Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6871

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
200602339/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast de carport/garage, welke is dichtgemaakt door middel van schuttingdelen en een rolluik (hierna: het bouwwerk), op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602339/1.

Datum uitspraak: 24 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/3047 van de rechtbank Breda van 20 februari 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast de carport/garage, welke is dichtgemaakt door middel van schuttingdelen en een rolluik (hierna: het bouwwerk), op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), te verwijderen.

Bij besluit van 12 juli 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 24 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 april 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 mei 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2006, waar [gemachtigde] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M.B. van Overdijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen met het oog op het inwinnen van nadere schriftelijke inlichtingen.

Bij brief van 11 december 2006 heeft het college aan het verzoek om nadere inlichtingen te verstrekken voldaan. Deze brief met bijbehorende stukken is aan de andere partij toegezonden.

Bij brief van 27 december 2006 hebben appellanten een reactie ingediend.

Partijen hebben de Afdeling toestemming verleend om nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van een vergunningsvrij bouwwerk.

2.1.1.    De rechtbank heeft overwogen dat het college terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van bouwen als van beperkte betekenis waarvoor ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken geen bouwvergunning is vereist, omdat niet is voldaan aan de in laatstgenoemde bepaling onder 1°, aanhef en onder b en c gestelde eisen. Het betoog faalt, nu appellanten niet hebben gemotiveerd waarom dit oordeel van de rechtbank onjuist is en de Afdeling evenmin grond ziet voor het oordeel dat de rechtbank ter zake tot een onjuiste conclusie is gekomen.

2.1.2.    De conclusie is dat appellanten het bouwwerk hebben gebouwd zonder over de daartoe vereiste bouwvergunning te beschikken. Derhalve is gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Ingevolge het bestemmingsplan "Kommen Berkel en Enschot" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Tuin - Geen bebouwing toegestaan".

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, welke passen in tuinen, zoals terrassen, pergola's en terreinafscheidingen.

   Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften is het college bevoegd vrijstelling van het eerste lid te verlenen voor de bouw van een bij de woningen van de klasse EL behorende vrijstaand gebouw, zoals een garage, berging of hobbyruimte.

   Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan het bouwwerk niet toestaat, omdat het bouwwerk als een gebouw kan worden aangemerkt. Daarnaast biedt artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften geen mogelijkheid voor vrijstelling, omdat de woning op het perceel niet behoort tot de klasse EL. Voorts heeft het college op 26 mei 2003 "Beleidsregels voor toepassing van artikel 19 lid 3 WRO juncto artikel 20 Bro" (hierna: beleidsregels) vastgesteld. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met deze beleidsregels. Voorts is niet gebleken dat het handelen van het college overeenkomstig de beleidsregels voor appellanten gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. De conclusie van de rechtbank dat ten tijde van het bestreden besluit geen concreet zicht op legalisering bestond is daarom juist, zij het op een andere grond dan door haar is aangegeven.

2.4.    Ter motivering van hun beroep op het gelijkheidsbeginsel wijzen appellanten in hoger beroep op de bouwwerken aan de Vincent van Goghlaan 12, Klaproosstraat 11, St. Caeciliastraat 1 (hoek Klaproosstraat), Petrus Debijelaan 1 (hoek Jan Tinbergenlaan), de St. Willibrordstraat 24 (hoek Kloosterstraat), Koningin Emmastraat 1 (hoek Willem de Zwijgerlaan) en het bouwwerk op de hoek Dom S. Dubuissonstraat - Prinses Irenestraat. Op het perceel waarop laatstgenoemd bouwwerk staat rust de bestemming "Tuin - Bebouwing toegestaan". Voor de andere hiervoor genoemde bouwwerken heeft het college - zoals blijkt uit de na heropening van het onderzoek door het college toegezonden stukken - bouwvergunningen verleend of is een melding geaccepteerd ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Woningwet (oud). Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen die door het college op ongelijke wijze zijn behandeld.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet, met verbetering van de gronden waarop deze rust, worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van der Vlis, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van der Vlis

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007

218-531.