Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ7984

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
07-02-2007
Zaaknummer
200604576/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2004 heeft het Algemeen Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) (hierna: het Algemeen Bestuur) de aanvraag van appellant van een publicatiebijdrage in de kosten van het vertalen in het Engels van zijn boek "Hoe oud zijn de Kurden? Het Elamitisch, een nieuwe verklaring", afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 86 met annotatie van N. Verheij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604576/1.

Datum uitspraak: 7 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1023 van de rechtbank

's-Gravenhage van 28 april 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het Algemeen Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2004 heeft het Algemeen Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) (hierna: het Algemeen Bestuur) de aanvraag van appellant van een publicatiebijdrage in de kosten van het vertalen in het Engels van zijn boek "Hoe oud zijn de Kurden? Het Elamitisch, een nieuwe verklaring", afgewezen.

Bij besluit van 14 januari 2005 heeft het Algemeen Bestuur, onder verwijzing naar het advies van de Commissie beroep- en bezwaarschriften NWO van 10 januari 2005, het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 april 2006, verzonden op 10 mei 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard (lees: en dat besluit vernietigd) en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 juli 2006 heeft het Algemeen Bestuur van antwoord gediend. Daarbij heeft het Algemeen Bestuur een overzicht ingediend met de namen van de ingeschakelde deskundigen en op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzocht om geheimhouding van dit overzicht. Op 18 september 2006 heeft een Enkelvoudige kamer van de Afdeling de beperking van de kennisneming van het desbetreffende stuk gerechtvaardigd geoordeeld. Partijen zijn bij brief van 18 september 2006 van deze beslissing op de hoogte gesteld. Aan appellant is gevraagd of hij toestemming verleent dat mede op grondslag van het desbetreffende stuk uitspraak wordt gedaan. Bij brief van 26 september 2006 heeft de gemachtigde van appellant deze toestemming verleend, doch deze bij brief van 29 september 2006 weer ingetrokken vanwege een misverstand. Bij brief van gelijke datum heeft appellant bevestigd dat hij geen toestemming verleent.

Bij brief van 6 oktober 2006 heeft het Algemeen Bestuur een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2007, waar appellant in persoon en het Algemeen Bestuur, vertegenwoordigd door mr. L.J.M. van der Valk, gemachtigde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2.1, vijfde lid, van het Reglement NWO 2002, zoals dit luidde ten tijde hier van belang, geeft het Algemeen Bestuur, gehoord de betrokken gebiedsbesturen, algemene richtlijnen voor de wijze van beoordeling van subsidieaanvragen.

   Ingevolge artikel 2.6 van de Regeling subsidieverlening NWO (hierna: de Subsidieregeling NWO), zoals die luidde ten tijde hier van belang, voor zover thans van belang, worden subsidieaanvragen beoordeeld door tenminste twee onafhankelijke deskundigen die elk een beoordelingsrapport over de inhoudelijke kwaliteit van de subsidieaanvraag opstellen. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld om op deze rapporten te reageren. Aan de hand van de ingebrachte beoordelingsrapporten en de reactie hierop van de aanvrager brengt een beoordelingsadviesorgaan, gelet op de inhoudelijke kwaliteit van de subsidieaanvraag, advies uit over de prioriteit van de subsidieaanvraag ten opzichte van andere aanvragen.

2.2.    Blijkens de brochure "Publicatiebijdragen" (hierna: de brochure), zoals die luidde ten tijde hier van belang, kan NWO financiële steun geven voor de vertaling van wetenschappelijke boeken door een professionele vertaler. Onder het kopje "Procedure" staat vermeld dat NWO het oordeel vraagt van enkele externe deskundigen die volgens opgave van de auteur bekend zijn met de inhoud van het desbetreffende werk (referenten). Daarnaast wordt een aanvraag beoordeeld door een of meer door NWO aan te wijzen externe deskundigen (adviseurs). Een bijdrage kan worden toegekend als NWO op grond van de uitgebrachte beoordelingsrapporten tot het oordeel komt dat het werk van aanzienlijk wetenschappelijk belang is.

2.3.    Bij besluit van 30 juni 2004 heeft het Algemeen Bestuur de aanvraag van appellant afgewezen. Daarbij heeft het Algemeen Bestuur zich gebaseerd op het oordeel van twee externe deskundigen. Op grond van die adviezen heeft het Algemeen Bestuur niet kunnen vaststellen dat het werk in zijn huidige vorm voor het internationale wetenschappelijke debat van een zodanig aanzienlijk belang is, dat een bijdrage van NWO in de kosten van vertaling in de rede ligt.

   Bij besluit van 14 januari 2005 heeft het Algemeen Bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.4.    De rechtbank heeft het besluit van 14 januari 2005 vernietigd, omdat appellant in strijd met het bepaalde in artikel 2.6 van de Subsidieregeling NWO niet in de gelegenheid is gesteld een reactie te geven op de twee beoordelingsrapporten van de externe, onafhankelijke deskundigen. De rechtbank heeft evenwel met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, nu appellant in bezwaar zijn standpunt uitvoerig heeft kunnen toelichten. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan het oordeel van de externe deskundigen. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat het advies van de twee deskundigen op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

2.5.    Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen. Nu het Algemeen Bestuur geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de overweging dat het heeft gehandeld in strijd met artikel 2.6 van de Subsidieregeling NWO, blijft buiten beschouwing of de rechtbank terecht de procedure zoals neergelegd in voormelde bepaling van toepassing heeft geacht op de onderhavige aanvraag of dat de vereenvoudigde procedure zoals beschreven in de brochure van toepassing is, zoals het Algemeen Bestuur in zijn reacties van 11 juli en 6 oktober 2006 en ter zitting heeft gesteld.

2.6.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten, nu niet vast staat dat sprake is van een situatie waarin rechtens nog maar één besluit mogelijk is. De rechtbank is volgens appellant ten onrechte uitgegaan van de juistheid van het oordeel van de externe deskundigen. Daarvoor was onvoldoende informatie beschikbaar, nu appellant door de rechtbank niet in de gelegenheid is gesteld een reactie te geven op de adviezen van de twee externe deskundigen. Voorts dienen volgens appellant de namen van de deskundigen openbaar gemaakt te worden, nu hij ernstige twijfels heeft over hun deskundigheid en onafhankelijkheid.

2.6.1.    Appellant heeft bij brief van 26 september 2006 toestemming verleend mede op grondslag van het stuk met de namen van de ingeschakelde externe deskundigen, ten aanzien waarvan het verzoek van het Algemeen Bestuur om beperking van de kennisneming is ingewilligd, uitspraak te doen. Deze toestemming heeft appellant evenwel bij brief van 29 september 2006 ingetrokken. De Meervoudige kamer van de Afdeling heeft geen kennis genomen van de inhoud van dit stuk. Nu appellant zijn toestemming heeft onthouden, kan niet mede op grondslag van het desbetreffende stuk uitspraak worden gedaan. De Afdeling kan dan ook niet nagaan wie de externe deskundigen zijn geweest en op welke grond zij als zodanig hebben opgetreden. Reeds gelet hierop kan de stelling van appellant dat de deskundigen vooringenomen zijn en onvoldoende onafhankelijk en onpartijdig niet slagen.

   In de overige stukken noch in hetgeen appellant heeft aangevoerd kan grond worden gevonden voor het oordeel dat aan de inhoud van de adviezen van de externe deskundigen gebreken kleven. Evenmin heeft appellant feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven tot het oordeel dat de adviezen van de deskundigen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat het Algemeen Bestuur zijn besluit reeds daarom niet op de adviezen mocht baseren. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

   Uit het vorenstaande volgt dat gelet op de inhoud van het besluit van 14 januari 2005 sprake was van een situatie waarin aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb toepassing mocht worden gegeven. De rechtbank heeft dan ook van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid gebruik kunnen maken.

2.7.    Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink             w.g. Dallinga

Voorzitter                   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2007

18-453.