Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ7404

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
200608093/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf het wijzigingsplan "Wolvega Bedrijvenpark, De Plantage, 1e fase" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608093/2.

Datum uitspraak: 23 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf het wijzigingsplan "Wolvega Bedrijvenpark, De Plantage, 1e fase" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 12 september 2006 beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoeker bij brief van 7 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 januari 2007, waar verzoeker, in persoon en bijgestaan door mr. M.A. Tilstra, is verschenen. Voorts is, als partij, het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf (hierna: het college), vertegenwoordigd door mr. J. van Weperen, ambtenaar van de gemeente, en drs. R.G. Meijer, medewerker van BügelHajema Adviseurs B.V., daar gehoord. Verweerder is ter zitting niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoeker stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan, dat voorziet in wijziging van de bestemming "Productiebos, te wijzigen in bedrijventerrein" in de bestemming "Bedrijventerrein". Hij voert daartoe onder meer aan dat de behoefte aan een nieuw bedrijventerrein niet is aangetoond. Voorts is volgens hem onvoldoende onderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten in het gebied. Hij wijst in dat verband op gegevens van het Natuurloket, dat melding maakt van de aanwezigheid van reptielen en amfibieën, en op de aanwezigheid van vleermuizen in houtwallen. Voorts is in het ecologisch onderzoek dat is verricht in het kader van het bestemmingsplan "Wolvega Bedrijvenpark" vermeld dat nader onderzoek naar flora nodig is, aldus verzoeker. Onder verwijzing naar de beide hiervoor weergegeven beroepsgronden, en om te voorkomen dat onherstelbare schade wordt aangericht aan de beschermde soorten in het gebied, verzoekt hij om schorsing van het bestreden besluit.

2.3.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het plan samen met het bedrijventerrein Schipsloot kan voldoen aan de behoefte voor de komende tien jaar. Voorts acht hij het ecologisch onderzoek dat is verricht bij de voorbereiding van het bestemmingsplan "Bedrijvenpark Wolvega" nog voldoende actueel en volledig.

2.4.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat van de beschikbare acht hectare op De Plantage al ongeveer de helft is verkocht of in optie is uitgegeven. Door enkele bedrijven is al een bouwvergunning aangevraagd. Gelet hierop ziet de Voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat er onvoldoende behoefte is aan het bedrijventerrein.

2.5.    Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan "Bedrijvenpark Wolvega", op grond waarvan het wijzigingsplan is vastgesteld, is op 20 februari 2003 door BügelHajema Adviseurs B.V. het rapport uitgebracht van een in opdracht van de gemeente Weststellingwerf uitgevoerd ecologisch onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd zonder eigen veldwerk te doen, maar wel heeft een veldbezoek plaatsgevonden door een ecoloog, waarbij een indruk is verkregen van de terreinomstandigheden. Verder is gebruik gemaakt van systematisch verzamelde gegevens en van toevallige waarnemingen van derden. In het rapport wordt onder meer ingegaan op de geschiktheid van het plangebied als leefgebied voor reptielen en amfibieën, vleermuizen en beschermde flora.

2.5.1.    Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat in het bestemmingsplangebied onder meer exemplaren van de Ringslang en de Heikikker zijn aangetroffen. Wat betreft de Ringslang wordt gesteld dat het bestemmingsplangebied geen vaste verblijfplaats is voor deze soort. De Heikikker zal volgens het rapport slechts voorkomen in de meer natuurlijke delen van het terrein, zoals die welke direct grenzen aan de Linde.

   Volgens het Natuurloket is de Ringslang in het kilometerhok waarbinnen het plangebied is gelegen voor het laatst aangetroffen in 1997 en de Heikikker voor het laatst in 2003. Het plangebied wordt thans agrarisch gebruikt en grenst niet direct aan de Linde. Ter zitting is gebleken dat zich in het plangebied geen poelen bevinden die zouden kunnen dienen als leefgebied voor de Heikikker. Ook overigens heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat het plangebied, anders dan in het rapport van het ecologisch onderzoek wordt gesteld, geschikt is als leefgebied voor de Ringslang of de Heikikker.

   Wat betreft vleermuizen is ter zitting onweersproken gesteld dat zich in het plangebied geen houtwallen bevinden waarin kolonieplaatsen zouden kunnen voorkomen. Het college heeft de boomgroepen in het plangebied nader onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat ook in de bomen in het plangebied geen holten aanwezig zijn die geschikt zouden zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Verzoeker heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Ter zitting heeft hij nog gewezen op andere boomgroepen, maar die bevinden zich buiten het plangebied en worden daarmee volgens het college niet geraakt door de realisering van het plan. De Voorzitter is mitsdien voorshands van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat nader onderzoek naar amfibieën, reptielen en vleermuizen niet nodig behoefde te worden geacht. Verweerder heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat de Flora- en faunawet waar nodig in de mogelijkheid voorziet dat ontheffing wordt verleend. Daarbij is nog van belang dat in het ecologisch onderzoek, waarvan de conclusies in de plantoelichting zijn verwoord, op het toetsingskader expliciet is ingegaan.

2.5.2.    In het rapport van het ecologisch onderzoek wordt voorts ten aanzien van onder meer De Plantage gesteld dat een aanvullende veldinventarisatie van flora nodig is om uit te sluiten dat de standplaatsen van beschermde soorten worden bedreigd. Tevens is vermeld dat een deel van het gebied intensief agrarisch wordt gebruikt en dat de zone achter de woningen aan de Heirweg slechts extensief wordt gebruikt. Vanwege het agrarische gebruik en het ontbreken van kwel heeft verweerder zich naar het oordeel van de Voorzitter voorshands echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding was om hoge natuurwaarden te veronderstellen die een nader onderzoek naar floristische waarden noodzakelijk maakte. Verweerder heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat ten aanzien van enkele beschermde plantensoorten op grond van artikel 16b, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, gelezen in samenhang met artikel 1b, vierde lid, van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet, inmiddels een vrijstelling van artikel 8 van de Flora- en faunawet geldt. Verweerder heeft voorts terecht in aanmerking genomen dat de Flora- en faunawet waar nodig voorziet in de mogelijkheid dat ontheffing wordt verleend. Op grond van de beschikbare gegevens heeft verweerder niet op voorhand in redelijkheid moeten inzien dat de Flora- en faunawet overigens aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het vorenstaande neemt niet weg dat, indien bij de uitvoering van het plan alsnog beschermde soorten worden aangetroffen, zal moeten worden bezien of daarvoor een vrijstelling geldt of dat ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is. Deze vragen komen echter in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van die wet. Hieruit volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een aanvullend onderzoek naar floristische waarden niet nodig behoefde te worden geacht.

2.5.3.    Gelet op het vorenstaande verwacht de Voorzitter niet dat door de uitvoering van het plan onherstelbare schade aan beschermde flora en fauna zal worden toegebracht. Gelet hier ziet de hij aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bosnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting            w.g. Bosnjakovic

Voorzitter         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2007

410