Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ7444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
200603678/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland het wijzigingsplan "Aanloopgebied Achterwei Oudega, kavel 2 en 3" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Wet op de Ruimtelijke Ordening 11
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/461
OGR-Updates.nl 1001373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603678/1.

Datum uitspraak: 31 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland het wijzigingsplan "Aanloopgebied Achterwei Oudega, kavel 2 en 3" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 april 2006, kenmerk 635561, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 16 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 13 juli 2006 medegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (hierna: het college). Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2006, waar appellant, in persoon, is verschenen.

Voorts is het college, vertegenwoordigd door mr. J. Jukema, ambtenaar van de gemeente, daar als partij gehoord.

Verweerder is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.2.    Het plan heeft tot doel de realisering mogelijk te maken van twee bedrijfskavels, waarbinnen bedrijfsgebouwen met bijbehorende bedrijfswoning zijn toegestaan. De voorziene bedrijven betreffen een bouwbedrijf en een keuken-ontwerpstudio.

Het standpunt van verweerder

2.3.    Verweerder heeft ambtshalve goedkeuring onthouden aan artikel 3, tweede lid, zesde aandachtsstreepje, aan artikel 3, derde lid, sub a, onder 10 en aan artikel 3, zevende lid, sub b, onder 3 van de planvoorschriften.

Voor het overige heeft verweerder geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat aan de in het bestemmingsplan "Buitengebied" vervatte wijzigingsvoorwaarden is voldaan.

Het standpunt van appellant

2.4.    Appellant kan zich niet verenigen met het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan. Hij voert hiertoe aan dat de gebruiksmogelijkheden van zijn aangrenzende gronden door het plan worden beperkt, waardoor zijn bouwplannen ter plaatse kunnen worden gefrustreerd. Appellant stelt voorts dat de verkeersveiligheid in het geding komt door de verkeersaantrekkende werking van de detailhandel in het gebied en dat de bebouwing in het plangebied het bebouwings- en landschapsbeeld aantast en het uitzicht belemmert. Hij stelt voorts dat het plan niet voorziet in een behoefte. Tenslotte betoogt appellant dat in artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder a en in artikel 3, zevende lid, sub b, onder 1 en 2, van de planvoorschriften ten onrechte vrijstellingsbepalingen zijn opgenomen, aangezien deze niet in het bestemmingsplan voorkomen.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan). Op grond van het bestemmingsplan rust op het plangebied de bestemming "Woudengebied" met de aanduiding "aanloopgebieden 5+6".

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover van belang, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de op de plankaart voor "Woudengebied" aangewezen gronden, bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, natuur en landschap, recreatie, verkeer en wonen en voor zover aangeduid als "bedrijven" tevens voor bedrijvigheid. Onder de bedrijfsactiviteiten is, voor zover de gronden niet zijn aangegeven met "detailhandel", detailhandel uitsluitend begrepen voor zover deze is aan te merken als rechtstreeks voortvloeiende uit de activiteiten van het bedrijf en daaraan ondergeschikt is.

   Op grond van artikel 13, onder a, zevende lid, onder b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan heeft het college de aanduiding van de onderhavige gronden gewijzigd in de aanduiding "bedrijven".

2.5.2.    Het perceel van appellant grenst direct aan het plangebied. Zijn perceel heeft, overeenkomstig de onderhavige gronden, ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Woudengebied" met de aanduiding "aanloopgebieden 5+6", waarop op grond van de planvoorschriften van het bestemmingsplan dezelfde wijzigingsbevoegdheden van toepassing zijn.

2.5.3.    In de plantoelichting staat onder meer:

"De bebouwing van dit perceel moet in stedenbouwkundig en architectonisch opzicht passen binnen de bestaande lintbebouwing van de Achterwei.

(…)

In het bestemmingsplan Buitengebied is (…) bepaald dat het gebied is aangewezen als aanloopgebied 5+6. Dit houdt in dat het gewijzigd kan worden in de bestemming "Woudengebied; functie wonen en werken" en in de bestemming "Woudengebied; functie bedrijven". Een deel van het gebied is in eigendom van een particulier die op zijn perceel wonen en werken wil realiseren en het resterende deel (het onderhavige plangebied) is in eigendom van twee particulieren die beide daar een bedrijf willen realiseren, die op dit moment elders in Oudega zijn gehuisvest maar daar niet meer uit de voeten kunnen. Het plangebied van het onderhavige wijzigingsplan betreft hier alleen het westelijke deel van het aanloopgebied aan de Achterwei waar zich twee bedrijven zullen gaan vestigen. Het oostelijke deel waar een particulier wonen en werken wil realiseren is nog niet zover dat een procedure tot wijziging kan worden opgesteld".

2.5.4.    Ingevolge artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover van belang, stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan vast.

    Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald, dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

2.5.5.    In artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de voorschriften van het wijzigingsplan staat, voor zover van belang, dat het college vrijstelling kan verlenen van het bepaalde in het derde lid, sub a, onder 4, van de planvoorschriften voor het bouwen van de voorgevel van het hoofdgebouw op 5 meter uit de op de plankaart aangegeven rooilijn.

   In artikel 3, zevende lid, sub b, van de voorschriften van het wijzigingsplan staat, voor zover van belang, dat het college vrijstelling kan verlenen van het bepaalde in het zesde lid, sub b5, en toestaan dat de gronden en gebouwen worden gebruikt voor de uitoefening van:

1.    productiegebonden detailhandel;

2.    detailhandel in goederen die ter plaatse (deels of geheel) worden vervaardigd of verwerkt;

3.    detailhandel in meubelen, keukens en wooninrichtingen.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    De Afdeling stelt voorop dat artikel 13, onder a, zevende lid, onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan van toepassing is op zowel de gronden van appellant als op de thans in het wijzigingsplan vervatte gronden. Het vorenstaande brengt mee dat bij de door appellant gewenste wijziging van de bestemming van zijn gronden aan dezelfde wijzigingsvoorwaarden dient te worden voldaan als bij het voorliggende wijzigingsplan, hetgeen door het college ter zitting is bevestigd. Anders dan appellant stelt, zal bij een dergelijke wijziging derhalve geen ander toetsingskader worden gehanteerd dan bij het onderhavige wijzigingsplan.

   Appellant heeft ter zitting aangegeven dat hij berust in zijn bouwplan op grond waarvan de aanduiding op zijn perceel kan worden gewijzigd in de aanduiding "wonen en werken". Dat op grond van deze aanduiding onder andere een andere maatvoering voor bedrijfsruimte geldt dan op grond van de aanduiding "bedrijven", is het gevolg van de keuze van appellant zelf. Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het onderhavige plan de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel beperkt.

2.6.1.    Uit de onder 2.5.4. geciteerde passage uit de plantoelichting blijkt dat het plan de verplaatsing mogelijk maakt van twee bedrijven die elders in Oudega zijn gevestigd, maar daar niet voldoende uitbreidingsmogelijkheden hebben. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het plan in een behoefte wordt voorzien. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de bebouwing binnen het plangebied het bebouwings- en landschapsbeeld ernstig aantast of dat de bebouwing het uitzicht op onaanvaardbare wijze belemmert.

2.6.2.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het bepaalde in artikel 3, zevende lid, sub b, onder 3, van de planvoorschriften als gevolg waarvan detailhandel in meubelen, keukens en wooninrichtingen ter plaatse niet mogelijk is.

Voorts is ter plaatse ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan detailhandel uitsluitend mogelijk voor zover deze is aan te merken als rechtstreeks voortvloeiende uit de activiteiten van het bedrijf en voor zover deze daaraan ondergeschikt is.

Gelet op de beperkte omvang van het plangebied en de beoogde bedrijfsactiviteiten in aanmerking genomen, zal naar het oordeel van de Afdeling de verkeersaantrekkende werking van de ter plaatse ingevolge artikel 4, eerste lid, van het bestemmingsplan toegestane detailhandel gering zijn.

2.6.3.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanduiding "bedrijven" voor de onderhavige gronden niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.6.4.    Uit het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet worden opgemaakt dat slechts indien de gemeenteraad in het bestemmingsplan aan het college de bevoegdheid heeft toegekend een vrijstellingsbevoegdheid in het plan op te nemen, het college zulks in een wijzigingsplan kan doen.

2.6.5.    Het college heeft in artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften een vrijstellingsbevoegdheid opgenomen met betrekking tot de voorgevelrooilijn en in artikel 3, zevende lid, sub b, onder 1 en 2, van de planvoorschriften een vrijstellingsbevoegdheid met betrekking tot het toestaan van bepaalde vormen van detailhandel.

De gemeenteraad heeft in het aan het wijzigingsplan ten grondslag liggende bestemmingsplan dergelijke vrijstellingsbevoegdheden echter niet voor het college opgenomen, zodat het college niet bevoegd was deze vrijstellingsbevoegdheden in het wijzigingsplan op te nemen.

Conclusie

2.7.    Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Nu er rechtens maar een te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan voornoemde artikelen.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.6.3. is het beroep voor het overige ongegrond.

Proceskosten

2.8.    Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 4 april 2006, kenmerk 635561, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften en aan artikel 3, zevende lid, sub b, onder 1 en 2 van de planvoorschriften;

III.    onthoudt goedkeuring aan de onder II. genoemde planonderdelen;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Fryslân tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 54,91 (zegge: vierenvijftig euro en eenennegentig cent); het dient door de provincie Fryslân aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de provincie Fryslân aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto                    w.g. Neuwahl

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2007

280-533.