Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8461

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200604600/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) door het plaatsen van borden een aantal half- en onverharde wegen in het buitengebied van Asenray gesloten verklaard voor alle motorvoertuigen waarbij voor sommige wegen een uitzondering geldt voor landbouwverkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604600/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Roermond,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1914 van de rechtbank Roermond van 10 mei 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) door het plaatsen van borden een aantal half- en onverharde wegen in het buitengebied van Asenray gesloten verklaard voor alle motorvoertuigen waarbij voor sommige wegen een uitzondering geldt voor landbouwverkeer.

Bij besluit van 14 oktober 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 mei 2006, verzonden op 10 mei 2006, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door, mr. M.P.J. Massen en R.P.M. Camp, beiden ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens verkeersbesluit.

   Ingevolge het tweede lid, geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

   Ingevolge artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer moet de plaatsing of verwijdering van de hierna genoemde verkeerstekens geschieden krachtens een verkeersbesluit:

a. de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, uitgezonderd de borden C22 en E9, alsmede de borden E4, E12 en E13 tenzij onder deze verkeersborden een onderbord als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d, wordt aangebracht, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 8, derde lid;

b. (…)

   Ingevolge artikel 21 vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.2.    Appellant is eigenaar van twee (landbouw)percelen die liggen aan de wegen waarop het verkeersbesluit betrekking heeft. Op deze percelen teelt appellant asperges welke hij, vanuit zijn bedrijfspand dat niet aan één van de in het verkeersbesluit genoemde wegen is gelegen, aan particulieren verkoopt. Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot het onderhavige verkeersbesluit.

2.3.    Appellant heeft in de eerste plaats volstaan met een verwijzing naar de gronden van het bij de rechtbank door hem ingediende beroep. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank deze gronden reeds terecht en op goede gronden heeft verworpen, zodat deze verwijzing niet kan leiden tot gegrondverklaring van het hoger beroep en vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.4.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college het onderhavige verkeersbesluit niet mocht nemen ter uitvoering van het Interreg project "Natuurvisie Roermond Oost". Voorts betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het onderhavige verkeersbesluit veel verder gaat dan de doelstellingen in het Interreg project, en dat de doelstellingen van dit project tevens op alternatieve wijze kunnen worden bereikt.

2.5.    Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de WVW kan het verkeersbesluit strekken tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu. Het feit dat een verkeersbesluit wordt genomen ter uitvoering van een grensoverschrijdend project, dat onder andere tot doel heeft het buitengebied van Roermond en omstreken te ontsnipperen door het verkeersluw maken van wegen door fysieke maatregelen in verband met beschermde diersoorten, maakt dat het verkeersbesluit ertoe strekt om het milieubelang genoemd in artikel 2, tweede lid, van de WVW te dienen. Gelet hierop valt niet in te zien waarom het verkeersbesluit niet had mogen worden genomen ter uitvoering van dit project.

   Het betoog van appellant dat het verkeersbesluit verder gaat dan de doelstellingen van het Interreg project kan, wat hier ook van zij, niet leiden tot gegrondverklaring van het hoger beroep. In het kader van de besluitvorming heeft het college naast het Interreg project ook andere doelstellingen, zoals het behouden van de functie en het karakter van het natuur- en landbouwgebied waarin de wegen liggen, en het beperken van schade, hinder en overlast door het verkeer, aan het verkeersbesluit ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat niet gebleken is dat het college, mede gelet op deze doelstellingen, niet in redelijkheid tot het onderhavige besluit heeft kunnen komen. De mogelijkheid dat op andere wijze eveneens aan de doelstellingen van het Interreg project kan worden voldaan doet hier niet aan af.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007.

176-538.