Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8452

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200606387/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de vorderingsvergoeding voor de aan appellant toebehorende woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning) voor de periode van 1 december 2003 tot 1 juli 2004 vastgesteld op € 148,61 per maand. Daarbij is appellant tevens meegedeeld dat hij het door de bewoonster teveel aan gebruikersvergoeding betaalde bedrag van € 1.693,72 dient te restitueren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606387/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2507 van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de vorderingsvergoeding voor de aan appellant toebehorende woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning) voor de periode van 1 december 2003 tot 1 juli 2004 vastgesteld op € 148,61 per maand. Daarbij is appellant tevens meegedeeld dat hij het door de bewoonster teveel aan gebruikersvergoeding betaalde bedrag van € 1.693,72 dient te restitueren.

Bij besluit van 13 april 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2006, verzonden op 19 juli 2006, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 31 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2007, waar appellant, in persoon bijgestaan door mr. E.A.C. Nijhof-Top, advocaat te Zeewolde, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.H. van der Hijden, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, eerste volzin, van de Huisvestingswet kunnen burgemeester en wethouders indien dat voor een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, van de eigenaar van een in de gemeente aanwezige leegstaande woonruimte, een leegstaande gebouw, niet zijnde een of meer woonruimten, of een leegstaand gedeelte van een zodanig gebouw, dan wel van een woonruimte die in strijd met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften zonder huisvestingsvergunning of vergunning ingevolge artikel 30 in gebruik genomen is, het gebruik daarvan als woonruimte vorderen.

   Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Huisvestingswet bepalen burgemeester en wethouders bij hun besluit tot vordering de door de gemeente aan de eigenaar maandelijks verschuldigde vorderingsvergoeding.

   Ingevolge het tweede lid wordt de vorderingsvergoeding, met inachtneming van de geldende prijsvoorschriften, vastgesteld op een bedrag dat in het economisch verkeer redelijk is.

   In artikel 48 van de Huisvestingswet, voor zover hier van belang, is bepaald dat burgemeester en wethouders ambtshalve, dan wel op een daartoe strekkend verzoek van de eigenaar, het bedrag van de vorderingsvergoeding kunnen wijzigen.

2.2.    Vast staat dat de huurcommissie bij uitspraak van 7 mei 2004, verzonden op 28 juni 2004, heeft bepaald dat het redelijk is dat de bewoonster van de woning per 1 december 2003 € 148,61 per maand als gebruiksvergoeding betaalt, zijnde 40% van de op 1 december 2003 geldende maximale huurprijs, aangezien de woning op 1 december 2003 twee ernstige gebreken vertoonde.

   Partijen bij die uitspraak, te weten de bewoonster van de woning en het college, hebben niet binnen acht weken na verzending van de uitspraak op voet van artikel 7:262, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, een beslissing van de kantonrechter gevorderd over de door de huurcommissie bepaalde gebruiksvergoeding, zodat de uitspraak tussen partijen bindend is geworden.

2.3.    Ter beoordeling staat de grief dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet naar aanleiding van de uitspraak van de huurcommissie over de gebruiksvergoeding in redelijkheid mocht besluiten tot een overeenkomstige verlaging van de vorderingsvergoeding. Appellant voert daarbij aan dat de uitspraak van de huurcommissie, anders dan de rechtbank heeft overwogen, onjuist is, en dat het college heeft verzuimd een beslissing van de kantonrechter te vorderen. In dit verband stelt hij dat eventuele gebreken in de woning door de handelwijze van de bewoonster zijn veroorzaakt. Voorts voert hij aan dat het college heeft vastgesteld dat van ernstige gebreken geen sprake is en dat het heeft verklaard dat de bewoonster heeft verhinderd dat de gebreken in haar woning werden verholpen.

2.4.    Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college de uitspraak van de huurcommissie niet aan haar besluit tot verlaging van de vorderingvergoeding ten grondslag mocht leggen omdat het college heeft verzuimd over de uitspraak een oordeel te vorderen van de kantonrechter. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, is appellant tijdig op de hoogte gesteld van de melding van de gebreken aan de woning, de behandeling door de huurcommissie van de zaak en de uitspraak van de huurcommissie. Appellant heeft het college evenwel niet voor ommekomst van de daarvoor geldende termijn verzocht om een beslissing van de kantonrechter te vorderen. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat er voor het college, gelet op wat hem bekend kon zijn, niettemin aanknopingspunten waren om te twijfelen aan de juistheid van de uitspraak van de huurcommissie of de zorgvuldigheid waarmede die tot stand is gekomen, zodat het die uitspraak niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen zonder dat deze door de kantonrechter was beoordeeld. Gelet op het door de huurcommissie op 29 maart 2004 uitgevoerde voorbereidende onderzoek stond immers vast dat sprake was van ernstige gebreken aan de woning. De rechtbank heeft dan ook terecht in de omstandigheid dat de uitspraak van de huurcommissie niet door de kantonrechter is beoordeeld geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid die uitspraak aan haar besluitvorming ten grondslag mocht leggen.

   Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de gebreken die ten grondslag zijn gelegd aan de uitspraak van de huurcommissie door de bewoonster van de woning zijn veroorzaakt, en evenmin dat het herstel van die gebreken door de bewoonster onmogelijk is gemaakt. Dat een vertegenwoordiger van het college tegenover de huurcommissie heeft verklaard dat de bewoonster het verhelpen van de gebreken heeft verhinderd, leidt niet tot een ander oordeel, nu de vertegenwoordiger die verklaring uitsluitend heeft afgelegd in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van appellant bij de huurcommissie en zij uitsluitend was gebaseerd op de mening van appellant. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat er voor het college enige aanleiding bestond om de vorderingsvergoeding niet of niet geheel aan te passen aan de ingevolge de uitspraak van de huurcommissie verlaagde gebruikersvergoeding.    

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Michiels van Kessenich, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom                    w.g. Michiels van Kessenich

Voorzitter                         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

450