Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6931

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
25-01-2007
Zaaknummer
200605900/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deskundigheid opsteller BMA-advies

Niet aannemelijk is gemaakt dat de opsteller van het BMA-advies onvoldoende deskundig is om op basis van de medische gegevens verstrekt door behandelend artsen de vragen van de minister over onder andere het ontstaan van een medische noodsituatie bij stopzetting van een behandeling te beantwoorden. Tot die deskundigheid behoort ook het kunnen beoordelen of een nadere specialistische inbreng voor de beantwoording van die vragen noodzakelijk is. Er is dan ook evenmin grond voor het oordeel dat het niet vragen om een nader psychiatrisch advies in dit geval op zich reeds een concrete aanwijzing is voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605900/1.

Datum uitspraak: 10 januari 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/587 en 05/589 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 12 juli 2006 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2003 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 8 december 2004 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 juli 2006, verzonden op 13 juli 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 augustus 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grief klaagt de minister dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 8 december 2004 ondeugdelijk is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid omdat het advies van het Bureau Medische Advisering van 12 oktober 2004 (hierna: het BMA-advies) hieraan integraal en zonder nadere motivering ten grondslag is gelegd, terwijl er voldoende concrete aanwijzingen voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van dit advies zijn.

De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat aangezien niet gebleken is dat de opsteller van het BMA-advies als arts voldoende deskundig is op het gebied van psychische gezondheidsklachten en deze arts het niet noodzakelijk heeft geacht om nader specialistisch onderzoek te laten verrichten, gelet op de psychische klachten van de vreemdeling en de rapporten van de behandelend psychiater verwacht had mogen worden dat de medische toestand van de vreemdeling zou worden voorgelegd aan een psychiater.

De voorzieningenrechter heeft niet enkel op deze grond kunnen concluderen dat er voldoende concrete aanwijzingen zijn voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies, aldus de minister.

2.2. Niet aannemelijk is gemaakt dat de opsteller van het BMA-advies onvoldoende deskundig is om op basis van de medische gegevens verstrekt door behandelend artsen de vragen van de minister over onder andere het ontstaan van een medische noodsituatie bij stopzetting van een behandeling te beantwoorden. Tot die deskundigheid behoort ook het kunnen beoordelen of een nadere specialistische inbreng voor de beantwoording van die vragen noodzakelijk is. Er is dan ook evenmin grond voor het oordeel dat het niet vragen om een nader psychiatrisch advies in dit geval op zich reeds een concrete aanwijzing is voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies van 12 oktober 2004, waarop de minister het besluit van 8 december 2004 heeft gebaseerd.

2.3. De grief is aldus terecht voorgedragen, maar leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Het oordeel van de voorzieningenrechter dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat in bezwaar ingevolge artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen van de vreemdeling kon worden afgezien, is in hoger beroep niet bestreden en kan de beslissing van de voorzieningenrechter zelfstandig dragen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waar deze op rust, te worden bevestigd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Bossmann

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007

314

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak