Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8471

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200604542/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2005 heeft de gemeenteraad van Wassenaar, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 oktober 2005, het bestemmingsplan "Rijksstraatweg-Kerkehout" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604542/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2005 heeft de gemeenteraad van Wassenaar, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 oktober 2005, het bestemmingsplan "Rijksstraatweg-Kerkehout" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 mei 2006, kenmerk DRM/ARW/05/12090A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 20 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 augustus 2006 heeft verweerder meegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

Bij brief van 29 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2007, waar appellant in persoon, bijgestaan door S. Jonkman, makelaar in onroerend goed te Wassenaar, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H. Kats, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Wassenaar, vertegenwoordigd door W.M. Vermeulen en ing. J.J. Offringa, beiden ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het bestemmingsplan

2.2.    Het plan heeft betrekking op gronden tussen de muur van de bestaande begraafplaats en de Rijksstraatweg N44 in de gemeente Wassenaar. Het plan voorziet in hoofdzaak in woningbouw. Tevens is een plandeel opgenomen met de bestemming "Opslagruimte".

Formele aspecten

2.3.    Appellant heeft als formeel bezwaar aangevoerd dat het besluit omtrent goedkeuring niet tijdig ter inzage is gelegd.

Het bezwaar heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Procedurele aspecten

2.4.    Ter zitting heeft appellant bezwaren aangevoerd met betrekking tot de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden", alsmede met betrekking tot de luchtkwaliteit. Deze bezwaren zijn niet verwoord in het door appellant ingediende beroepschrift. Nu appellant dit eerst ter zitting heeft aangevoerd, dient het met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten. Dit zou slechts anders zijn indien sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van appellant redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij dit eerder naar voren had gebracht. Van dergelijke omstandigheden is echter niet gebleken. Deze bezwaren kunnen derhalve niet bij de besluitvorming worden betrokken.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Opslagruimte" (hierna: het plandeel) ter plaatse van het perceel van appellant. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze bestemming ten onrechte niet voorziet in het bestaande gebruik van dit plandeel door appellant als stallingsruimte voor zijn oldtimers en werkplaats voor het hobbymatig repareren daarvan. Volgens verweerder dient het plandeel in deze hobbymatige garageactiviteiten van appellant te voorzien.

Het standpunt van appellant

2.6.    Appellant stelt in beroep dat verweerder aan de onthouding van goedkeuring aan het plandeel ten onrechte uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag heeft gelegd. Volgens appellant dient het plandeel te voorzien in een bedrijfsmatige werkplaats. Appellant vreest dat, nu daarin niet is voorzien, zijn perceel in waarde zal verminderen.

De vaststelling van de feiten

2.7.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.1.    Appellant is sinds november 1994 eigenaar van het perceel aan de [locatie] te [plaats], dat in het plan de bestemming "Opslagruimte" heeft. Het perceel wordt door appellant gebruikt voor het hobbymatig stallen, onderhouden en repareren van oldtimers.

2.7.2.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor opslagruimte aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van schone opslag.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.    Door de onthouding van goedkeuring aan het plandeel waartegen de inhoudelijke bezwaren van appellant zijn gericht, is in zoverre aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan. De Afdeling vat het beroep van appellant daarom aldus op dat hij zich ertegen verzet dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd.

2.9.    Vast staat dat appellant op het perceel geen bedrijfsmatige activiteiten verricht en dat hij het daarop aanwezige gebouw uitsluitend gebruikt voor het stallen van zijn oldtimers en het hobbymatig restaureren daarvan. Voorts is gesteld noch gebleken dat appellant concrete voornemens heeft om op het perceel bedrijfsmatige activiteiten te gaan verrichten.

   Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel van appellant betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.10.    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder de door appellant aangevoerde argumenten in redelijkheid niet aan zijn besluit ten grondslag heeft hoeven leggen.

   In hetgeen appellant voorts heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren                            w.g. Taal

Lid van de enkelvoudige kamer         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

325-420.