Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ7402

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2007
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
200605484/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het intern verbouwen van het pand […] op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605484/2.

Datum uitspraak: 22 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/1319 en 06/758 van de rechtbank Maastricht van 28 juni 2006 in het geding tussen:

verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het intern verbouwen van het pand […] op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 februari 2006 heeft het college het door verzoeker daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juni 2006, verzonden op 30 juni 2006, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 26 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 oktober 2006.

Voorts heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 januari 2007, waar verzoeker, bijgestaan door mr. N.S. Commijs, advocaat te Zwolle, en [vergunninghouder], bijgestaan door mr. P.J.T. Austen, advocaat te Valkenburg aan de Geul, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het intern verbouwen van agrarische schuren en stallen ten behoeve van burgerbewoning op het perceel. Het verzoek strekt tot schorsing van de in bezwaar gehandhaafde vergunning totdat de Afdeling in het bodemgeschil zelf heeft beslist.

2.2.    Genomen besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit uitgangspunt geldt te meer indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het tegen het besluit ingestelde beroep ongegrond heeft bevonden.

2.3.    [vergunninghouder] is met een deel van de bouwwerkzaamheden, bestaande uit het herstellen van de constructieve veiligheid, het herbouwen van eerder aanwezige vloeren en de verbetering van de isolatiewaarde, aangevangen. Verzoeker, die naast het perceel een onderneming drijft, waarin akkerbouw plaatsvindt, heeft niet gesteld dat hij thans door de bouwwerkzaamheden in zijn bedrijfsuitoefening wordt beperkt of anderszins daarvan nadelige gevolgen ondervindt. Desgevraagd heeft hij ter zitting te kennen gegeven dat hij geen concrete plannen heeft om zijn activiteiten op korte termijn uit te breiden. Voorts leidt de verdere uitvoering van het bouwplan, anders dan verzoeker stelt, niet tot onomkeerbare gevolgen, omdat indien in rechte komt vast te staan dat ten onrechte bouwvergunning is verleend, de krachtens die vergunning verrichte bouwwerkzaamheden in beginsel ongedaan gemaakt moeten worden.

2.4.    Nu verder de hoofdzaak op afzienbare termijn door de Afdeling zal worden behandeld, is van een spoedeisend belang dat tot het treffen van de gevraagde voorziening noopt onder de omstandigheden geen sprake.

2.5.    Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb               w.g. Van Driel

Voorzitter             ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2007

414