Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ7421

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
200602741/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 april 2005 heeft appellant sub 1 (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan appellant sub 2 bouwvergunning verleend voor het verbouwen van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40a
Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning
Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning 4
Bouwbesluit 2003
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602741/1.

Datum uitspraak: 31 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak in de zaken nos. Awb 05/1309, 05/1310, 05/1419 en 05/1420 van de rechtbank Middelburg van 21 maart 2006 in het geding tussen:

1.    appellant sub 3,

2.    appellant sub 4,

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2005 heeft appellant sub 1 (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan appellant sub 2 bouwvergunning verleend voor het verbouwen van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 oktober 2005 heeft het college de door appellanten sub 3 en sub 4 daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en dat besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 21 maart 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de daartegen door [appellant sub 4] en [appellant sub 3] ingestelde beroepen gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar betreffende de bouwvergunning vernietigd en de bouwvergunning geschorst tot zes weken na de bekendmaking van een nieuwe beslissing op bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 2] bij brief van 11 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, [appellant sub 4] bij brief van 27 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, het college bij brief van 27 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2006, en [appellant sub 3] bij brief van 28 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 4] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 23 mei 2006. [appellant sub 3] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 23 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 juni 2006 heeft [appellant sub 4] een nadere reactie ingediend.

Bij brief van 3 juli 2006 heeft [appellant sub 2] van antwoord gediend.

Bij brief van 10 juli 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2006, waar het college, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, W.J.C. Vael en M. Al Saadi, allen ambtenaar van de gemeente, appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door mr. J.A. de Waard, advocaat te Goes, appellant sub 3, vertegenwoordigd door mr. C. Lubben, gemachtigde, en appellant sub 4, in persoon en bijgestaan door mr. O.W. Wagenaar, gemachtigde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan is voor een deel voorzien op gronden waarop ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Boulevard" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Erf" rust.

   Ingevolge artikel 1, zesde lid, van de planvoorschriften wordt onder bouwperceel verstaan: een aaneengesloten, kennelijk bijeenbehorend gebied van al dan niet bebouwde gronden - water daaronder begrepen - waarop krachtens het plan bebouwing is toegestaan ten behoeve van één woning of één bedrijf.

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften mogen de gronden met de bestemming "Erf" uitsluitend worden gebruikt als erf bij de gebouwen op hetzelfde bouwperceel.

   Ingevolge artikel 14, tweede lid, mogen op deze gronden uitsluitend gebouwen worden gebouwd en andere bouwwerken ten behoeve van het in lid 1 toegestane gebruik.

   Ingevolge artikel 14, derde lid, moeten de gebouwen worden gebouwd met inachtneming van de op de kaart en de hierna gegeven nadere aanwijzingen:

a. Per bouwperceel mag van de tot erf bestemde gronden ten hoogste 30% worden bebouwd met een maximum van 40 m². Indien op een bouwperceel de bestemming erf grenst aan een bestemming tuin mag voor de berekening van het percentage de oppervlakte van het erf worden vergroot met dat gedeelte van de tuin dat grenst aan het erf en ligt in het verlengde daarvan.

b. Indien een tot erf bestemd gebied behoort bij meer dan één woning mag van dit gebied als totaliteit ten hoogste 30% worden bebouwd.

c. In afwijking van het gestelde in lid a is een bebouwingspercentage van 50% tot een maximum van 20 m² toegestaan indien de toelaatbare bebouwing minder zou bedragen dan 20 m².

d. (…)

e. Per bouwperceel mogen ten hoogste twee vrijstaande gebouwen worden gebouwd.

f. De afstand tussen een vrijstaand gebouw en de woning op hetzelfde bouwperceel moet ten minste 3.00 m bedragen; het college kan hiervan vrijstelling verlenen indien het vrijstaande gebouw voor niet meer dan 1.00 m binnen het verlengde van de zijgevel van de woning is gelegen.

2.2.    [appellant sub 4] en [appellant sub 3] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij gebrek aan gegevens niet kon beoordelen of het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2003. Zij voeren hiertoe aan dat de vergunninghouder gegevens met betrekking tot de constructieve veiligheid van het bouwplan, met name een funderingsplan, reeds bij de aanvraag om bouwvergunning had moeten overleggen. Zij verwijzen in dit verband naar paragraaf 1.2.3 van hoofdstuk 1 van de bijlage behorende bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: het Biab) en de toelichting hierop in paragraaf 3.2.4.

2.2.1.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Biab verstrekt de aanvrager bij een aanvraag, voor zover die gegevens en bescheiden naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig zijn om aannemelijk te maken dat het desbetreffende bouwen voldoet aan bij of krachtens de wet voor dat bouwen geldende eisen:

a. om een reguliere bouwvergunning: de gegevens en bescheiden, bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.2 van hoofdstuk 1 van de bijlage.

   Ingevolge artikel 4, tweede lid, behoeft de aanvrager in afwijking van het eerste lid de gegevens en bescheiden, bedoeld in paragraaf 1.5, onderdeel 1, van hoofdstuk 1 van de bijlage, eerst uiterlijk drie weken voor de aanvang van de desbetreffende bouwwerkzaamheden te verstrekken, en de gegevens en bescheiden, bedoeld in paragraaf 1.5, onderdeel 2, van hoofdstuk 1 van de bijlage, eerst uiterlijk twee dagen voor de aanvang van die bouwwerkzaamheden. Wanneer de aanvrager daaraan toepassing geeft, geven burgemeester en wethouders in de bouwvergunning aan welke gegevens en bescheiden het betreft.

2.2.2.    Het betoog van [appellant sub 4] en [appellant sub 3] slaagt niet. Uit de stukken blijkt dat advies- en tekenburo bouwkunde R. Willems (hierna: Willems) enige tekeningen en deskundigenrapporten heeft uitgebracht met betrekking tot de constructieve veiligheid van het bouwplan, waaronder het rapport berekening constructie van 17 december 2004, de funderingstekening van 8 februari 2005, de constructietekening van 15 februari 2005 en het sondeerrapport van 8 april 2005. Het college heeft, blijkens de beslissing op bezwaar, deze deskundigenrapporten laten controleren door een medewerker/constructeur in dienst van de gemeente, die op basis daarvan heeft geconcludeerd dat aan de eisen van het Bouwbesluit 2003 wordt voldaan. Hetgeen [appellant sub 4] en [appellant sub 3] hebben gesteld biedt de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat het college op basis van de voorhanden zijnde onderzoeksrapporten niet tot die conclusie mocht komen. De samenvatting van de constructierapportages van Willems van 15 februari 2006 kan, anders dan appellanten betogen, evenmin tot het oordeel leiden dat het bouwplan niet voldoet aan de bepalingen in het Bouwbesluit 2003. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat uit deze samenvatting blijkt dat op basis van de risico-analyse door Fugro ingenieursbureau BV van 21 januari 2005 is besloten tot paalfunderingen tot een lengte van 18 meter diep in plaats van grondinjecties tot 2,5 meter diep. Voorts blijkt uit de samenvatting dat het college ten tijde van het besluit tot het verlenen van de bouwvergunning genoegen heeft genomen met een minder diepe sondering, onder vermelding dat de gewenste sondering niet mogelijk is, daar [appellant sub 4] de daarvoor benodigde sloop van de garage ophoudt.

   In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Biab is bepaald dat de aldaar bedoelde gegevens en bescheiden door de aanvrager bij een aanvraag worden verstrekt voor zover die gegevens en bescheiden naar het oordeel van het college nodig zijn. In dit geval heeft het college overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van het Biab bij het verlenen van de bouwvergunning voorgeschreven welke gegevens ten minste drie weken voor aanvang van de werkzaamheden ter goedkeuring moeten worden ingediend. Hieronder zijn begrepen een geotechnisch funderingsadvies en berekeningen van het paaldraagvermogen.

   De rechtbank heeft onder de hiervoor geschetste omstandigheden terecht geoordeeld dat het college niet reeds bij het indienen van de bouwaanvraag het leveren van constructieberekeningen heeft hoeven eisen.

2.3.    Voorts betogen [appellant sub 4] en [appellant sub 3] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de 5e herziening van het bestemmingsplan, waarin hoogtebepalingen zijn gewijzigd, niet ziet op het perceel. De rechtbank heeft volgens deze appellanten niet onderkend dat het bouwplan in strijd is met de hoogtebepalingen uit het bestemmingsplan.

2.3.1.    Dit betoog treft evenmin doel. Ingevolge de 5e herziening van het bestemmingsplan wordt artikel 3 van het eerste hoofdstuk in zijn geheel gewijzigd. Er wordt geen melding gemaakt van uitzonderingen of voorbehouden ten aanzien van plandelen of percelen. Ingevolge de 5e herziening luidt artikel 3, eerste lid, van het bestemmingsplan als volgt: "De maximaal toelaatbare hoogte van gebouwen wordt aangegeven door het in het bebouwingsvlak ingeschreven Arabische cijfer. Deze hoogte mag uitsluitend worden overschreden door naar verhouding ondergeschikte bouwdelen, zoals hellende dakvlakken en de daarbij behorende topgevels, verbindingsvlakken en dakkapellen, alsmede door schoorstenen en liftopbouwen waarbij de nokhoogte niet meer dan 4.00 meter mag afwijken van de aangegeven hoogte". Op de plankaart staat op het bebouwingsvlak voor het perceel in Arabische cijfers "12" aangegeven. Het bouwplan voorziet in een goothoogte van 11,60 meter en een nokhoogte van 14,20 meter. Met de liftschacht meegerekend komt de nokhoogte op 15,24 meter. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de hoogte van het bouwplan binnen de maximaal toelaatbare hoogte van artikel 3 van het bestemmingsplan blijft.

2.4.    Ten slotte betoogt [appellant sub 3] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.4.1.    Dit betoog slaagt niet. Op de tekeningen behorende bij de bouwvergunning staat gestempeld dat de welstandscommissie op 3 maart 2005 akkoord is gegaan met het bouwplan. Hierdoor valt niet in te zien dat, zoals [appellant sub 3] betoogt, de definitieve tekeningen niet aan de welstandscommissie zijn voorgelegd. Voorts heeft het college in de beslissing op bezwaar verwezen naar het welstandsadvies van 22 september 2005 waarin de welstandscommissie, anders dan [appellant sub 3] betoogt, heeft gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan de algemene criteria van de welstandsnota en waarin tevens de contra-expertise van ir. W.J. Relyveld van 21 april 2005 gemotiveerd wordt weerlegd. Dat de "supervisor boulevards" in zijn advies van 4 september 2003, aldus [appellant sub 3], niet akkoord zou zijn met het bouwplan mist feitelijke grondslag, aangezien dit advies betrekking heeft op een eerdere versie van het bouwplan. Ten slotte is niet relevant dat, naar [appellant sub 3] betoogt, de welstandscommissie niet voldoet aan de artikelen 9.1 en 9.2 van de modelbouwverordening, daar, zoals het college ter zitting heeft bevestigd, deze commissie bij het opstellen van het advies van 22 september 2005 naar samenstelling en werkwijze heeft voldaan aan hoofdstuk 9 van de bouwverordening van de gemeente Vlissingen en het reglement op de welstandscommissie 2004, waarnaar in genoemd hoofdstuk wordt verwezen.

   Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college het welstandsadvies van 22 september 2005 ten grondslag heeft mogen leggen aan de beslissing op bezwaar.

2.5.    De hoger beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 3] zijn ongegrond.

2.6.    Het college en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Zij voeren hiertoe aan dat bouwwerken op de bestemming "Erf" ook mogen worden gebruikt voor woondoeleinden.

2.6.1.    Dit betoog slaagt niet. Ingevolge artikel 14, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften mag dat gedeelte van het bouwplan dat is voorzien op de bestemming "Erf" uitsluitend worden gebruikt als erf bij de woning. Het enkele feit dat dit gedeelte, dat wordt aangeduid als "tuinkamer", uitziet over het erf is, anders dan appellanten betogen, niet voldoende om het gebruik daarvan te bestempelen als gebruik als erf.

    De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het bestreden besluit betreffende de bouwvergunning in strijd is met artikel 14 van de planvoorschriften.

2.7.    Voorts betoogt het college tevergeefs dat de rechtbank geen gebruik had mogen maken van de bevoegdheid tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat geen der procespartijen om dit gebruik had verzocht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 juni 2006 in zaak no. 200507226/1 vereist toepassing van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb geen daartoe strekkend verzoek.

2.8.    De hoger beroepen van het college en van [appellant sub 2] zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk          w.g. Boermans

Voorzitter             ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2007

218-488.