Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ7433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
200602200/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2004 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een uitloop dakvenster aan de voorgevel en de achtergevel van de woning op het perceel [locatie] te Utrecht (hierna: de woning) en het maken van een dakterras aan de voorkant van de woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2007/64 met annotatie van B. Rademaker
Module Ruimtelijke ordening 2007/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602200/1.

Datum uitspraak: 31 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 2005/2011 van de rechtbank Utrecht van 10 februari 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2004 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een uitloop dakvenster aan de voorgevel en de achtergevel van de woning op het perceel [locatie] te Utrecht (hierna: de woning) en het maken van een dakterras aan de voorkant van de woning.

Bij besluit van 16 juni 2005 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 februari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 25 maart 2004 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 17 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 april 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 juni 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2006, waar het college, vertegenwoordigt door mr. S. Ramdoelare Tewari, ambtenaar van de gemeente, en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter legalisering van zonder bouwvergunning op de woning gerealiseerde bouwwerken heeft [wederpartij] een aanvraag om verlening van een reguliere bouwvergunning ingediend. Uit deze aanvraag en de daarbij behorende bouwtekeningen blijkt dat de gevraagde bouwvergunning betrekking heeft op een terras met hekwerk op de aan de voorzijde van de woning bestaande dakopbouw en een uitloop dakvenster in het schuine dakvlak aan die zijde van de woning alsmede op een terras met hekwerk op aan de achterzijde van de woning bestaande dakkapel en een uitloop dakvenster in het schuine dakvlak aan die zijde van de woning.

2.2.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien om het bouwplan te splitsen in een vergunningsvrij onderdeel, te weten de dakramen, en een licht-bouwvergunningplichtig onderdeel, te weten de hekwerken.

2.2.1.    Dit betoog slaagt. Het uitloop dakvenster en de hekwerken zijn met elkaar samenhangende bouwkundige voorzieningen die tezamen voorzien in de realisering van een dakterras op de desbetreffende dakopbouw. Gelet op de functionele samenhang tussen deze onderdelen heeft het college terecht geen aanleiding gezien het bouwplan te splitsen in afzonderlijke en zelfstandig te beoordelen bouwwerken. Het college heeft het in geding zijnde bouwplan terecht aangemerkt als regulier bouwvergunningplichtig. De rechtbank heeft dat miskend.

   Dat het college naar [wederpartij] heeft gesteld ten onrechte heeft aangenomen dat het bouwplan ook voorziet in een thans niet aanwezig hekwerk op het dakterras aan de achterzijde van de woning, kan aan het voorgaande niet afdoen. Vaststaat dat in dat geval het bouwplan aldaar betrekking zou hebben op een dakterras zonder hekwerk, hetgeen in strijd is met het Bouwbesluit.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling, in het licht van hetgeen [wederpartij] in beroep heeft aangevoerd, als volgt.

2.4.    [wederpartij] betoogt dat het college ten onrechte heeft geweigerd bouwvergunning te verlenen op grond van strijd met de redelijke eisen van welstand.

2.4.1.    Het college mag, hoewel het niet aan een advies van de welstandscommissie is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoets bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag mocht leggen.  

2.4.2.    Anders dan [wederpartij] betoogt vormt de negatieve advisering van de commissie welstand en monumenten Oost (hierna: de welstandscommissie) geen onaanvaardbare belemmering voor de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Wilhelminapark en omgeving" (hierna: het bestemmingsplan) biedt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 12 juli 2006 in zaak nr. 200507993/1 gaat het primaat van het bestemmingsplan niet zover dat geen ruimte meer is voor een negatief welstandsoordeel, indien het ingediende bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Als echter moet worden vastgesteld dat verwezenlijking van uitdrukkelijk in het bestemmingsplan opgenomen bouwmogelijkheden onmogelijk wordt gemaakt dienen de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria op grond van artikel 12, derde lid, van de Woningwet buiten toepassing te blijven. Van een dergelijke bouwmogelijkheid is in het onderhavige geval geen sprake.

2.4.3.    De welstandscommissie heeft op 9 maart 2004 een negatief advies uitgebracht. Door [wederpartij] zijn tegenadviezen van H. Lerou, architect, van 23 november 2004 en 15 februari 2005 overgelegd. De welstandscommissie heeft naar aanleiding van deze tegenadviezen bij adviezen van 22 november 2004 en 19 april 2005 haar eerder ingenomen standpunt gemotiveerd gehandhaafd. Daarbij blijkt uit het tegenadvies van H. Lerou van 23 november 2004 dat hij het standpunt van de welstandscommissie theoretisch architectonisch begrijpelijk vindt, doch dat hij van mening is dat het hekwerk als incident te gedogen zou zijn. Gelet op de uiteenzetting in het besluit van 16 juni 2005, waarin de tegenadviezen in aanmerking zijn genomen, moet worden geoordeeld dat het college het overnemen van het advies van de welstandscommissie in voldoende mate heeft toegelicht. Uit de stukken, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.

2.4.4.    Gelet op het vorenstaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.5.    Het college heeft zich met betrekking tot het beroep van [wederpartij] op het gelijkheidsbeginsel terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een gelijk geval als bij de door hem aangehaalde situaties, nu deze gevallen een ander type woning betreffen en de dakterrassen zijn gerealiseerd op het bestaande platte dak, en niet, zoals in dit geval, halverwege het dak.

2.6.    Het beroep tegen het besluit van 16 juni 2005 is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 februari 2006 in zaak no. SBR 2005/2011;

III.    verklaart het bij de rechtbank tegen het besluit van 16 juni 2005 ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena            w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2007

328-444.