Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8441

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
200605218/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2004 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (hierna: het bureau) de aanvraag van appellant om een toevoeging verleende rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605218/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2554 van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2004 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (hierna: het bureau) de aanvraag van appellant om een toevoeging verleende rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 18 april 2005 heeft de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de raad) het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 13 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 oktober 2006 heeft de raad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2007. Appellant en de raad - met bericht - zijn niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 34, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), voor zover hier van belang, wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een eigen vermogen van ten minste € 7.300,- indien hij alleenstaande is, dan wel van tenminste € 10.500,- in overige gevallen.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (hierna: het Bdr), zoals dat gold ten tijde van belang, wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan onder vermogen, de waarde van de bezittingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, verminderd met de waarde van de schulden als bedoeld in artikel 9, tweede lid.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Bdr, worden voor de vaststelling van het vermogen als bezittingen in aanmerking genomen: giro-, bank- en spaartegoeden, kasgelden en cheques, effecten, onroerende zaken, ondernemingsvermogen, hypothecaire en andere vorderingen, het aandeel in onverdeelde boedels, alsmede overige bezittingen, ter beoordeling van de raad, voor zover zij een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen.

   Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bdr, worden voor de vaststelling van het vermogen als schulden in aanmerking genomen schulden die betrekking hebben op bijzondere uitgaven die de rechtzoekende gedwongen is te doen als gevolg van persoonlijke omstandigheden hemzelf of zijn huishouding betreffende.

   Ingevolge artikel 9, derde lid, aanhef en onder b, van het Bdr, worden voor de vaststelling van het vermogen niet in aanmerking genomen de waarde van vermogensbestanddelen die niet dan onder voor de rechtzoekende onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden te gelde kunnen worden gemaakt.

2.2.    De raad heeft zich bij de bestreden beslissing op bezwaar van 3 september 2004 op het standpunt gesteld dat appellant niet voor de gevraagde toevoeging in aanmerking komt nu het totale vermogen van appellant en diens echtgenote ten tijde van de aanvraag is vastgesteld op € 20.814,00, welk bedrag de bij wet gestelde grens van € 10.500,00 overschrijdt.

2.3.    Appellant betoogt onder verwijzing naar het doorlopend krediet dat hij heeft afgesloten om de teruggang van zijn inkomen na zijn arbeidsongeschiktheid te compenseren, dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de raad heeft gevolgd dat dat krediet niet in mindering kan worden gebracht op het vastgestelde vermogen.

2.4.    Ook de Afdeling is van oordeel dat het doorlopend krediet op zich zelf niet als een schuld die betrekking heeft op bijzondere uitgaven als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het Bdr kan worden aangemerkt. Appellant heeft verder geen gegevens overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat het doorlopend krediet is aangegaan voor bijzondere uitgaven die hij gedwongen was te doen als gevolg van omstandigheden hemzelf of zijn huishouding betreffende. De rechtbank is dan ook terecht tot de slotsom gekomen dat dit krediet niet in mindering kon te worden gebracht op het vermogen van appellant. Het betoog faalt derhalve.

2.5.    Voorts betoogt appellant tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij op het tijdstip van de aanvraag beschikte over liquide middelen in de vorm van een banktegoed en derhalve niet behoefde over te gaan tot het te gelde maken van vermogensbestanddelen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 maart 2003 in zaak no. 200301188/1 wordt aan de vraag of sprake is van vermogensbestanddelen, als bedoeld in artikel 9, derde lid, aanhef en onder b, van het Bdr eerst toegekomen, indien deze te gelde gemaakt zouden moeten worden om in de kosten van rechtsbijstand te kunnen voorzien. Bij het oordeel over de vraag of de noodzaak daartoe zich daartoe voordoet, dient te worden betrokken of de rechtzoekende, gelet op zijn inkomen dan wel de aanwezigheid van liquide middelen, op andere wijze in de kosten van rechtsbijstand zou kunnen voorzien. Nu niet in geschil is dat appellant ten tijde van het verzoek om rechtsbijstand beschikte over liquide middelen ten bedrage van € 3.465,69, wordt - zo volgt uit het voorgaande - reeds daarom niet toegekomen aan de toepassing van de vermogenshardheidsclausule als bedoeld in voormeld artikel.

   De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat geen reden bestaat voor toepassing van de vermogenshardheidsclausule van artikel 9, derde lid, aanhef en onder b, van het Bdr. Daaraan kan niet afdoen de stelling van appellant dat genoemd bedrag niet toereikend zou zijn. De Afdeling merkt daarbij op dat van de zijde van de raad in dat verband naar voren is gebracht dat het appellant vrij staat om, zolang de procedure nog loopt en rechtsbijstand verstrekt dient te worden, opnieuw een aanvraag om een toevoeging in te dienen, die zal worden beoordeeld aan de hand van de financiële van dat moment.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

47-515.