Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ7427

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
200601216/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2005 heeft verweerder aan de [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een groencompostering aan de verbindingsweg tussen de Bomhofsweg en de De Doornweg te Zwolle. Dit besluit is op 13 januari 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601216/1.

Datum uitspraak: 31 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1.    de vereniging "De Marsen", gevestigd te Zwolle,

2.    [appellanten sub 2]], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2005 heeft verweerder aan de [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een groencompostering aan de verbindingsweg tussen de Bomhofsweg en de De Doornweg te Zwolle. Dit besluit is op 13 januari 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 13 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2006, en appellanten sub 2 bij brief van 21 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2006, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 10 maart 2006.

Bij brief van 15 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 2. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2006, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door L. Cornelissen, appellanten sub 2, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. I. Weis, ing. R.J.M. Oosterbaan en ing. M.J.M. Blankvoort, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3.    Appellante sub 1 stelt dat zij in de voorbereidende procedure een uitnodiging van verweerder heeft gekregen voor een gedachtewisseling. Naar haar mening heeft verweerder ten onrechte niet vermeld dat dit een hoorzitting betrof. Appellante stelt hiermee in haar belangen te zijn geschaad.

2.3.1.    De Afdeling stelt vast dat verweerder appellante heeft uitgenodigd voor een gedachtewisseling als bedoeld in artikel 3:25 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft derhalve in zijn uitnodiging de juiste terminologie toegepast. Dit beroepsonderdeel slaagt niet.

2.4.    Appellante sub 1 voert verder aan dat verweerder voorbijgaat aan de geohydrologische situatie in het gebied. Uit in het verleden uitgevoerde onderzoeken zou zijn gebleken dat het grondwater ter plaatse regelmatig boven het maaiveld stijgt. In dat geval zijn er volgens appellante geen toereikende voorzieningen om overstromingen van de inrichting te voorkomen. Hierdoor zou er percolaat in de bodem terecht kunnen komen.

2.4.1.    Verweerder wijst erop dat het gebied wordt bemalen, dat het terrein van de inrichting bovendien boven het maaiveld ligt en dat aanvullend is voorzien in een 10 centimeter hoge rand rond het terrein van de inrichting. Bovendien zal, zo heeft verweerder ter zitting toegelicht, bij de vaststelling van een planologische regeling voor de geplande composteerinrichting ervoor worden zorggedragen dat zo nodig aanvullende maatregelen met betrekking tot de (grond)waterstand worden getroffen. Gelet hierop is de kans dat een overstroming van het terrein plaatsvindt volgens verweerder zeer klein. Het beroepschrift noch het verhandelde ter zitting geeft de Afdeling aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijkheid van overstroming van het terrein geen reden geeft voor het stellen van nadere voorschriften of het weigeren van de vergunning.

2.5.    Appellante sub 1 heeft zich voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellante heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn.

2.6.    Appellanten sub 2 kunnen zich niet verenigen met de vergunningvoorschriften 3.1.2 en 3.1.4. Daarin zijn geluidgrenswaarden gesteld die gelden tijdens het maximaal twaalf dagen per jaar in werking hebben van een verkleiningsinstallatie in de dagperiode van (maximaal) 42 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en van 55 dB(A) voor het maximale geluidniveau. Appellanten stellen dat deze voorschriften volgens de jurisprudentie rechtens niet toelaatbaar zijn.

   Dit betoog slaagt niet. Nu blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting het in werking hebben van de verkleiningsinstallatie een incidentele bedrijfssituatie is en verweerder in overeenstemming met de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening geluidgrenswaarden heeft opgenomen die een minimale verhoging betekenen ten opzichte van de voor de normale bedrijfssituatie geldende geluidgrenswaarden, ziet de Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder deze voorschriften niet in redelijkheid heeft kunnen stellen.

2.7.    Appellanten sub 2 betogen tevens dat de vestiging van de inrichting tot een verstoring van het landschap zal leiden.

   De vraag of zich visuele hinder voordoet, komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening krachtens de Wet milieubeheer van een vergunning ruimte voor een aanvullende toets. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.8.    Tot slot zijn appellanten sub 2 beducht voor geurhinder. Appellanten verwijzen daarbij naar het feit dat hun woning op een afstand van circa 300 meter van de inrichting staat, terwijl de geurcirkel van een composteerbedrijf volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering" 700 meter is.

2.8.1.    De VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" bevat - zoals in die brochure ook staat aangegeven - geen normen voor de beoordeling van de aanvraag om krachtens de Wet milieubeheer een vergunning te verlenen. Hetgeen in deze brochure is vermeld is dan ook niet van betekenis voor het huidige geding.

   Verweerder heeft bij de beoordeling van de geurhinder de bijzondere regeling voor groencompostering van de Nederlandse emissie richtlijnen toegepast. Onbestreden is dat volgens die richtlijnen voor de in de inrichting toegepaste composteermethode het aanhouden van een afstand van 100 meter voldoende is om onaanvaardbare geurhinder te voorkomen. Gelet hierop en gezien de afstand tot de omliggende woningen heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat geuroverlast voldoende wordt voorkomen.

2.9.    De beroepen zijn ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.P.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van der Zijpp

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2007

262-529.