Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6883

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
200605185/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winsum (hierna: het college), voor zover hier van belang, het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen de woonark van [vergunninghouder] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605185/1.

Datum uitspraak: 24 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05/359 van de rechtbank Groningen van 1 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Winsum.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winsum (hierna: het college), voor zover hier van belang, het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen de woonark van [vergunninghouder] afgewezen.

Bij besluit van 10 februari 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 augustus 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 september 2006 heeft [vergunninghouder], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 6 september 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2006, waar appellant in persoon, het college, vertegenwoordigd door mr. E. Hardenberg, advocaat te Groningen, en [vergunninghouder] in persoon, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1.6, aanhef en onder d, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Winsum (hierna: de APV) kan, voor zover hier van belang, een vergunning worden ingetrokken indien hiervan geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn.

   Ingevolge artikel 5.3.2, tweede lid, van de APV kan het college aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Woonschepenverordening van de gemeente Winsum (hierna: de Woonschepenverordening) wordt onder een woonschip verstaan: een schip of drijvende inrichting dat/die uitsluitend of in hoofdzaak gebezigd wordt of bestemd is voor bewoning.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, is het verboden met een woonschip een ligplaats in te nemen of een ligplaats voor een woonschip beschikbaar te stellen buiten de op grond van artikel 6 aangewezen ligplaatsen in gedeelten van het openbaar vaarwater.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, voor zover hier van belang, zijn de plaatsen waar woonschepen ligplaats mogen hebben aangewezen op de ligplaatsenkaart.

   Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, is het college bevoegd tot het wijzigen van de ligplaatsenkaart.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, voor zover hier van belang, mag een woonschip ligplaats innemen en hebben op de op grond van artikel 6, eerste lid, aangewezen ligplaatsen, mits de eigenaar van het woonschip beschikt over een ligplaatsvergunning van het college.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, voor zover van hier van belang, wordt een ligplaatsvergunning geweigerd indien het woonschip langer is dan 30 meter of breder dan 6 meter.

   Ingevolge artikel 19 worden ligplaatsvergunningen, afgegeven op grond van de APV, geacht vergunningen op grond van artikel 7 van deze verordening te zijn.

2.2.    De woonark van [vergunninghouder], de [naam woonark], ligt deels voor de oever van aan appellant in eigendom toebehorende grond en naast het recreatieschip van appellant. Aanleiding voor diens verzoek om handhaving was de vervanging door [vergunninghouder] van het [naam schip] door de [naam woonark] in april 2004.

2.3.    Het college heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellant geen procesbelang meer heeft bij dit hoger beroep. Weliswaar heeft het college aan [vergunninghouder] op 6 juni 2006 een ligplaatsvergunning verleend, maar deze vergunning is nog niet onherroepelijk geworden, doordat appellant hiertegen bezwaar heeft gemaakt.

2.4.    Appellant betoogt primair dat de rechtbank heeft miskend dat bepalend voor de rechtspositie van [vergunninghouder] onder de op 23 augustus 2004 in werking getreden Woonschepenverordening de situatie ten tijde van de nulmeting in 2002 is. Deze meting was bedoeld om het aantal woonschepen te inventariseren teneinde deze in de bij de verordening behorende ligplaatsenkaart op te nemen. Op dat moment woonde [vergunninghouder] niet op [naam schip] maar gebruikte hij dit schip bedrijfsmatig als charterschip, zodat als gevolg van de nulmeting ten onrechte een ligplaats voor een woonschip op de kaart is opgenomen, aldus appellant. Daarbij stelt hij zich tevens op het standpunt dat als [vergunninghouder] al aanspraak kon maken op voortzetting van een bestaande ligplaatsvergunning, deze door het niet gebruiken daarvan teniet is gegaan.

   Subsidiair betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er concreet zicht op legalisering was. Volgens appellant was uitbreiding van het schip in noordelijke richting niet toegestaan, nu daardoor niet langer een afstand van 5 meter bestaat tussen beide ligplaatsen, hetgeen een brandgevaarlijke situatie kan opleveren.

2.4.1.    De Afdeling overweegt als volgt. Vaststaat dat appellant er terecht van is uitgegaan dat ten tijde van het verzoek om handhaving voor de [naam woonark] geen ligplaatsvergunning was verleend. Vaststaat voorts dat appellant niet op de hoogte was of kon zijn van de toestemming die het college [vergunninghouder] bij brief van 2 juli 2003 had verleend voor de vervanging van [naam schip] door de [naam woonark]. Voorts is niet in geschil dat ten tijde van het verzoek om handhaving geen ligplaatsvergunning kon worden verleend voor de [naam woonark], omdat dit schip de grenzen van de ligplaats, opgenomen op de ligplaatsenkaart, met vijf meter overschreed. Het college heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat het na schriftelijke toestemming aan [vergunninghouder] voor vervanging van de [naam schip] door de [naam woonark], heeft verzuimd de wijziging van de omvang van de ligplaats, die nog was afgestemd op de maten van de [naam schip], in de ligplaatsenkaart op te nemen.

2.4.2.    De Afdeling deelt niet het standpunt van appellant dat er geen ligplaats voor een woonschip is op de plaats waar de [naam woonark] ligt afgemeerd, omdat [vergunninghouder] de [naam schip] niet bewoonde ten tijde van de nulmeting. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van de Woonschepenverordening volgt dat van een woonschip sprake is wanneer een schip uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd of is bestemd voor bewoning. Wat ook zij van het bedrijfsmatige gebruik van de [naam schip], de stukken bieden geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college er gezien de inrichting en uitrusting van dit schip niet van heeft mogen uitgaan, dat het een in hoofdzaak voor bewoning bestemd schip was.

Dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Woonschepenverordening geen vergunning kon worden verleend, doet er niet aan af dat ingevolge de APV voor het innemen van ligplaats toestemming kon worden verleend. Vaststaat dat het college bij brief van 22 mei 1992 toestemming heeft verleend om ter plaatse met de [naam schip] een ligplaats in te nemen. Uit artikel 19 van de Woonschepenverordening volgt dat toestemming op grond van de APV om ligplaats in te nemen, geacht wordt een vergunning te zijn op grond van artikel 7 van de Woonschepenverordening.

   Evenmin kan appellant worden gevolgd in zijn betoog dat de eerder aan [vergunninghouder] verleende vergunning teniet is gegaan doordat hiervan geen gebruik is gemaakt. Artikel 1.6 van de APV kent het college de bevoegdheid toe om, indien binnen redelijke termijn geen gebruik wordt gemaakt van een verstrekte vergunning, deze in te trekken. Van deze bevoegdheid heeft het college geen gebruik gemaakt.

2.4.3.    Met betrekking tot het subsidiaire betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat er geen concreet zicht op legalisering bestond, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het door het college gehanteerde woonschepenbeleid blijkt dat de nulmeting is verricht ter bestrijding van ongewenste situaties met betrekking tot het innemen van ligplaatsen met illegale woonschepen. Ter zitting heeft het college verklaard dat de nulmeting met name het aantal woonschepen diende vast te leggen en het niet de bedoeling was hiermee vervanging van woonschepen op bestaande locaties te verbieden. Dit beleid heeft de rechtbank terecht niet onredelijk geacht. Voorts heeft het college toegelicht dat inmiddels bij raadsbesluit elke ligplaats is vergroot tot de ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Woonschepenverordening toegestane maximale lengte van 30 meter. Nu de [naam woonark] met een lengte van 25 meter binnen die maximaal toegestane lengte blijft, is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat er concreet zicht was op legalisering.

   Aan het vorenstaande doet niet af dat de uitbreiding van de ligplaats mede in noordelijke richting heeft plaatsgevonden en dat de [naam woonark] daardoor dichter bij het recreatieschip van appellant is komen te liggen. Met de uitbreiding van de ligplaats in noordelijke richting blijft [vergunninghouder] binnen het in het bestemmingsplan aangewezen gebied voor woonschepen (hierna: het lw-gebied). Nu door het college aan appellant op 4 april 2005 de aanwijzing is gegeven, welke in bezwaar is gehandhaafd, dat hij zijn recreatieschip niet binnen een afstand van 5 meter van de grens met het lw-gebied mag leggen en deze aanwijzing zowel in beroep als, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van heden in zaakno. 200605183/1, in hoger beroep in stand gebleven is, kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog dat door deze uitbreiding een brandgevaarlijke situatie kan ontstaan.

2.4.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De rechtbank is, deels op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos                           w.g. den Broeder

Lid van de enkelvoudige kamer         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007

187-306-538.