Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200606019/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2005 heeft verweerder het besluit van 3 december 2002 waarin aan appellante een last onder dwangsom is opgelegd vanwege het overschrijden van een lozingsnorm, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606019/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Edelchemie Panheel B.V.", gevestigd te Heel,

appellante,

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2005 heeft verweerder het besluit van 3 december 2002 waarin aan appellante een last onder dwangsom is opgelegd vanwege het overschrijden van een lozingsnorm, ingetrokken.

Bij besluit van 4 juli 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 14 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 september 2006.

Bij brief van 25 oktober 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door A.M.L. van Rooij en ir. L.M.M. Nevels, en verweerder, vertegenwoordigd door J. Meijers, ing. W. Schoenmakers, H. Hermans en L. Jaspers-Dauven, ambtenaren van het waterschap, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De bij het bestreden besluit ingetrokken handhavingsbeschikking heeft onder meer betrekking op overtreding van artikel 6 van de voorschriften verbonden aan de ten behoeve van de inrichting verleende vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo). Dit voorschrift ziet op de samenstelling van afvalwater en bevat lozingsnormen voor de parameter onopgeloste bestanddelen en voor de parameters nikkel, zink, zilver en kwik.

2.2.    Appellante betoogt allereerst dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit niet correct is ingegaan op hetgeen door haar in bezwaar is aangevoerd, aangezien zij vier bezwaren heeft geformuleerd en verweerder op zes grieven is ingegaan. De Afdeling deelt dit standpunt niet. Verweerder heeft het bezwaar onderverdeeld in zes onderdelen. Niet is gebleken dat de heroverweging niet heeft plaatsgevonden op grond van hetgeen appellante in bezwaar heeft aangevoerd. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

2.3.    Appellante betoogt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien zij niet in de gelegenheid is gesteld zienswijzen naar voren te brengen.

   In artikel 4:8, eerste lid, is bepaald dat voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, het die belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

   Het besluit tot intrekking van de aan appellante opgelegde last onder dwangsom is een begunstigende beschikking. Gelet hierop kon worden geoordeeld dat appellante naar verwachting hiertegen geen bedenkingen zou hebben. Verweerder heeft dan ook op goede gronden afgezien van het bieden van de gelegenheid tot het indienen van zienswijzen. De beroepsgrond slaagt niet.

2.4.    Appellante betoogt dat de in het bestreden besluit neergelegde intrekking aantoont dat het ingetrokken besluit destijds ten onrechte is genomen. Volgens appellante heeft verweerder destijds handhavingsmiddelen toegepast vanwege de overtreding van een norm voor de hoeveelheid onopgeloste bestanddelen die nooit zou kunnen worden nageleefd. Ook zijn de constateringen dat de norm werd overtreden gebaseerd op metingen volgens een methode waarbij het effect van algengroei niet werd gecorrigeerd, waardoor de resultaten een vertekend beeld gaven. Wanneer de meetresultaten wel zouden zijn gecorrigeerd, zouden de uitkomsten voor appellante veel gunstiger zijn geweest. Volgens appellante heeft verweerder hier destijds ten onrechte geen rekening mee gehouden. Verder voert appellante aan dat ten aanzien van de inrichting tegelijkertijd verschillende handhavingsbesluiten van kracht waren met betrekking tot dezelfde overtredingen. Ten slotte meent appellante dat verweerder de kosten zou moeten vergoeden van procedures die zij heeft moeten aanspannen, onder meer tegen het opleggen van de niet naleefbare lozingsnorm.

2.4.1.    Uit de stukken is gebleken dat appellante na het onherroepelijk worden van het besluit tot verlening van de Wvo-vergunning een verzoek heeft ingediend tot wijziging van onder meer artikel 6 van de voorschriften. Verweerder heeft hier afwijzend op beslist. Het hiertegen door appellante ingestelde beroep is ongegrond verklaard. Wegens het niet naleven van de normen voor de samenstelling van afvalwater is vervolgens een last onder dwangsom opgelegd. Dit besluit is onherroepelijk geworden.

   De Afdeling overweegt dat hetgeen appellante thans aanvoert betrekking heeft op in het verleden genomen besluiten en gevoerde procedures. Nu de onderhavige procedure niet een procedure is tot herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak, als geregeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht, kan hierop niet opnieuw worden beslist.

   Ook het bezwaar dat meerdere handhavingsbesluiten van kracht zijn geweest voor dezelfde overtredingen, wat daar ook van zij, en het verzoek om vergoeding van kosten houden geen rechtstreeks verband met het thans bestreden besluit.

   Gelet hierop kunnen de beroepsgronden ook in zoverre niet slagen.

2.5.    Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.G. van Dam, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll                                           w.g. Van Dam

Lid van de enkelvoudige kamer         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

441