslocatie.

2.4.    Het college betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan aan de voorwaarden, verbonden aan de aangewezen categorie van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO voldoet. Ter ondersteuning van dat betoog heeft het college er op gewezen dat in zijn besluit van 16 november 2005 in aanmerking is genomen dat het bouwplan een hoogte van 9.65 m heeft, terwijl in overeenstemming met het bestemmingsplan op het perceel een schoolgebouw met een hoogte van 11 m kan worden gerealiseerd en dat de ontsluitingsweg een juiste ontsluiting vormt van het binnengebied met daarin voldoende parkeerruimte.

2.4.1.    De Afdeling begrijpt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting de aan toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO verbonden voorwaarde aldus: ter beoordeling of het bouwplan niet onevenredig afbreuk doet aan of onevenredige hinder of beperkingen oplevert voor aangrenzende of nabije functies of bestemmingen, dient te worden bezien of hetgeen met het verlenen van vrijstelling mogelijk wordt gemaakt, van dien aard is, dat geen sprake is van een zodanige aantasting van de belangen van gebruikers van aangrenzende gronden of opstallen dat om die reden het verlenen van medewerking aan het bouwplan zou moeten worden geweigerd. Daarbij dient acht geslagen te worden op eventuele nog niet benutte gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Bij deze beoordeling mogen burgemeester en wethouders rekening houden met de mogelijkheden die het bestemmingsplan ter plaatse van het op te richten bouwwerk biedt en met de omvang van de afwijking ten opzichte van deze mogelijkheden, waarvoor vrijstelling is gevraagd.

   Aan het besluit van 16 november 2005 is een zodanige afweging niet ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het besluit van 16 november 2005 ter zake onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Het betoog slaagt niet.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Bij besluit van 14 maart 2006 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.7.    De Afdeling begrijpt het betoog van [wederpartijen] aldus dat zij stellen dat het bouwplan in strijd is met zowel de in de nota "Wonen en Werken" geformuleerde beleidsuitgangspunten, als met de aan de algemene categorie verbonden voorwaarde dat met het bouwplan geen onevenredige hinder of beperkingen worden veroorzaakt voor aangrenzende of nabije functies of bestemmingen.

2.7.1.    Zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, is het bouwplan op een door het college aangewezen en door gedeputeerde staten als zodanig goedgekeurde inbreidingslocatie geprojecteerd. Uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat - zoals [wederpartijen] stellen - op een inbreidingslocatie geen zogenoemde verstening plaats mag vinden. Het betoog van [wederpartijen] dat het bouwplan in strijd is met de in de nota "Wonen en Werken" geformuleerde beleidsuitgangspunten slaagt derhalve niet.  

2.7.2.    Aan zijn besluit van 14 maart 2006 heeft het college een ruimtelijke afweging ten grondslag gelegd, waarin onder meer is ingegaan op aspecten van stedenbouwkundige inpassing van het bouwplan, welstand, verkeers- en parkeerbewegingen en milieu en veiligheid. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, deze aspecten in aanmerking genomen, de belasting voor de omgeving waartoe de maximale benutting van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, in vergelijking tot de belasting voor de omgeving door het bouwplan, niet onevenredig is. Het bouwplan doet derhalve geen onevenredige afbreuk aan, noch levert onevenredige hinder of beperkingen op voor aangrenzende of nabije functies of bestemmingen, aldus het college.

2.7.3.    Het betoog van [wederpartijen] dat het bouwplan onevenredige hinder of beperkingen oplevert voor aangrenzende of nabije functies of bestemmingen, omdat met het realiseren van het bouwplan de parkeeroverlast zal toenemen, slaagt niet.

   Het bouwplan voorziet in het bouwen van twintig woningen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte is het college uitgegaan van 1,5 parkeerplaats per woning. Hierbij heeft het zich gebaseerd op de in "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom", van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water, en Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW), gehanteerde parkeernorm voor goedkope woningen in matig tot weinig stedelijk gebied, die 1,4 tot 1,7 per woning bedraagt, waarbij ten behoeve van het bouwplan dient te worden voorzien in ten minste 28 extra parkeerplaatsen. Het bouwplan voorziet in de realisering van 23 nieuwe parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarnaast zijn op de openbare weg zeven niet voor andere bouwprojecten in aanmerking genomen parkeerplaatsen beschikbaar.

   Voor zover [wederpartijen] betogen dat het college bij de vaststelling van de parkeerbehoefte ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de activiteiten die in de nabije omgeving van het bouwplan door de schuttersgilde St. Switbertus worden georganiseerd, is dat tevergeefs. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de schuttersgilde over voldoende eigen parkeergelegenheid en parkeerplaatsen in de omgeving beschikt.

   Gelet op het vorenoverwogene, is de Afdeling van oordeel dat de door [wederpartijen] gestelde aanzienlijke toeneming van parkeeroverlast niet aannemelijk is gemaakt.

   De conclusie is dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat van een zodanige aantasting van de belangen van omwonenden dat om die reden medewerking aan het bouwplan zou moeten worden onthouden, geen sprake is, zodat het bouwplan voldoet aan de aan de algemene categorie verbonden voorwaarde dat met het realiseren daarvan geen onevenredige hinder of beperkingen worden veroorzaakt voor aangrenzende of nabije functies of bestemmingen.

2.8.    [wederpartijen] betogen dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Hiertoe verwijzen zij naar een verslag van een vooroverleg van het Gelders Genootschap (hierna: de welstandscommissie) waarin naar aanleiding van een eerder, van het definitieve bouwplan afwijkend, ontwerp van dit plan, de welstandscommissie enkele suggesties tot wijziging van het bouwplan heeft geformuleerd.

2.8.1.    Op 12 januari 2005 heeft de welstandscommissie met betrekking tot het bouwplan een positief advies uitgebracht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 mei 1996 in zaak no. H01.95.0359 (BR 1996, p. 654), mogen burgemeester en wethouders, hoewel zij niet aan een welstandsadvies zijn gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hen berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat burgemeester en wethouders dit niet - of niet zonder meer - aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hebben mogen leggen.

   [wederpartijen] hebben geen tegenadvies overgelegd. De enkele omstandigheid dat de welstandscommissie bij een eerder ontwerp van het bouwplan enkele vraagtekens heeft geplaatst, waarna het bouwplan is aangepast en nogmaals ter advisering aan de commissie is voorgelegd, geeft geen grond voor het oordeel dat het college het welstandsadvies niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Het betoog van [wederpartijen] slaagt niet.

2.9.    Het beroep van [wederpartijen] tegen het besluit van 14 maart 2006 is ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van 14 maart 2006 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Heusden

Voorzitter   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

163-476.