Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8455

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200607856/1 en 200607856/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om de nissenhut op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en het gebruik ervan te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607856/1 en 200607856/2.

Datum uitspraak: 8 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2788 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 september 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om de nissenhut op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en het gebruik ervan te staken.

Bij besluit van 12 augustus 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het het gebruik van de nissenhut betreft en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2006, verzonden op 21 september 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 december 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 2 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2007, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. J.F.M. van Erp, advocaat te Oss, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Gielis en mr. N. Laagland, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    De last ziet op het verwijderen van een nissenhut die appellant op het perceel heeft opgericht ten behoeve van het bedrijfsmatig bewerken van natuursteen tot eind- en halfproducten, zoals tafel- en aanrechtbladen.

2.3.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.4.    Niet in geschil is dat de nissenhut zonder bouwvergunning is opgericht, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" heeft het perceel de bestemming "Woondoeleinden". Niet in geschil is en ook de Voorzitter stelt vast dat de nissenhut in strijd is met het bestemmingsplan. Voorts is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen vrijstelling en bouwvergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelet op de totale oppervlakte van de reeds op het perceel aanwezige bebouwing, het landelijke karakter van het gebied en het beleid dat verstening van het buitengebied moet worden tegengegaan. Het betoog dat het omliggende gebied als bedrijventerrein zal worden bestemd, is niet aannemelijk geworden. Voorts is het niet mogelijk om vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO te verlenen, omdat de nissenhut - die er al sinds 1998 staat - langer dan vijf jaren in stand zal blijven.

   Ook overigens heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om een bijzondere omstandigheid aan te nemen op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien. De omstandigheid dat appellant voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van de bedrijfsactiviteiten op het perceel en dat verplaatsing van het bedrijf gelet op de daarmee gepaard gaande kosten geen reële optie is, heeft de rechtbank terecht niet tot een ander oordeel gebracht. Dat appellant zich destijds niet bewust is geweest van de omstandigheid dat het bestemmingsplan "Buitengebied", waarin geen rekening met zijn bedrijfsactiviteiten is gehouden, in procedure werd gebracht, dient voor zijn eigen rekening en risico te komen. De gemeente is niet verplicht om eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een bestemmingsplan. Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Aan de omstandigheid dat eerst bijna zes jaar na het constateren van de nissenhut in 1998 handhavend is opgetreden kan appellant niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat niet tegen de nissenhut zou worden opgetreden. Dat het college, behoudens een ontvangstbevestiging, geen verdere inhoudelijke reactie heeft gegeven op het door appellant op 22 april 1998 ingediende principe-verzoek om een tijdelijke bouwvergunning voor de nissenhut maakt dat niet anders, reeds omdat het verlenen van een tijdelijke bouwvergunning geen titel biedt voor handhaving van het gebouw voor de door appellant beoogde periode. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Ter zitting is bevestigd dat ten aanzien van de bouwwerken van Organon een inventarisatie plaatsvindt en dat daartegen handhavend zal worden opgetreden, voor zover legalisatie niet mogelijk is. Voorts is bij [pallethandel] in Berghem en het [grondverzetbedrijf] in Megen, geen sprake van bouwwerken die zonder bouwvergunning zijn opgericht. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de door appellant genoemde gevallen niet met zijn situatie vergelijkbaar zijn.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump                 w.g. Duursma

Voorzitter            ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007

378