Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ7432

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
200605421/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft verweerder het verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting [vergunninghouder], gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], gedeeltelijk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2007/5385
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605421/1.

Datum uitspraak: 31 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft verweerder het verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting [vergunninghouder], gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 23 mei 2006, verzonden op 20 juni 2006, voor zover hier van belang, heeft verweerder het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 18 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 januari 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. M.J. Smaling, en verweerder, vertegenwoordigd door H.L.J. Zegers en M.P. Beurskens, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder] als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2.    Appellant betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat op de inrichting het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit) van toepassing is. Volgens appellant geldt voor de inrichting nog steeds een op 7 september 1993 krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning. Omdat de voorschriften van die vergunning worden overtreden, had verweerder handhavend moeten optreden, aldus appellant.

2.3.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit is dit besluit van toepassing op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor het onderhouden, repareren, behandelen van de oppervlakte, keuren, reinigen van carrosserie en bekleding, verhandelen, verhuren, stallen of proefdraaien van motorvoertuigen, caravans, landbouwwerktuigen, aanhangwagens of opleggers.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder motorvoertuigen verstaan: alle gemotoriseerde voertuigen, behalve bromfietsen en invalidevoertuigen, bestemd om anders dan over spoor te worden voortbewogen.

2.4.    Verweerder is van oordeel dat voor de inrichting niet langer de vergunning van 7 september 1993 geldt, doch dat daarop het Besluit van toepassing is. In dat verband stelt verweerder dat de bedrijfsactiviteiten van de inrichting in hoofdzaak zijn gericht op het onderhouden en verkopen van motorvoertuigen. Uit foto's van de inrichting blijkt volgens verweerder dat zitmaaiers en andere door middel van een motor op wielen voortbewogen tuin- en parkmachines een overheersende factor vormen. Ook blijkt uit facturen dat het accent in de werkplaats van de inrichting op het onderhoud van zitmaaiers ligt, aldus verweerder. Hij wijst er verder op dat tuin- en parkmechanisatiebedrijven in de toelichting op artikel 2, eerste lid, van het Besluit als voorbeeld worden genoemd van bedrijven die beschouwd kunnen worden als inrichtingen voor motorvoertuigen als bedoeld in die bepaling.

2.5.    De Afdeling kan verweerder volgen in zijn standpunt dat zitmaaiers onder artikel 2, eerste lid, van het Besluit vallen. Voor zover verweerder er echter van is uitgegaan dat alle door middel van een motor op wielen voortbewogen tuin- en parkmachines als motorvoertuigen in de zin van het Besluit kunnen worden aangemerkt, hanteert hij naar het oordeel van de Afdeling een te ruime opvatting. Van een voertuig kan slechts sprake zijn wanneer dit geschikt en bedoeld is om een persoon of personen of vracht te vervoeren. Niet kan worden uitgesloten dat verweerder een deel van de activiteiten in de inrichting hierdoor ten onrechte heeft beschouwd als activiteiten als genoemd in artikel 2, eerste lid, van het Besluit.

   Wat hiervan verder ook zij, gebleken is dat de activiteiten binnen de inrichting mede betrekking hebben op tuin- en parkmaterieel waarop artikel 2, eerste lid, van het Besluit in ieder geval niet ziet, zoals (gemotoriseerde) handmaaiers, bladblazers en kettingzagen. De Afdeling is er op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet van overtuigd dat deze activiteiten van zodanig ondergeschikt belang zijn dat de inrichting ondanks die activiteiten kan worden beschouwd als in hoofdzaak bestemd voor het onderhouden en verkopen van motorvoertuigen. De door verweerder overgelegde foto's en facturen rechtvaardigen die conclusie in ieder geval niet. Hier komt bij dat vorenbedoelde facturen slechts betrekking hebben op de periode van 31 december 2005 tot en met 21 januari 2006. Niet is gebleken dat daarmee een representatief beeld is verkregen van het aandeel van de verschillende activiteiten in de bedrijfsvoering en de omzet van de inrichting. Verweerder zal op dit punt nader onderzoek moeten doen.

2.6.    Uit het voorgaande volgt dat verweerder zijn standpunt dat voor de inrichting niet langer de vergunning van 7 september 1993 geldt, doch dat daarop het Besluit van toepassing is, onvoldoende heeft beargumenteerd. Het bestreden besluit is in zoverre, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, onvoldoende zorgvuldig voorbereid en berust in zoverre, in strijd met artikel 7:12 van die wet, niet op een deugdelijke motivering.

2.7.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juni 2005 ongegrond is verklaard.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis van 23 mei 2006, kenmerk RenW/RH/674.klacht, voor zover daarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juni 2005 ongegrond is verklaard;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Sint Anthonis aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Sint Anthonis aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen                  w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2007

159-462.