Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6866

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
200600187/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Almere het bestemmingsplan "Centrum Almere Haven" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/4180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600187/1.

Datum uitspraak: 24 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Belangenvereniging Houdt Haven Groen", gevestigd te Almere,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Almere het bestemmingsplan "Centrum Almere Haven" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 15 november 2005, kenmerk ROV/05.031054/A, over de goedkeuring van het plan beslist.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 5 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op de volgende dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 15 juni 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en het gemeentebestuur. Deze zijn steeds aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door J.M. Visser en verweerder, vertegenwoordigd door H.P.M. Laheij, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar als partij de gemeenteraad gehoord, vertegenwoordigd door P.A.M.G. Weijnen, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

2.3.    Appellante betoogt dat verweerder heeft miskend dat één van haar bestuursleden het raadsbesluit op 5 augustus 2005, ondanks een daartoe strekkend verzoek, op het stadsdeelkantoor Almere Haven, ten onrechte niet heeft kunnen inzien.

2.4.    Zijdens de gemeenteraad is verklaard dat appellante het raadsbesluit op die dag niet heeft kunnen inzien, omdat de betrokken baliemedewerker ten onrechte dacht dat dit stuk niet openbaar was.

2.5.    Ingevolge artikel 26 van de WRO wordt het vastgestelde plan voor tenminste vier weken voor eenieder ter inzage gelegd. Teneinde betrokkenen in staat te stellen om tegen het plan, zoals dat door de gemeenteraad is vastgesteld, gemotiveerd bedenkingen in te brengen, is vereist dat niet alleen het plan ter inzage wordt gelegd, doch tevens de daarop betrekking hebbende stukken..

   Het raadsbesluit is een zodanig stuk dat met het bestemmingsplan moet kunnen worden ingezien.

   Nu appellante het concept van het raadsbesluit wel was toegezonden en het raadsbesluit niet anders is vastgesteld en voorts niet is gebleken dat andere belanghebbenden door het verzuim zijn benadeeld, geeft het aangevoerde echter geen aanleiding om het besluit van verweerder in verband hiermee te vernietigen.

Het plan

2.6.    Het plan voorziet in de revitalisering en herontwikkeling van het centrumgebied van het stadsdeel Almere Haven.

De verdere beroepsgronden

2.7.    Appellante betoogt verder dat verweerder heeft miskend dat ten onrechte geen beeldkwaliteitsplan aan het plan is gekoppeld.

Het standpunt van verweerder

2.7.1.    Verweerder achtte een beeldkwaliteitsplan niet vereist omdat op grond van de gemeentelijke welstandsnota voor het centrum verhoogd toezicht geldt.

De feiten

2.7.2.    In het plan zijn geen gebieden opgenomen die krachtens de Monumentenwet 1988 als beschermd stadsgezicht zijn aangewezen.

2.7.3.    Volgens de door de raad vastgestelde Welstandsnota Almere, gedateerd juli 2004, is voor het centrum van Almere Haven een uitgebreide welstandstoets vereist bij het oordeel over een aanvraag om verlening van bouwvergunning. Op pagina 113 van deze welstandsnota staan de criteria die specifiek voor Almere Haven gelden vermeld.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.4.    Er bestaat geen wettelijke verplichting tot het koppelen van een beeldkwaliteitsplan aan een bestemmingsplan. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat volgens de gemeentelijke welstandsnota ter plaatse een uitgebreide welstandstoets geldt, terwijl van een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988 geen sprake is, geeft het in beroep aangevoerde geen aanleiding te oordelen dat ten onrechte niet is voorzien in een koppeling daarvan aan een beeldkwaliteitsplan.

Het standpunt van appellante ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" ten zuiden van de Kruisstraat

2.8.    Appellante betoogt verder dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden", ten zuiden van de Kruisstraat, omdat realisatie van dit plandeel vanwege de noodzakelijke toename van het aantal klanten voor de ter plaatse voorziene detailhandel, tot onwenselijke extra woningbouw in Almere Haven leidt. Bovendien is volgens appellante de ter plaatse toegestane bebouwing qua schaal en uitstraling niet passend.

Het standpunt van verweerder

2.8.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat met het plan uitvoering wordt gegeven aan het ontwikkelingsplan Centrum Zuid dat in 2002 door de gemeenteraad is vastgesteld en dat slechts sprake is van een herschikking van functies.

De feiten

2.8.2.    Volgens het deskundigenbericht kan vergroting van het draagvlak voor de uitbreiding van de winkelvoorzieningen niet alleen worden bereikt door vergroting van de bevolkingsomvang, maar ook door vergroting van de koopkrachtbinding van de gevestigde bewoners en het aantrekken van koopkracht van elders. Dit kan volgens het deskundigenbericht onder meer worden bewerkstelligd door verhoging van de aantrekkelijkheid van het winkelcentrum. Volgens het deskundigenbericht is ook bij het huidige inwonertal van Almere Haven ruimte voor een aanzienlijke vergroting van de koopkrachtbinding. In dat kader wordt opgemerkt dat inwoners van Almere Haven volgens de plantoelichting in 2002 ongeveer 59 % van hun totale bestedingen aan dagelijkse goederen in het centrum van Almere Haven uitgaven en dit percentage volgens de Ontwikkelingsvisie in 1993 93 bedroeg.

   Voorts vermeldt het deskundigenbericht dat de gemeente volgens de toelichting op het plan in Almere Haven recreatie en toerisme wil stimuleren en dat toename van het aantal recreatieve en toeristische bezoeken tot een vergroting van het draagvlak voor de uitbreiding van de winkelvoorzieningen zal leiden.

   Dat toevoeging van een nieuwe winkelvoorziening van 1.300 m2 aan het bestaande winkelareaal tot een duurzame ontwrichting van de detailhandelstructuur in dit stadsdeel leidt, acht de deskundige niet aannemelijk.

2.8.3.    Ingevolge artikel 3, zesde lid, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met artikel 16, eerste lid, mag ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden", gelegen ten zuiden van de Kruisstraat, bebouwing worden opgericht met een maximale hoogte van 6 meter. De overige plandelen voorzien in bebouwing met een maximale hoogte van onderscheidenlijk 9, 12, 14 en 24 meter. Volgens het deskundigenbericht is de omringende bebouwing hoger dan 6 meter.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.4.    Het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden", gelegen ten zuiden van de Kruisstraat, voorziet in een uitbreiding van het bestaande verkoopvloeroppervlak in Almere Haven met circa 1.300 m2. Volgens het deskundigenbericht is er ruimte voor een aanzienlijke vergroting van de koopkrachtbinding en leidt toevoeging van een nieuwe winkelvoorziening van deze oppervlakte aan het bestaande winkelareaal niet tot een duurzame ontwrichting van de detailhandelstructuur in het stadsdeel. Het in beroep aangevoerde geeft geen grond om het deskundigenbericht op dit punt niet te volgen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat, anders dan appellante stelt, van een gerealiseerde koopkrachtbinding van 93 % wat betreft dagelijkse goederen geen sprake meer is en de bouw van Hema/Blokker een publiekstrekkende functie vervult. Het in beroep aangevoerde geeft derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor overbewinkeling niet behoeft te worden gevreesd en dat realisering van dit plandeel niet tot extra woningbouw in Almere Haven leidt, wat van de wenselijkheid of onwenselijkheid daarvan overigens zij.

   Nu bovendien de feitelijke en de ingevolge het plan toegestane hoogte van de omringende bebouwing meer dan 6 meter bedraagt, geeft het in beroep aangevoerde evenmin grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ter plaatse toegestane bebouwing qua schaal en uitstraling bij de omgeving past.

Het standpunt van appellante ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Verblijfsgebied" ten westen van de kerkbrug

2.9.    Appellante betoogt verder dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verblijfsgebied" ten westen van de kerkbrug, omdat de beoogde overkluizing van een deel van de Kerkgracht tot verlies van een beeldbepalend element leidt.

Het standpunt van verweerder

2.9.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het water onder de overkluizing zichtbaar zal blijven en daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan het structurerende element van de gracht.

De feiten

2.9.2.    Volgens de plantoelichting wordt in het kader van de afronding van het Project "Kunst- en cultuurgracht" ter plaatse van het voorplein van het kerkcentrum een overkluizing van de kerkgracht gerealiseerd. Doel van de overkluizing is volgens de plantoelichting het verbeteren van de bereikbaarheid van het kerkcentrum, ook ten behoeve van andere dan kerkelijke activiteiten.

   In het deskundigenbericht staat dat de bestaande boogbrug over de Kerkgracht, gelegen ten oosten van de beoogde overkluizing, volgens het gemeentebestuur zal worden afgebroken, nadat de overkluizing is gerealiseerd.

   De voorziene overkluizing is ongeveer 11 meter breed.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.3.    De gemeenteraad kan en mag in beginsel op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Ten aanzien van het betrokken plandeel is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, in verband waarmee in dit geval een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

   Voorts heeft verweerder terecht aangenomen dat een overkluizing van 11 meter breed er niet toe zal leiden dat de Kerkgracht onder de overkluizing niet meer zichtbaar zal zijn.

   Het bestaan van mogelijke alternatieven hoeft op zichzelf evenmin grond te vormen voor het onthouden van goedkeuring aan een bestemmingsplan. Bij de besluitvorming omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan hoeven alternatieven in beginsel eerst aan de orde te komen, indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het in beroep aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

   Voor zover de bezwaren van appellante tegen de veronderstelde eventuele vormgeving van de overkluizing zijn gericht, hebben deze aldus geen betrekking op het betrokken plandeel, maar op de eventuele uitvoering daarvan en kunnen deze daarom niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

Conclusie

2.10.    De conclusie is dat het in beroep aangevoerde niet tot het oordeel leidt dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hetgeen appellante heeft aangevoerd, geeft evenmin grond voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb            w.g. Neuwahl

Voorzitter      ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007

280-525.