Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ7965

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2007
Datum publicatie
07-02-2007
Zaaknummer
200608717/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Boerenbond Mengvoeders B.V." (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie van mengvoeders, de opslag van veevoeders, de op- en overslag van meststoffen en veevoedergrondstoffen, alsmede de verkoop van land- en tuinbouwartikelen en doe-het-zelf producten, gelegen aan de Molenstraat 6 te Wanroij. Dit besluit is op 23 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608717/2.

Datum uitspraak: 2 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1.    de vereniging "Milieuvereniging Land van Cuijk", gevestigd te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert,

2.    [verzoekers sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Boerenbond Mengvoeders B.V." (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie van mengvoeders, de opslag van veevoeders, de op- en overslag van meststoffen en veevoedergrondstoffen, alsmede de verkoop van land- en tuinbouwartikelen en doe-het-zelf producten, gelegen aan de Molenstraat 6 te Wanroij. Dit besluit is op 23 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekster sub 1 bij brief van 1 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2006, en verzoekers sub 2 bij brief van 1 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 1 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2006, hebben verzoekers sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 18 januari 2007, waar verzoekster sub 1, vertegenwoordigd door W. Verbruggen, verzoekers sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door R.M. de Groot en ing. O. de Jong, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. H.W. van Noordt Wieringa en P.J.J.M. van Deursem, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.    Verzoekers stellen dat de voor de inrichting op 16 november 1999 krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning nimmer in werking is getreden en dat deze vergunning bovendien deels is komen te vervallen, aangezien de destijds vergunde perslijnen 1 tot en met 3 niet (tijdig) zijn gerealiseerd. Hierdoor is de vigerende vergunningssituatie volgens verzoekers anders dan door verweerder is aangenomen.

   De Voorzitter is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat de op 19 november 1999 verleende vergunning nooit in werking is getreden en evenmin dat deze gedeeltelijk is komen te vervallen. De Voorzitter overweegt verder dat de onderhavige procedure zich niet leent voor een diepgaande beoordeling van deze kwestie, welke in de bodemprocedure nader aan de orde zal kunnen komen.

2.5.    Verzoekers voeren aan dat verweerder de nabij de inrichting gelegen parkeerplaatsen en de op één van die parkeerplaatsen aanwezige weegbrug ten onrechte niet tot de inrichting heeft gerekend.

   De Voorzitter ziet in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de genoemde parkeerplaatsen en weegbrug als onderdelen van de inrichting moeten worden beschouwd.

2.6.    Verzoekers stellen dat in de inrichting niet de beste beschikbare technieken worden toegepast. In dit verband voeren zij aan dat de stortput van de inrichting in een afgesloten ruimte geplaatst had moeten worden en dat nageschakelde technieken beschikbaar zijn.

   De plaatsing van de stortput in een niet volledig afgesloten ruimte brengt naar het oordeel van de Voorzitter niet mee dat in de inrichting niet de beste beschikbare technieken worden toegepast. Daarbij overweegt de Voorzitter dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk is dat plaatsing van de stortput van de inrichting in een afgesloten ruimte, zoals door verzoekers bepleit, redelijkerwijs niet mogelijk is, mede nu de stortput bereikbaar dient te zijn voor lossende vrachtwagens. In de enkele stelling van verzoekers dat nageschakelde technieken beschikbaar zijn, ziet de Voorzitter evenmin aanleiding om te oordelen dat in de inrichting niet de beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.7.    Verzoekers betogen dat het in werking zijn van de inrichting tot onaanvaardbare geluidhinder leidt. In dit verband voeren zij aan dat verweerder de woning aan de Molenstraat 8 ten onrechte heeft aangemerkt als bedrijfswoning bij de inrichting en om die reden buiten de beoordeling van de geluidhinder heeft gelaten. Verder zijn volgens verzoekers ten aanzien van een aantal omliggende woningen te hoge grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau gesteld. Verzoekers voeren voorts aan dat de bij omliggende woningen als gevolg van verkeer van en naar de inrichting optredende geluidniveaus onjuist zijn vastgesteld.

2.7.1.    Gebleken is dat de woning aan de Molenstraat 8 in eigendom is van vergunninghoudster en dat de huurder van deze woning ten tijde van het bestreden besluit een binding had met de inrichting, in die zin dat hij buiten de bedrijfstijden van de inrichting tegen een vergoeding was aangesteld als toezichthouder. Onder deze omstandigheden is de Voorzitter van oordeel dat verweerder de woning aan de Molenstraat 8 als bedrijfswoning bij de inrichting kon aanmerken en deze woning om die reden bij de beoordeling van de geluidhinder buiten beschouwing kon laten. Hetgeen verzoekers hebben aangevoerd met betrekking tot het tijdstip waarop de binding tussen de bewoner van voormelde woning en de inrichting tot stand is gekomen, doet hieraan niet af.

2.7.2.    Bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte directe geluidhinder heeft verweerder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 (hierna: de Handreiking) gehanteerd. Bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting heeft verweerder de circulaire 'Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting' van 29 februari 1996 als uitgangspunt genomen.

   In de Handreiking is ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bepaald dat, zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld, hetgeen hier het geval is, bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking is opgenomen. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

   Voor maximale geluidniveaus bevat paragraaf 3.2 van de Handreiking de aanbeveling deze te bepalen op 10 dB(A) boven de voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vastgestelde grenswaarden, doch op niet meer dan 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De Handreiking biedt de mogelijkheid om in gevallen waarin niet aan deze grenswaarden kan worden voldaan in een onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het maximale geluidniveau te beperken, de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode en de grenswaarde van 60 dB(A) voor de nachtperiode met 5 dB(A) te overschrijden. Deze uitzonderlijke bedrijfssituaties dienen in de vergunning te worden aangegeven.

2.7.3.    Door verweerder is onderzoek verricht naar de referentieniveaus van het omgevingsgeluid ter plaatse van omliggende woningen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een akoestisch rapport van 14 januari 2005. De aan de vergunning verbonden grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn gebaseerd op de vastgestelde referentieniveaus van het omgevingsgeluid, met dien verstande dat ten aanzien van een drietal woningen overschrijdingen daarvan zijn toegestaan van 2 tot 8 dB(A). De in de Handreiking genoemde maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) wordt daarbij niet overschreden. Volgens verweerder zijn deze hogere waarden vergunbaar, nu uit het akoestisch rapport van DGMR van 13 juni 2005, dat deel uitmaakt van de aanvraag, blijkt dat (verdere) geluidreducerende maatregelen redelijkerwijs niet mogelijk zijn. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, ziet de Voorzitter geen reden om hieraan te twijfelen. Gelet op het voorgaande, is de Voorzitter van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen tot het stellen van de hogere grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau.

   Wat de grenswaarden voor het maximale geluidniveau ter plaatse van omliggende woningen betreft, is verweerder uitgegaan van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, met dien verstande dat ten aanzien van een viertal woningen in de nachtperiode waarden van 61 tot 65 dB(A) zijn toegestaan. De overschrijdingen worden veroorzaakt door het vertrek van maximaal vier bulkwagens tussen 6.00 uur en 7.00 uur. Onder verwijzing naar het akoestisch rapport van DGMR van 13 juni 2005 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze activiteit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van de inrichting en dat geluidreducerende maatregelen redelijkerwijs niet mogelijk zijn. De Voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.7.4.    In het akoestisch rapport van DGMR van 13 juni 2005 zijn de bij omliggende woningen als gevolg van verkeer van en naar de inrichting optredende geluidniveaus bepaald. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd ziet de Voorzitter geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

2.8.    Verzoekers stellen dat de van de inrichting te verwachten geurhinder onjuist is vastgesteld. In dat verband voeren zij onder meer aan dat bij die vaststelling ten onrechte gebruik is gemaakt van het rekenprogramma 'geurnorm 3.0', nu in de inrichting expanders worden toegepast, en dat ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale technische capaciteit van de inrichting. Verzoekers stellen voorts dat de aan de vergunning verbonden voorschriften ontoereikend zijn om onaanvaardbare geurhinder te voorkomen.

2.8.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de geuremissiefactor die in het programma 'geurnorm 3.0' wordt gehanteerd niet wezenlijk verschilt van de geuremissiefactor die bij gebruik van een expander optreedt. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op een op 22 maart 2006 bij een andere mengvoederfabriek van vergunninghoudster uitgevoerd onderzoek. De Voorzitter ziet in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van het standpunt van verweerder te twijfelen. De Voorzitter overweegt verder dat bij de berekening van de geuremissie is uitgegaan van de productiecapaciteit, zoals deze is aangevraagd en vergund, te weten 150.000 ton per jaar. De stelling van verzoekers dat de maximale technische capaciteit van de inrichting groter is, acht de Voorzitter, wat daarvan verder zij, in dit verband niet relevant. Ook in hetgeen verzoekers voor het overige hebben aangevoerd, ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat de van de inrichting te verwachten geurhinder onjuist is vastgesteld.

   Ingevolge vergunningvoorschrift 3.1.1 mag de geurimmissie vanwege de inrichting 2 geureenheden per kubieke meter, bepaald als uurgemiddelde concentratie, niet meer dan 2 procent van de tijd (98 percentiel) op enige plaats buiten de inrichting overschrijden. Verweerder heeft met dit voorschrift aansluiting gezocht bij de bijzondere regeling voor mengvoederfabrieken uit de Nederlandse emissierichtlijn lucht. De Voorzitter ziet geen grond voor het oordeel dat met dit voorschrift geen toereikende waarborg tegen onaanvaardbare geurhinder vanwege de inrichting wordt geboden.

2.9.    Verzoekers voeren aan dat de vergunning, gelet op de door de inrichting veroorzaakte emissie van zwevende deeltjes, in strijd met het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Besluit) is verleend.

   Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verlening van de vergunning niet in strijd is met het Besluit. Daarbij heeft hij zich gebaseerd op een rapport van Tebodin van 14 oktober 2005 over de emissie van zwevende deeltjes vanuit de inrichting. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, ziet de Voorzitter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van voornoemd rapport en de daaraan door verweerder verbonden conclusies.

2.10.    Verzoekers stellen dat het in werking zijn van de inrichting leidt tot onaanvaardbare stofhinder. Zij achten de aan de vergunning verbonden voorschriften op dit punt ontoereikend.

   De Voorzitter overweegt dat de aan de vergunning met betrekking tot stofhinder verbonden voorschriften zijn gebaseerd op de Nederlandse emissierichtlijn lucht. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat deze voorschriften niet toereikend zijn.

2.11.    Ook in hetgeen verzoekers voor het overige hebben aangevoerd, ziet de Voorzitter geen reden om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De Voorzitter ziet daarom, bij afweging van alle betrokken belangen, aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink           w.g. Beurmanjer-de Lange

Voorzitter               ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2007

241-462.