Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ7977

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
07-02-2007
Zaaknummer
200606192/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen (hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven het hekwerk op de openbare weg de Galgendijk te Dinteloord te verwijderen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Wegenwet
Wegenwet 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 91 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
VR 2007, 115
Gst. 2007, 72 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
ABkort 2007/219
JB 2007/58
JOM 2007/173
JOM 2007/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606192/1.

Datum uitspraak: 7 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/1499 van de rechtbank Breda van 14 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen (hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven het hekwerk op de openbare weg de Galgendijk te Dinteloord te verwijderen.

Bij besluit van 30 januari 2006 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard met dien verstande dat het besluit van 19 januari 2005 zo gelezen dient te worden dat de aanschrijving uitsluitend is geschied op grond van artikel 16 van de Wegenwet.

Bij uitspraak van 14 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 september 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2007, waar appellant in persoon is verschenen. Het college is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien

de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

   Ingevolge artikel 16 van de Wegenwet heeft de gemeente te zorgen dat de binnen haar gebied liggende wegen, met uitzondering van de wegen, welke door het Rijk of een provincie worden onderhouden, van die bedoeld in artikel 17 en van die, waarop door een ander tol wordt geheven, in goede staat verkeren.

   Ingevolge artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening 2003 van de gemeente Steenbergen (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de bestemming daarvan.

2.2.    Bij besluit van 19 januari 2005 heeft het college appellant op grond van artikel 16 van de Wegenwet en artikel 125 van de Gemeentewet  aangeschreven het in strijd met artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV geplaatste hekwerk van de openbare weg te verwijderen. Bij besluit van 30 januari 2006 heeft het college dit besluit gehandhaafd met dien verstande dat gelezen dient te worden dat de aanschrijving uitsluitend is geschied op grond van artikel 16 van de Wegenwet.

2.3.    Voorop staat dat uitsluitend deze aanschrijving in geschil is. Het door appellant gestelde omtrent de slechte staat van het onderhoud van de weg kan in deze procedure niet aan de orde komen, aangezien de besluitvorming hierop geen betrekking heeft.

2.4.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 4 februari 2004 in zaak no. 200301701/1 behoort het gedeelte van de Galgendijk dat is gelegen op het perceel van appellant, perceel [locatie], sectie […], nr. […], tot het openbare gedeelte van de Galgendijk. In rechte staat derhalve vast dat de Galgendijk, inclusief het gedeelte waarvan appellant eigenaar is, openbaar is, zodat hetgeen appellant omtrent het al dan niet openbare karakter van dit deel van de weg heeft aangevoerd geen bespreking behoeft.

   Voorts is niet in geschil dat appellant het op de Galgendijk geplaatste hekwerk regelmatig sluit. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat daarmee genoegzaam is gebleken dat appellant de openbaarheid van de Galgendijk belemmert.

   Ambtshalve en anders dan in eerdere uitspraken overweegt de Afdeling dat de wettelijke grondslag voor de bevoegdheid om handhavend op te treden indien de openbaarheid van wegen wordt belemmerd niet is gelegen in artikel 16 van de Wegenwet. Dit artikel legt op de gemeente een algemene plicht om te zorgen dat wegen in goede staat verkeren en houdt geen afdwingbaar verbod of gebod in ten aanzien van de openbaarheid van wegen. Ook elders in de Wegenwet is een dergelijk verbod of gebod niet opgenomen. De wettelijke grondslag voor de handhavende bevoegdheid is in dit geval gelegen in artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV, gelezen in samenhang met artikel 125 van de Gemeentewet. Nu het college zijn bestreden besluit uitdrukkelijk en uitsluitend heeft gebaseerd op artikel 16 van de Wegenwet dient het besluit op bezwaar wegens deze onjuiste grondslag te worden vernietigd. De aangevallen uitspraak komt daarmee eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.5.    De Afdeling is van oordeel dat het college zich in het besluit van 19 januari 2005 terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant door het betrokken deel van de Galgendijk door middel van het hekwerk af te sluiten voor het openbare verkeer en aldus de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de bestemming daarvan, zonder over de voor die afsluiting vereiste vergunning te beschikken, heeft gehandeld in strijd met artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV. Het college is derhalve bevoegd ter zake handhavend op te treden. Gelet hierop, zal de Afdeling thans bezien of er gronden zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

    Het college heeft aangegeven niet bereid te zijn een vergunning tot afsluiting van de weg door middel van het hekwerk te verlenen omdat daardoor het gebruik van de Galgendijk als openbare weg en de bereikbaarheid van aan die dijk gelegen gronden, naar gebleken is, wordt belemmerd. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt mag stellen. Derhalve bestaat geen concreet uitzicht op legalisatie.

   De door appellant gestelde afspraak tussen het college en de vorige eigenaar van het perceel over het plaatsen van een hek heeft de rechtbank terecht niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt op grond waarvan het college had moeten afzien van handhavend optreden. Zo al van een met het college gemaakte afspraak sprake was; appellant sluit, anders dan de vorige eigenaar, het hekwerk regelmatig af met een ketting. Derhalve is sprake van een andere situatie dan voorheen. De omstandigheden dat een deel van de Galgendijk privé-bezit van appellant is en dat appellant bang is voor schade aan zijn eigendommen omdat weggebruikers ter hoogte van zijn perceel keren, zijn evenmin als bijzonder aan te merken. Dat een deel van de weg in particuliere eigendom is, doet geen afbreuk aan het openbare karakter daarvan. Ter bescherming van zijn eigendommen op zijn privé-grond kan appellant de nodige maatregelen treffen. De gestelde slechte staat van de weg is ook geen bijzondere omstandigheid om van handhavend optreden af te zien. Het betoog dat de gemeente vaker openbare wegen tijdelijk afsluit, waarmee appellant kennelijk beoogt een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel, dient te falen, nu in de door appellant genoemde situaties sprake is van door de gemeente in het kader van het verkeersbelang ingevolge de Wegenverkeerswet 1994 getroffen verkeersmaatregelen. Derhalve is geen sprake van gelijke gevallen.

   Het college heeft appellant naar het oordeel van de Afdeling terecht aangeschreven het hekwerk te verwijderen. Gelet hierop, zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog gegrond verklaren, het besluit van 30 januari 2006 vernietigen wegens strijd met artikel 16 van de Wegenwet en bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.7.     Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 juli 2006 in zaak no. 06/1499;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen van 30 januari 2006;

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

VI.    gelast dat de gemeente Steenbergen aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 352,00 (zegge: driehonderdtweeënvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2007

419