Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6865

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
200505999/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2004 heeft de gemeenteraad van Wijk bij Duurstede, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 september 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied 2003" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2007/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505999/1.

Datum uitspraak: 24 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.      [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.      [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3.      [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4.      de stichting "Stichting Natuur en Milieufederatie Utrecht", gevestigd te Utrecht,

5.      [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6.      de vereniging "Gewestelijke Land- en Tuinbouw Organisatie", gevestigd te Deventer,

7.      [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8.      [appellanten sub 8], allen wonend te [woonplaats],

9.      [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10.    [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B], [appellant sub 10C], [appellant sub 10D], [appellant sub 10E] en [appellant sub 10F], [appellant sub 10G], [appellant sub 10H] en [appellant sub 10I], allen wonend te [woonplaats],

11.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Filling Station Cothen B.V." en [appellant sub 11A], respectievelijk gevestigd en wonend  te Langbroek, gemeente Wijk bij Duurstede,

12.    [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

13.    [appellant sub 13], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2004 heeft de gemeenteraad van Wijk bij Duurstede, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 september 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied 2003" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 21 juni 2005, no. 2005REG001695i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 11 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, appellante sub 2 bij brief van 28 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, appellant sub 3 bij brief van 29 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2005, appellante sub 4 (hierna: de Natuur en Milieufederatie) bij brief van 5 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2005, appellante sub 5 bij brief van 11 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2005, appellante sub 6 (hierna: de GLTO) bij brief van 11 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2005, appellant sub 7 bij brief van 12 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2005, appellanten sub 8 bij brief van 15 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2005, appellant sub 9 bij brief van 14 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2005, appellanten sub 10 bij brief van 16 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, appellanten sub 11 (hierna: [appellant sub 11A]) bij brief van 16 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2005, appellant sub 12 bij brief van 17 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellant sub 13 bij brief van 17 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

[appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 4 augustus 2005. [appellante sub 2] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 26 september 2005. [appellant sub 9] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 12 september 2005. [appellant sub 10A] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 10 oktober 2005.

Bij brief van 22 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 23 maart 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede, [partij A], [partij B] en [partij C] die alle als partij tot het geding zijn toegelaten. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij A], [appellanten sub 8], de ervan [partij D], die als partij tot het geding zijn toegelaten, [partij B] en [appellant sub 10A] en anderen. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2006, waar [appellant sub 1] in persoon en bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en A.C. Houtsma, [appellant sub 3] in persoon en bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, de stichting Natuur- en Milieufederatie, vertegenwoordigd door drs. C.S. van Holstijen, [appellant sub 5] in persoon, [appellant sub 7] in persoon en bijgestaan door W.J. van Oudbroekhuizen, [appellanten sub 8] in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. drs. W.E. Klijn Velderman, [appellant sub 9] in persoon en bijgestaan door W. Eppinga, [appellant sub 10A] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ir. M. Buruma, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Wijk bij Duurstede, vertegenwoordigd door mr. A. Kabaktepe en C. van Vliet, ambtenaren van de gemeente, [partij C] in persoon en bijgestaan door mr. C.A. van Kooten-de Jong, advocaat te Deventer, en de erven [partij D], vertegenwoordigd door mr. R.W. Snouckaert.

De GLTO, [appellant sub 11A], [appellant sub 12] en [appellant sub 13] zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    De beroepsgronden van de GLTO gericht tegen artikel 6, twaalfde lid, aanhef en onder a, en artikel 7, tiende lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, steunen niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

De beroepsgrond van [appellant sub 9] gericht tegen artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

De beroepsgrond van [appellant sub 11A] gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" met de aanduidingen "halfopen landschap" en "karakteristiek verkavelingspatroon (copeverkaveling)" voor zover dat betrekking heeft op het perceel [locatie 12] steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

   Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerpplan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor. De beroepen van de GLTO, [appellant sub 9] en [appellant sub 11A] zijn in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.2.1.    De beroepsgrond van de GLTO gericht tegen de bij artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften, behorende tabel, steunt niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking.

   Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

Dit is slechts anders voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake bedenkingen in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Het beroep van de GLTO is  in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

Het toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.4.    Het plan biedt een actuele planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Wijk bij Duurstede, sinds 1996 bestaande uit de voormalige gemeenten Wijk bij Duurstede, Cothen en Langbroek.

Het beroep van [appellant sub 1]

Het standpunt van appellant

2.5.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" met de aanduidingen "open landschap" en "waterrijke natuur/kwelvegetatie" dat betrekking heeft op het perceel tussen de Ossenwaard en de Oude Kromme Rijn. Hij voert hiertoe aan dat het perceel niet zo waardevol is dat het de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" rechtvaardigt. Daarnaast wijst appellant op het feit dat blijkens het landinrichtingsplan Ruilverkaveling met Administratief Karakter Kromme Rijn de natuurontwikkelingslocatie voor het desbetreffende perceel is vervallen. Voorts beperkt deze bestemming de gebruiksmogelijkheden van de gronden en leidt deze tot een waardedaling van de gronden.

Ten slotte stelt appellant dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" voor zover dat betrekking heeft op het bouwvlak aan de [locatie 1]. Appellant wenst een vergroting van zijn bouwvlak tot 1,5 ha.      

Het standpunt van verweerder

2.5.1.    Verweerder heeft de genoemde plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft deze goedgekeurd. Verweerder erkent dat de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" beperkingen voor het agrarische gebruik van de gronden tot gevolg heeft, maar stelt dat deze beperkingen geen verbod tot de uitvoering van bepaalde werkzaamheden inhouden, doch deze werkzaamheden aanlegvergunningsplichtig maakt. Deze beperking acht verweerder niet onredelijk gelet op de actuele natuur- en landschapswaarden. Daarbij acht verweerder van belang dat de Oude Kromme Rijn in het streekplan Utrecht 2005-2015 (hierna: het streekplan) is aangeduid als ecologische verbindingszone.

Nu de zienswijze van appellant betreffende de omvang van het bouwvlak gegrond is verklaard en het bouwvlak is vergroot tot 1 ha, ziet verweerder geen aanleiding het bouwvlak verder te vergroten.

Vaststelling van de feiten

2.5.2.    De Afdeling gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.3.    Appellant exploiteert een melkrundveehouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Het bouwvlak op dit perceel is als gevolg van het gegrond verklaren van de zienswijze vergroot van 0,75 ha naar ongeveer 1 ha.

2.5.4.    De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" is gebaseerd op de huidige functie en waarden. Bovendien is de bestemming die in het voorgaande plan aan de gronden was toegekend in dit plan gecontinueerd, aldus de gemeenteraad.

2.5.5.    In het deskundigenbericht wordt wat betreft de oppervlakte van het bouwvlak vermeld dat appellant van mening is dat de huidige oppervlakte van het bouwvlak thans voldoende is. Voorts vermeldt het deskundigenbericht dat er geen concrete plannen zijn om de veestapel te vergroten. Schaalvergroting zal eerst noodzakelijk zijn indien de zoon van appellant het bedrijf wenst over te nemen.

   Ten aanzien van de aanduiding "waterrijke natuur/kwelvegetatie" vermeldt het deskundigenbericht dat de grond van appellant vlak en droog is, terwijl op de gronden aan de overzijde van de Oude Kromme Rijn water had gestaan. Voorts volgt uit het rapport van Bureau van den Bijtel dat op de desbetreffende gronden geen kwelvegetatie is aangetroffen, aldus de deskundige. Daarbij wordt in het deskundigenbericht vermeld dat de agrarische gronden ten oosten van de Ossenwaard even "open" zijn als de gronden van appellant, terwijl aan de eerstgenoemde een regulier agrarische bestemming is toegekend.

2.5.6.    In een reactie op het deskundigenbericht heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, dat hij zich wat betreft de actuele natuurwaarden op het perceel heeft gebaseerd op gemeentelijke informatie, omdat de eigen databank daarover geen uitsluitsel gaf. Gelet op de informatie in het deskundigenbericht stelt verweerder dat geen basis bestaat voor de toegekende bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden". Het beroep van appellant acht verweerder derhalve in zoverre gegrond.

Toepasselijke planvoorschriften

2.5.7.    Ingevolge artikel 5, twaalfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd het plan zodanig te wijzigen dat de op de plankaart aangegeven grens van een bouwvlak op de als "Agrarisch gebied" bestemde gronden, elders op die gronden mag worden aangegeven, met dien verstande dat de oppervlakte van het bouwvlak door het wijzigen tot ten hoogste 1,5 ha mag worden vergroot.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.8.    In een nader stuk heeft verweerder het beroep van appellant onderschreven voor zover het de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" voor een deel van zijn gronden betreft. Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" met de aanduiding "open landschap" en "waterrijke natuur/kwelvegetatie", zoals aangegeven op de bij de uitspraak behorende kaart 1.

In de gegeven omstandigheden ziet de Afdeling tevens aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het genoemde plandeel.

2.5.9.    Gelet op hetgeen in overweging 2.5.5. is vermeld heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat het toegekende bouwvlak te klein is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het plan, gelet op de in overweging 2.5.7. geciteerde wijzigingsbevoegdheid, de mogelijkheid biedt het bouwvlak op een later moment te vergroten tot 1,5 ha.

   Gezien het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 1] is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

Het standpunt van appellante

2.6.    Appellante stelt dat verweerder een onjuiste motivering ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit tot onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" dat betrekking heeft op haar loods aan de [locatie 2].

Hiertoe voert appellante primair aan dat de toegekende bestemming in strijd is met de aan haar gedane toezegging dat de bestemming "Handel" aan de loods zou worden toegekend. Appellante wijst hierbij op de verklaringen van het voormalige afdelingshoofd van gemeentewerken en de voormalige burgemeester van Wijk bij Duurstede. Appellante stelt verder dat een bedrijfsbestemming in overeenstemming is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan.

Subsidiair beroept appellante zich op het gelijkheidsbeginsel en stelt zij dat het gebruik niet binnen de planperiode zal worden beëindigd, zodat een bedrijfsbestemming in de rede ligt.

Het standpunt van verweerder

2.6.1.    Verweerder heeft aan het genoemde plandeel goedkeuring onthouden. Daartoe stelt hij dat de gemeentebestuur niet voornemens is handhavend op te treden tegen het gebruik van de legaal gebouwde loods voor extensieve opslag van goederen. Gelet hierop had het in de rede gelegen dit gebruik als zodanig te bestemmen, aldus verweerder.

Wat betreft de door appellante gewenste bedrijfsbestemming stelt verweerder dat die een aanzienlijke uitbreiding en verzwaring van de activiteiten mogelijk zou maken, hetgeen niet past in het gemeentelijke en provinciale beleid, dat erop is gericht om nieuwe niet-agrarische bedrijfsactiviteiten uit het buitengebied te weren.

Vaststelling van de feiten

2.6.2.    De Afdeling gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.3.    Appellante heeft de loods aan [locatie 2] sinds 1994 in eigendom en in gebruik als opslagruimte ten behoeve van haar installatiebedrijf. De loods heeft een oppervlakte van 600 m2. In het voorgaande plan had de loods de bestemming "Agrarische doeleinden".

2.6.4.    De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de aan de loods toegekende bestemming extensieve opslag toestaat. De gemeenteraad betoogt verder dat thans op intensieve wijze goederen worden aan- en afgevoerd, welk gebruik als bedrijfsmatig moet worden aangemerkt. Dit past niet in het gemeentelijke beleid, aldus de gemeenteraad. De gemeenteraad wijst ter ondersteuning van dit standpunt op de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2005, no. 200404315/1. Verder wordt niet voldaan aan de in het plan opgenomen voorwaarden voor het wijzigen van de bestemming naar "Bedrijven". Een bedrijfsbestemming ligt gelet op het vorengaande niet in de rede, aldus de gemeenteraad. Ten slotte  stelt de gemeenteraad dat toezeggingen door individuele bestuurders en gemeenteambtenaren de gemeenteraad niet verplichten tot een bedrijfsbestemming.

2.6.5.    In de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2005, no. 200404315/1, heeft de Afdeling het volgende overwogen omtrent het gebruik van de loods.

   (…)

   2.4     Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn beroep op artikel 47, derde en vijfde lid, van de planvoorschriften, dient te slagen, aangezien het huidige gebruik in lijn ligt met het door het overgangsrecht beschermde gebruik voor opslag van auto’s, boten, caravans en aannemersmaterialen.

   2.4.1.Dit betoog faalt eveneens. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft het college kunnen oordelen dat er een verzwaring van het gebruik als bedoeld in artikel 47, derde en vijfde lid, van de planvoorschriften, heeft plaatsgevonden, doordat, anders dan voorheen, sprake is van een voortdurend wisselende opslag, waarbij frequent werkmateriaal naar de schuur wordt gebracht en vervolgens door monteurs opgehaald. (…)

2.6.6.    In de plantoelichting staat op pagina 68 dat het beleid voor het buitengebied in zijn algemeenheid erop is gericht om bebouwing slechts toe te staan indien het bouwwerk ten dienste staat van een functioneel aan het landelijk gebied gebonden activiteit (in hoofdzaak landbouw). Verder wordt vermeld dat handhaving van de bestaande niet-agrarische bedrijven voor de komende periode een algemeen uitgangspunt is. Een stringenter beleid, gericht op het wegbestemmen van bedrijven is bestuurlijk gezien onrealistisch en financieel volstrekt onhaalbaar.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.7.    Door de onthouding van goedkeuring aan het planonderdeel waartegen de inhoudelijke bezwaren van appellante zijn gericht, is in zoverre aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan.

2.6.8.    Ten aanzien van het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet terzake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij de burgemeester of ambtenaren maar bij de gemeenteraad. Nu een aan de gemeenteraad toe te rekenen toezegging voor een bedrijfsbestemming ontbreekt, heeft de gemeenteraad niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden. Dat in het voorontwerp van dit bestemmingsplan uit 2000 aan de loods de bestemming "Handel" was toegekend geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Het staat de gemeenteraad vrij om al dan niet naar aanleiding van bij de gemeenteraad ingediende reacties af te wijken van het voorontwerp dat aan de inspraak onderworpen is geweest.

2.6.9.     De Afdeling overweegt verder dat hoewel het bestemmingsplan uitgaat van handhaving van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied, er voor verweerder geen aanleiding was goedkeuring aan het plandeel te onthouden wegens het ontbreken van een bedrijfsbestemming voor de loods. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de loods in het voorgaande plan was bestemd tot "Agrarische doeleinden" en dat derhalve geen sprake was van een bedrijfsbestemming welke in dit plan gecontinueerd zou moeten worden. Bovendien heeft het college van burgemeester en wethouders, mede gelet op hetgeen in overweging 2.6.5. is vermeld, reeds eerder bezwaren geuit tegen het huidige gebruik van de loods voor zover dat gebruik meer inhoudt dan extensieve opslag. Een bedrijfsbestemming ligt ook mede gelet hierop niet in de rede.

2.6.10.    Ten aanzien van de door appellante gemaakte vergelijking met het bedrijf […] overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden goedkeuring aan het plan had moeten onthouden. Hierbij betrekt de Afdeling dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrijf […] naar aard en schaal vergelijkbaar is met de activiteiten van appellante ter plaatse van de loods aan de [locatie 2]. Reeds hierom is geen sprake van gelijke gevallen die gelijk behandeld zouden moeten worden.

2.6.11.    Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder de gegeven motivering in redelijkheid ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn besluit.

Het beroep van [appellante sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

Het standpunt van appellant

2.7.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op de woningen [locatie 3] en [locatie 4]. Daartoe voert hij aan dat deze woningen zijn bestemd overeenkomstig het feitelijke gebruik, welke wijze van bestemmen volgens appellant niet kenbaar is en voorts niet in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid omtrent wonen in het buitengebied. Voorts is volgens appellant ten onrechte in aanmerking genomen dat een bestemming als agrarische bedrijfswoning niet in de rede ligt omdat er al jaren geen milieuvergunning is. Volgens appellant wordt namelijk één schuur verhuurd voor agrarisch gebruik en is sprake van het bedrijfmatig houden van schapen en jongvee.

Verder stelt appellant dat de toegekende bestemming hem beperkt in zijn uitbreidingsmogelijkheden en dat hij ten onrechte afhankelijk is van het gemeentebestuur om van de stankregelgeving af te wijken. Appellant wijst  op de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2005, no. 200502415/1.

Het standpunt van verweerder

2.7.1.    Verweerder heeft het genoemde plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Daartoe stelt hij dat gelet op het feitelijke hoofdgebruik en op het feit dat op zowel [locatie 3] als [locatie 4] geen reëel agrarisch bedrijf is gevestigd, de bestemming "Wonen" voor beide woningen in de rede ligt. Verweerder erkent dat dit voor het bedrijf van appellant gevolgen kan hebben omdat bij het beoordelen van de stankhinder van een andere omgevingscategorie moet worden uitgegaan, maar verweerder pleit voor een pragmatische aanpak van deze situatie bij het verlenen van een nieuwe milieuvergunning, hetgeen ook is gebeurd. De woningen aan de [locatie 3] en [locatie 4] zijn in het kader van milieuvergunning aangemerkt als agrarische bedrijfswoningen, omdat in één van de voormalige stallen vee wordt gestald in een omvang als ware het bedrijfsmatig. Hierdoor is de milieuvergunning verleend en treden als gevolg van de functiewijziging geen beperkingen op voor appellant, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.7.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.3.    Appellant exploiteert op [locatie 5] een vleesvarkenshouderij en op [locatie 7] een rundveehouderij. Beide percelen hebben de bestemming "Agrarisch gebied". In de varkensstal achter het perceel [locatie 5] worden thans ongeveer 1.000 vleesvarkens gehouden.

Medio juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders aan appellant een milieuvergunning verleend voor de uitbreiding van zijn veebezetting tot 123 stuks jongvee en 2.448 vleesvarkens.

2.7.4.    De woningen aan de [locatie 3] en [locatie 4] zijn bestemd als "Wonen". Deze woningen waren voorheen agrarische bedrijfswoningen bij het agrarische bedrijf dat was gevestigd op [locatie 3]. Na beëindiging van dit bedrijf is de woning aan de [locatie 3] in april 2000 verkocht aan [partij A]. De woning staat op ongeveer 40 meter afstand van het bouwblok aan [locatie 5].

[partij B] en [partij C] hebben de woning [locatie 4] ongeveer sinds 1996 als burgerwoning in gebruik. Deze woning staat op ongeveer 20 meter van het bouwblok aan [locatie 5].

2.7.5.    In de plantoelichting staat op pagina 69 dat als gevolg van de te verwachten verdergaande agrarische bedrijfsbeëindiging het aantal burgerwoningen in de planperiode zal toenemen. Mits een dergelijk ontwikkeling geen negatieve gevolgen meebrengt voor omliggende bedrijven, zal hieraan worden meegewerkt.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.6.    De Afdeling overweegt dat het bestemmen overeenkomstig het feitelijke gebruik in het algemeen niet onredelijk is. Hierbij wordt van belang geacht dat bestaand gebruik waarvan moet worden aangenomen dat dat niet binnen de planperiode zal worden beëindigd in beginsel als zodanig wordt bestemd. Gelet op hetgeen in overweging 2.7.4. is vermeld ten aanzien van de woning aan de [locatie 4] heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een bestemming als agrarische bedrijfswoning voor deze woning niet in de rede ligt.

Verder heeft verweerder in redelijkheid kunnen stellen dat de woonbestemming geen beperkingen voor de vergunde bedrijfsvoering van appellant tot gevolg heeft. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat met de nieuwe milieuvergunning de veebezetting aanzienlijk kan worden uitgebreid en dat niet is gebleken dat de vergunning onder strengere voorwaarden is verleend. Bovendien heeft appellant, gelet op het verhandelde ter zitting, geen verdere concrete uitbreidingsplannen. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de toegekende woonbestemming aan [locatie 4] in strijd zou zijn met het gemeentelijke planologische beleid zoals weergegeven in overweging 2.7.5..

2.7.7.    Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2005, no. 200502415/1, overweegt de Afdeling dat het in deze uitspraak ging om een recent, in 2003, ontstane burgerwoning. Nu de woning aan de [locatie 4] al in 1996 als burgerwoning in gebruik is genomen, is geen sprake van een recent ontstane burgerwoning. Reeds om die reden komt de situatie in de uitspraak van 17 augustus 2005 niet zodanig overeen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat sprake zou zijn van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

2.7.8.    Gelet op overwegingen 2.7.6. en 2.7.7. heeft verweerder de woonbestemming voor [locatie 4] niet bezwaarlijk voor de bedrijfsvoering van appellant hoeven achten. Nu deze woning het dichtst bij het bedrijf van appellant is gelegen en derhalve in het vervolg bepalend is voor de uitbreidingsmogelijkheden van appellant, bestaat er geen reden om nader in te gaan op de bezwaren van appellant tegen de toegekende bestemming voor [locatie 3].

2.7.9.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het bestreden plandeel.

Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het beroep van de Natuur en Milieufederatie Utrecht en de GLTO voor zover gericht tegen artikel 6, vijftiende lid, aanhef en onder a, en artikel 7, twaalfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften

Het standpunt van appellanten

2.8.    De Natuur en Milieufederatie stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de genoemde voorschriften inzake lage boogkassen.

Zij acht de regeling in het bestemmingsplan te ruim en in strijd met het streekplanbeleid en voert aan dat gelet op de landschappelijke, natuurlijke en recreatieve betekenis van de gebieden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" ten onrechte geen gebruik is gemaakt van de in de "Handleiding bestemmingsplannen buitengebied" (hierna: de Handleiding) geboden mogelijkheid lage boogkassen geheel te verbieden.

   De GLTO stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan bovenstaande voorschriften. Hiertoe voert zij aan dat de voorschriften een maximumoppervlakte voor lage boogkassen van 20% van het open grondareaal en een maximale hoogte van 1,20 meter toestaan, welke volgens appellante in veel gevallen onvoldoende zullen zijn. Bovendien wordt in de betreffende voorschriften ten onrechte gesproken over een "lage boogkas" welke niet hoger mag zijn dan 1,20 meter. Volgens appellante is bij overschrijding van die hoogte, gelet op definitie van hoge en lage boogkassen, sprake van een "hoge boogkas".

Het standpunt van verweerder

2.8.1.    Verweerder heeft de genoemde voorschriften niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft deze goedgekeurd. Verweerder stelt voorop dat in het streekplan teeltondersteunde voorzieningen algemeen aanvaardbaar worden geacht. Ten aanzien van lage boogkassen stelt verweerder dat de oprichting van lage boogkassen buiten het bouwvlak op de als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" en de als "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" bestemde gronden mogelijk is voor respectievelijk 20% dan wel 10% van het grondareaal. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat dit laatste percentage op een verschrijving berust, en dat het in beide gevallen gaat om 20%. Dit acht verweerder in overeenstemming met de Handleiding.

Voor een verdere beperking ziet verweerder geen aanleiding. Evenmin ziet verweerder aanleiding voor een uitbreiding van de toegestane oppervlakte of een verandering van de toegestane hoogte.

Vaststelling van de feiten

2.8.2.    De Afdeling gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.3.    De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat gezocht is naar een balans tussen de behoefte aan teeltondersteunende voorzieningen en de landschappelijke waarden van het buitengebied. Hiertoe zijn de mogelijkheden voor de oprichting van lage boogkassen buiten het bouwvlak in kwetsbare gebieden beperkt om de landschappelijke waarden zo min mogelijk aan te tasten.

2.8.4.    In het streekplan staat in paragraaf 7.6. onder het kopje Glastuinbouw (pagina 95), dat voor de fruitteelt gebruik wordt gemaakt van teeltondersteunende voorzieningen. Hierbij gaat het volgens het streekplan met name om tijdelijke overkappingen en boogkassen. Voor de teelt van zowel groot- als kleinfruit kan het gebruik van tijdelijke overkappingen (met name regenkappen) wezenlijk bijdragen aan de bedrijfsresultaten. Vanwege dit gegeven en het tijdelijke karakter van de voorziening wordt dit in het algemeen aanvaardbaar geacht. Alleen in de open gebieden zijn overwegende landschappelijke bezwaren denkbaar. Dit wordt in de Handleiding verder uitgewerkt.

Voorts is in het streekplan vermeld dat boogkassen voor de fruitteelt niet noodzakelijk zijn en landschappelijk ongewenst. Dit vanwege het gegeven dat boogkassen qua uitstraling detoneren in het landschap (aanmerkelijk meer dan de overkappingen) en in de praktijk veelal geen tijdelijke oplossing zijn, maar een permanente. In die zin zijn ze te vergelijken met glasopstanden en ligt een overeenkomstig beleid in de rede. Een uitzondering hierop zijn de boogkassen als teeltondersteuning voor kleinfruit in het gebied 't Goy - Wijk bij Duurstede. Deze mogelijkheid wordt geboden vanwege de combinatie van een concentratie aan kleinfruitteelt en het ontbreken van belangrijke landschappelijke waarden.

2.8.5.    In de op 28 augustus 2001 door verweerder vastgestelde Handleiding zoals in mei 2003 herzien is ten aanzien van boogkassen het volgende vermeld.

De plaatsing van lage boogkassen, dat wil zeggen kassen tot een hoogte van 1,20 meter, moet worden beperkt tot een bepaalde periode van het jaar (maart tot en met september) en tot een oppervlakte van ten hoogste 20% van het totale bedrijfsareaal voor teelt in de open lucht. Verder is het gewenst dat ze zoveel mogelijk in aansluiting op de bestaande bedrijfsgebouwen worden geplaatst.

In gebieden met landschapswaarden die door lage boogkassen geschaad kunnen worden is het gewenst het gebruik te koppelen aan een flexibiliteitsbepaling. In dat kader kunnen zowel de bedrijfsmatige noodzaak als de landschappelijke aanvaardbaarheid worden beoordeeld. Als sprake is van bijzonder kwetsbare landschappelijke waarden kan worden overwogen om het gebruik van lage boogkassen geheel uit te sluiten.

Toepasselijke planvoorschriften

2.8.6.    Ingevolge artikel 6, vijftiende lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden bestemd als "Agrarisch gebied met landschapswaarden" voor zover gelegen buiten bouwvlakken, voor lage boogkassen:

1. voor meer dan 20% van het open grondareaal

2. gedurende de periode van 1 oktober tot 1 maart

3. indien de hoogte meer bedraagt dan 1,20 meter, en

4. waarden als bedoeld in het eerste lid, onder e, onevenredig worden aangetast.

2.8.7.    Ingevolge artikel 7, twaalfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden bestemd als "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" voor zover gelegen buiten bouwvlakken, voor lage boogkassen:

1. voor meer dan 20% van het open grondareaal

2. gedurende de periode van 1 oktober tot 1 maart

3. indien de hoogte meer bedraagt dan 1,20 meter, en

4. waarden als bedoeld in het eerste lid, onder e en g, onevenredig worden aangetast.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.8.    De lage boogkassen die volgens het plan zijn toegestaan, vallen volgens de mededelingen van verweerder ter zitting onder het begrip tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Deze zijn volgens het streekplan aanvaardbaar behoudens eventueel in de open gebieden. De Handleiding beveelt aan in gebieden met landschapswaarden het gebruik te koppelen aan een flexibiliteitsbepaling.

   De gebieden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" zijn in overwegende mate tevens aangeduid als "open landschap" of "halfopen landschap". In het gebied van de Langbroekerwetering is er daarnaast sprake van een karakteristiek verkavelingspatroon waarmee rekening dient te worden gehouden. De Natuur en Milieufederatie betoogt met succes dat de planologische regeling voor deze gebieden te ruim is. De Afdeling overweegt daartoe dat de plaatsing van tijdelijke lage boogkassen in deze gebieden bij recht is toegestaan tot 20% van het open grondareaal buiten de bouwvlakken. Dit kan een redelijk groot gebied beslaan. Hoewel daarbij als voorwaarde is gesteld dat onder meer de landschappelijke waarden niet onevenredig mogen worden aangetast, heeft de gemeenteraad ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat deze voorwaarde voldoende duidelijk is geformuleerd en kan worden gehandhaafd. Er is volgens het plan immers geen nader besluit nodig waarbij kan worden afgewogen of de landschappelijke waarden worden aangetast en of dit opweegt tegen de belangen bij het plaatsen van de lage boogkassen. Voorts is geen voorschrift opgenomen om de lage boogkassen zoveel mogelijk aansluitend op de bestaande bedrijfsbebouwing te plaatsen, zoals het streekplan en de Handleiding aanbevelen. Verweerder heeft in redelijkheid niet kunnen oordelen dat met de in de bestreden planvoorschriften opgenomen beperkingen 1 tot en met 4, welke  meebrengen dat het verbod tot plaatsing van lage boogkassen buiten die beperkingen juist niet geldt, de landschappelijke waarden van de gebieden waarop de voorschriften betrekking hebben, afdoende worden beschermd. Mede gezien de aanbevelingen in de Handleiding had het in de rede gelegen lage boogkassen op de gronden met de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" niet dan na toepassing van een vrijstellingsbepaling toe te laten.

   De GLTO betoogt gelet op het vorengaande tevergeefs dat de mogelijkheden die het plan biedt voor lage boogkassen onvoldoende zijn. Voorts stelt de Afdeling vast dat zowel de aanhef als sub 3 van de bestreden voorschriften doelen op de toepasselijkheid van de voorschriften op lage boogkassen. Hoewel dus sprake is van enige overlapping in beide voorschriften, gezien ook de begripsomschrijving van lage boogkas, leidt dit naar het oordeel van de Afdeling niet tot strijd met de rechtszekerheid, zodat verweerder geen aanleiding heeft hoeven te zien om deze reden goedkeuring aan de voorschriften te onthouden.

2.8.9.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, voor zover het betreft de beperkingen 1 tot en met 4 in artikel 6, vijftiende lid, onder a, en in artikel 7, twaalfde lid, onder a, van de planvoorschriften. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van de Natuur en Milieufederatie Utrecht is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het de goedkeuring van de hierboven genoemde onderdelen van de planvoorschriften betreft dient te worden vernietigd.

   Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan de hiervoor genoemde onderdelen van de planvoorschriften.

   Hoewel het beroep van de GLTO geen aanleiding geeft voor een vernietiging in zoverre van het bestreden besluit, deelt dit beroep in de gegrondverklaring van het beroep van de Natuur en Milieufederatie in zoverre, nu het beroep van de GLTO eveneens is gericht tegen de in artikel 6, vijftiende lid, aanhef en onder a, en in artikel 7, twaalfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften opgenomen beperkingen van het verbod tot plaatsing van lage boogkassen.

Het beroep van de Natuur- en Milieufederatie voor het overige

Het standpunt van appellante

2.9.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de regeling in de planvoorschriften inzake hoge boogkassen voor zover deze betrekking heeft op de gronden langs de Rijndijk en de Lekdijk. Appellante acht de regeling in het bestemmingsplan te ruim en in strijd met het streekplanbeleid en betoogt dat de gronden binnen een zone van 250 meter langs de Rijndijk en de Lekdijk gevrijwaard moeten worden van de oprichting van hoge boogkassen. De oprichting van dergelijke kassen binnen een zone van 250 meter belemmert het weidse uitzicht vanaf de dijken, aldus appellante.

Het standpunt van verweerder

2.9.1.    Verweerder heeft de genoemde regelingen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft deze goedgekeurd. Verweerder stelt voorop dat in het streekplan teeltondersteunde voorzieningen algemeen aanvaardbaar worden geacht. Ten aanzien van permanent aanwezige boogkassen (hoog en laag) is het streekplan terughoudender. Bij wijze van uitzondering maakt het streekplan de oprichting van permanente boogkassen binnen het gebied 't Goy - Wijk bij Duurstede mogelijk vanwege het ontbreken van landschappelijke waarden. Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen de gronden ten noorden en ten zuiden van het Amsterdam Rijnkanaal. De gebieden die in het plan zijn bestemd als "Agrarisch gebied" maken deel uit van het gebied waarop de uitzondering in het streekplan betrekking heeft. Verweerder acht de door de gemeenteraad gekozen getrapte regeling voor boogkassen evenwichtig en in overeenstemming met het provinciale beleid.

De aan te houden afstand van 100 meter tot de dijk voor de oprichting van hoge boogkassen acht verweerder acceptabel en niet bezwaarlijk voor de landschappelijke kwaliteit. De omvang van deze zone is geen speerpunt in het provinciale beleid en behoort tot de beleidsvrijheid van de gemeenteraad, aldus verweerder. Het streekplan biedt ook in dit opzicht geen aanknopingspunten om het landschap ten zuiden van het Amsterdam Rijnkanaal anders te beoordelen dan de gronden ten noorden daarvan.

Toepasselijke planvoorschriften

2.9.2.    Ingevolge artikel 1, onder 18, van de planvoorschriften wordt verstaan onder hoge boogkas: een in hoofdzaak uit plastic of andere transparante materialen bestaand bouwwerk, ten behoeve van het kweken en telen van gewassen, met een hoogte van meer dan 1,2 meter;

onder lage boogkas: een in hoofdzaak uit plastic of andere transparante materialen bestaande constructie, geen bouwwerk zijnde, ten behoeve van het kweken en telen van gewassen, met een hoogte van maximaal 1,2 meter.

   Ingevolge artikel 1, onder 38, van de planvoorschriften wordt verstaan onder kas: een in hoofdzaak uit glas of ander transparant materiaal opgetrokken gebouw op een vaste fundering, ten behoeve van het kweken van gewassen, waaronder begrepen boogkassen die hoger zijn dan 1,2 meter.

2.9.3.    Ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften mag behoudens binnen bouwvlakken met de aanduiding "glastuinbouwbedrijven" de gezamenlijke oppervlakte van kassen en hoge boogkassen binnen de als "Agrarisch gebied" bestemde bouwvlakken niet meer dan 1.000 m2 bedragen.

   Ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften mogen binnen de als "Agrarisch gebied" bestemde bouwvlakken, binnen een strook grond van 100 meter gemeten vanaf de kruin van dijken geen kassen worden gebouwd.

2.9.4.    Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder e, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de als "Agrarisch gebied met landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor de instandhouding van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen waarden, die hierna zijn vermeld bij de code, waarmee de desbetreffende gronden op de plankaart zijn aangeduid:

h: halfopen landschap, gekenmerkt door afwisseling van openheid en aanwezigheid van bosjes, houtwallen, houtsingels, weg- en erfbeplanting

o: openheid van het landschap.

   Ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder e, respectievelijk artikel 7, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften mag de gezamenlijke oppervlakte van kassen en hoge boogkassen binnen de als "Agrarisch gebied met landschapswaarden", respectievelijk als "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" bestemde bouwvlakken niet meer dan 300 m2 bedragen.

   Ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder f, respectievelijk artikel 7, derde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften mogen binnen de als "Agrarisch gebied met landschapswaarden" respectievelijk als "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" bestemde bouwvlakken binnen een strook grond van 100 meter gemeten vanaf de kruin van dijken geen kassen worden gebouwd.

2.9.5.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder e, van de planvoorschriften zijn de als "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" aangewezen gronden bestemd voor de instandhouding van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen waarden, die hierna zijn vermeld bij de code, waarmee de desbetreffende gronden op de plankaart zijn aangeduid:

h: halfopen landschap, gekenmerkt door afwisseling van openheid en aanwezigheid van bosjes, houtwallen, houtsingels, weg- en erfbeplanting

o: openheid van het landschap.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.6.    Inzake de hoge boogkassen in de gebieden grenzend aan de Rijndijk en de Lekdijk heeft appellante zelf reeds geconstateerd dat in het plan voor het grootste deel van deze gebieden de oppervlakte van kassen en hoge boogkassen beperkt is tot het bouwvlak en met een maximum van 300 m2. Het als "Agrarisch gebied" bestemde deel van het gebied tussen het Amsterdam Rijnkanaal en de Lekdijk kan worden gerekend tot het gebied waarvoor in het streekplan een uitzondering wordt gemaakt voor boogkassen als teeltondersteuning. Binnen deze bestemming zijn kassen en hoge boogkassen tot 1.000 m2 en alleen op het bouwvlak mogelijk. Deze regeling is voldoende afgestemd op de landschappelijke waarden van de gebieden. De Afdeling acht deze regeling voorts niet in strijd met het streekplan. Voor een verruiming van de zone langs de dijken waar geen kassen en boogkassen mogen worden gebouwd, van 100 tot 250 meter, ziet de Afdeling geen aanleiding. Met het open karakter van de gebieden langs de dijken en de recreatieve waarde van het uitzicht vanaf de dijken is in het plan voldoende rekening gehouden.

2.9.7.    Gezien het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft de regeling voor hoge boogkassen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van de Natuur en Milieufederatie Utrecht is voor het overige ongegrond.  

Het beroep van [appellant sub 5] en het beroep van [appellant sub 10A] en anderen

Het standpunt van appellanten

2.10.    Alle appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Recreatieve voorzieningen" en "Water" met de medebestemming "Waterstaatsdoeleinden" en de aanduiding "vogelbeschermingsgebied" voor zover hun woonschepen in de Lunenburgerwaard niet als zodanig zijn bestemd. Verder heeft verweerder ten onrechte goedkeuring verleend aan artikel 23, vijfde lid, van de planvoorschriften.

   [appellant sub 5] stelt voorop dat haar bedenkingen niet of niet voldoende zijn weerlegd. Daarnaast stelt zij dat haar woonschip reeds 15 jaar in de Lunenburgerwaard ligt en dat dit niet in strijd is met de voorschriften van het voorgaande bestemmingsplan, de Algemene Plaatselijke Verordening en het Rijnvaartpolitiereglement. Bovendien beschikt appellante over een huurcontract met Domeinen. Het niet als zodanig bestemmen is verder in strijd met de Handleiding waarbij appellante wijst op het feit dat zij beschikt over een gedoogbeschikking van verweerder.

Verder stelt appellante dat het woonschip past binnen de jachthaven en op geen enkele wijze afbreuk doet aan de natuurwaarden. Ten slotte is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

   [appellant sub 10A] en anderen stellen dat verweerder voorts ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 17, derde lid, artikel 17, vierde lid, artikel 18, vijfde lid, en artikel 23, tweede lid en vijfde lid, van de planvoorschriften.

[appellant sub 10A] en anderen voeren aan dat artikel 17, vierde lid, alsmede artikel 18, vijfde lid, van de planvoorschriften overbodig zijn, gelet op artikel 13, derde lid, van de planvoorschriften alsmede de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 1996. Zij stellen voorts dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op hun bezwaren tegen artikel 17, derde lid, van de planvoorschriften welk artikellid het onmogelijk maakt de als knelpunt aangemerkte ligplaatsen tijdelijk te laten voortbestaan. Ten slotte is verweerder volgens appellanten ten onrechte niet ingegaan op hun bezwaren omtrent artikel 23, tweede lid en vijfde lid, van de planvoorschriften.

Ten aanzien van het niet als zodanig bestemmen van hun woonschepen stellen zij dat ten onrechte wordt uitgegaan van strijdigheid met het voorgaande bestemmingsplan. In dit verband stellen appellanten voorts dat zij beschikken over een fictieve ontheffing krachtens de Woonschepenverordening. Verder stellen appellanten dat geen sprake is van een zorgvuldige afweging in het plan voor hun woonschepen. Zo is ten onrechte alleen sprake van algemene onderzoeksgegevens en ontbreekt een individuele afweging per ligplaats. Voorts hadden de ligplaatsen op grond van de Handleiding als zodanig bestemd kunnen worden, hetgeen ten onrechte niet is gebeurd, aldus appellanten. Hierbij wijzen appellanten op het feit dat niet aannemelijk is dat het gebruik van de ligplaatsen binnen de planperiode zal worden beëindigd. Ten slotte voeren appellanten aan dat zij in hun belangen zijn geschaad. Zij zullen een woning aan de wal moeten zoeken, waardoor zij financiële schade zullen lijden. Ook komt het behoud van monumentale schepen in gevaar.

Het standpunt van verweerder

2.10.1.    Verweerder heeft de genoemde planonderdelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft deze goedgekeurd. Ten aanzien van alle appellanten stelt verweerder zich in het algemeen op het standpunt dat het niet als zodanig bestemmen van de ligplaatsen in overeenstemming is met het provinciale beleid. Verweerder stelt dat de Lunenburgerwaard geen geschikte locatie is voor woonschepen gelet op de aanduiding van het gebied in het streekplan als Landelijk gebied 4. Verder wijst verweerder op de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2005, no. 200401563/1 waarin het niet als zodanig bestemmen van woonschepen wegens het ontbreken van een ontheffing op basis van de Verordening  bescherming natuur en landschap provincie niet onredelijk is geacht. Ter aanvulling stelt verweerder dat het gebied zowel actuele als potentiële natuurwaarden heeft, waarbij hij onder meer wijst op de direct ten noorden ervan gelegen op grond van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone.

Ten aanzien van [appellant sub 5] stelt verweerder zich voorts op het standpunt dat het betalen van huur aan Domeinen niet van betekenis is en dat het gedurende lange tijd niet handhaven enkel aanleiding is geweest om voor de aanwezige schepen een ruime begunstigingstermijn te hanteren en in een enkel geval zelfs een gedoogbeschikking af te geven.

Ten aanzien van [appellant sub 10A] en anderen stelt verweerder dat het toepassen van artikel 17 van de WRO een bevoegdheid van de gemeenteraad is. De gemeenteraad heeft er voor gekozen dit artikel voor de bestemming "Water" niet van toepassing te verklaren, hetgeen verweerder niet onredelijk heeft geacht.

Vaststelling van de feiten

2.10.2.    De Afdeling gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.10.3.    Het water waarin het woonschip van [appellant sub 5] ligt is bestemd als "Recreatieve voorzieningen" met de medebestemming "Waterstaatsdoeleinden". Verder is het gebied aangeduid als "vogelbeschermingsgebied".

Voor de ligplaats van het woonschip [appellant sub 5] in de jachthaven van de Lunenburgerwaard is geen ontheffing afgegeven krachtens de provinciale "Woonschepenverordening provincie Utrecht 1963" zoals die in 1978 is herzien (hierna: de Woonschepenverordening) dan wel de "Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 1996" (hierna: de Verordening).

Verweerder heeft aan [appellant sub 5] een persoons -en objectgebonden gedoogbeschikking afgegeven op basis van de "Beleidsregel handhaving Hoofdstuk III, inzake woonschepen, vaartuigen en drijvende voorwerpen op grond van de Verordening bescherming natuur en landschap provincie 1996" (hierna: de beleidsregel handhaving).

   Het water waarin de woonschepen van [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B], [appellant sub 10E] en [appellant sub 10F], [appellant sub 10C], [appellant sub 10D], [appellant sub 10G], [appellant sub 10H] en [appellant sub 10I], allen verenigd in schepengroep Lunenburgerwaard, liggen is bestemd als "Water" met de medebestemming "Waterstaatsdoeleinden". Verder is het gebied aangeduid als "vogelbeschermingsgebied".

   Voor geen van de ligplaatsen van genoemde appellanten is een ontheffing afgegeven krachtens de Woonschepenverordening dan wel de Verordening.

Zowel [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] als [appellant sub 10G] beschikken over een door verweerder afgegeven persoons -en objectgebonden gedoogbeschikking op basis van de beleidsregel handhaving.

Aan de overige leden van de schepengroep zijn geen gedoogbeschikkingen afgegeven. Zij zijn aangeschreven hun schepen te verwijderen. De begunstigingstermijnen variëren van één tot drie jaar.

2.10.4.    In het voorgaande bestemmingsplan Landelijk Gebied 1974 en de eerste herziening daarvan zijn de ligplaatsen van alle appellanten bestemd als "Water".

   De doeleindenomschrijving van deze bestemming luidt dat de op de kaart als "Water" aangewezen gronden zijn bestemd voor water, met de voor de waterhuishouding en het verkeer te water noodzakelijke bouwwerken, geen gebouw zijnde.

2.10.5.    Op pagina 69 en 70 van het streekplan staat het beleid voor woonschepen beschreven. Ten aanzien van woonschepen in landelijk gebied wordt een terughoudend beleid gevoerd. Een locatie kan alleen een bestemming als ligplaats krijgen als een dergelijke functie op basis van een ruimtelijke afweging aanvaardbaar blijkt te zijn. Daarnaast is een ontheffing op grond van de Verordening bescherming natuur en landschap noodzakelijk. Als een dergelijke ontheffing niet is verleend, of niet (opnieuw) kan worden verleend, zal, afhankelijk van de uitgangssituatie, handhaven, verplaatsen of uitkopen moeten plaatsvinden.

   In de Handleiding staat op pagina 49 dat bestaande woonschepen, waarvan na afweging van alle betrokken belangen komt vast te staan dat zij op aanvaardbare locaties een ligplaats hebben, moeten worden voorzien van een specifieke bestemming. Dit geldt tevens voor woonschepen die op minder geschikte plaatsen zijn afgemeerd, maar waarvan een verplaatsing gedurende de planperiode in redelijkheid niet is te verwachten.

   De "Notitie Woonschepenbeleid 2002-2012" (hierna: de Notitie), vastgesteld door Provinciale Staten op 7 oktober 2002, onderscheidt een aantal categorieën ontheffingen voor ligplaatsen. De Notitie vermeldt dat gedoogsituaties waarin een provinciale ontheffing voor de ligplaatsen ontbreekt, niet kunnen blijven bestaan. Voor ligplaatsen waarvoor een ontheffing met bezwaar is verleend kan alleen een bestemming als zodanig worden toegekend nadat per ligplaats de belangen van natuur en landschap en de opgebouwde rechten zorgvuldig tegen andere ruimtelijke belangen zijn afgewogen.

   In de op 8 juni 2004 door verweerder vastgestelde beleidsregel handhaving zijn regels neergelegd hoe wordt opgetreden bij overtredingen van verboden uit de Verordening. Volgens de beleidsregel handhaving zal indien voor een ligplaats geen ontheffing gold krachtens de Woonschepenverordening of deze niet in een bestemmingsplan als zodanig is aangewezen en er geen zicht is op legalisatie in een bestemmingsplan, handhaving plaatsvinden door het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom.

In afwijking hiervan kan afgezien worden van handhaving en kan een persoons- en objectgebonden gedoogbeschikking worden afgegeven, indien het woonschip langer dan 15 jaar voor 1 januari 2004 op dezelfde locatie ononderbroken een ligplaats inneemt.

Bij handhaving wordt bij een ligduur tot 1 jaar een begunstigingstermijn van 3 maanden gehanteerd, bij een ligduur van 2 tot en met 6 jaar een termijn van 18 maanden, en bij een ligduur van 7 tot en met 14 jaar een termijn van 3 jaar.

2.10.6.    In de uitspraak van de Afdeling, no. 200401563/1, betreffende het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" van de gemeente Loenen is het volgende overwogen omtrent woonschepen.

   2.5.4. Het provinciale beleid, verwoord in het streekplan Utrecht 1994

   en de handleiding "Handleiding bestemmingsplannen buitengebied" (hierna: de Handleiding) staat in beginsel woonschepen in het buitengebied niet toe. Bestaande woonschepen, waarvan na afweging van alle betrokken belangen komt vast te staan dat zij op aanvaardbare locaties een ligplaats hebben, moeten worden voorzien van een specifieke bestemming. Blijkens de Handleiding geldt dit tevens voor woonschepen die op minder geschikte plaatsen zijn afgemeerd, maar waarvan een verplaatsing gedurende de planperiode in redelijkheid niet is te verwachten.

   De "Notitie Woonschepenbeleid 2002-2012" (hierna: de Notitie), vastgesteld door Provinciale Staten op 7 oktober 2002, vermeldt dat de provincie zonodig haar goedkeuringsbevoegdheid inzake bestemmingsplannen zal inzetten om het ongewenst bestemmen van zogenoemde knelpuntsituaties tegen te gaan. In situaties waarin verweerder zijn goedkeuringsbevoegdheid inzet om knelpuntsituaties tegen te gaan zal hij volgens de Notitie in samenwerking met de gemeenteraad bezien hoe de knelpunten kunnen worden opgelost.

   De Notitie onderscheidt een aantal categorieën ontheffingen voor ligplaatsen.

   De Notitie vermeldt dat gedoogsituaties waarin een provinciale ontheffing voor de ligplaatsen ontbreekt niet kunnen blijven voortbestaan.

   (…)    

   Het hiervoor weergegeven beleid acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk.

   2.5.5. Het zuidelijke gebied, waarin de woonschepen liggen, is in het streekplan aangeduid als "Landelijk Gebied 2", het noordelijke gebied waarin de woonschepen liggen is aangeduid als "Landelijk gebied 3".

   Gronden die zijn aangeduid als "Landelijk gebied 2", kunnen volgens het streekplan worden gekarakteriseerd als landelijk gebied met intensief landbouwkundig gebruik. Het streekplan veronderstelt geen natuurwaarden in een gebied dat is aangeduid als "Landelijk gebied 2". Derhalve dient verweerder aannemelijk te maken dat niettemin ter plaatse sprake is van zodanige natuurwaarden, dan wel potentiële natuurwaarden dat de onthouding van goedkeuring aan de woonschepenligplaatsen op deze gronden gerechtvaardigd is.

   Gronden die in het streekplan zijn aangeduid als "Landelijk gebied 3", kunnen volgens het streekplan worden gekarakteriseerd als landelijk gebied met primair grondgebonden landbouw en plaatselijk enige natuurwaarden.

   Ten aanzien van deze gronden dient verweerder eveneens aannemelijk te maken dat de natuurwaarden, dan wel de potentiële natuurwaarden ter plaatse zodanig zijn dat de onthouding van goedkeuring gerechtvaardigd is. (…)

   2.5.6. De woonschepenligplaatsen met WORESnummers (…) beschikken niet over een ontheffing op basis van de provinciale woonschepenverordening. Derhalve heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het als zodanig bestemmen van deze ligplaatsen voor woonschepen in strijd is met zijn beleid. (...)

Toepasselijke wet- en regelgeving

2.10.7.    Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Woonschepenverordening, voor zover hier van belang, worden woonschepen waarmee ligplaats wordt ingenomen op een plaats welke door de raad van een gemeente is aangewezen, geacht met een ontheffing aanwezig te zijn.

   Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Woonschepenverordening is het in het tweede lid bepaalde van overeenkomstige toepassing op woonschepen die zich bevinden in gebieden waar het innemen van ligplaats met een woonschip uitdrukkelijk is toegestaan krachtens een onherroepelijk goedgekeurd bestemmingsplan.

2.10.8.    Ingevolge artikel 7c, eerste lid, van de Verordening is het de zakelijk gerechtigde tot en de bezitter, houder of gebruiker van een woonschip verboden dat woonschip ligplaats te laten nemen, te ankeren of aan te meren, of anderszins in een water te plaatsen.

   Ingevolge artikel 7c, tweede lid, van de Verordening kan ontheffing van het verbod alleen worden verleend voor ligplaatsen waarvoor op de datum van uitgifte in het provinciaal blad al een ontheffing gold krachtens de Woonschepenverordening provincie Utrecht of voor ligplaatsen die als zodanig in een bestemmingsplan zijn aangewezen.

2.10.9.    Ingevolge artikel 13, derde lid, onder a, van de planvoorschriften, betreffende de bestemming "Wonen", mogen woonschepen uitsluitend worden aangemeerd op de op de plankaart met de aanduiding "woonschip" aangegeven locaties.

   Ingevolge artikel 17 derde lid, van de planvoorschriften is toepassing van artikel 17 van de WRO uitgesloten op en in de als "Water" bestemde gronden.

   Ingevolge artikel 17, vierde lid, van de planvoorschriften wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften in ieder geval verstaan het gebruik van de als "Water" bestemde gronden als ligplaats voor woonschepen.

   Ingevolge artikel 18, vijfde lid, van de planvoorschriften wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften in ieder geval verstaan het gebruik van de als "Waterstaatsdoeleinden" bestemde gronden als ligplaats voor woonschepen.

   Ingevolge artikel 23, tweede lid, van de planvoorschriften mag het gebruik van grond en opstallen, strijdig met het plan op het tijdstip dat het plan onherroepelijk wordt, worden gehandhaafd, tenzij burgemeester en wethouders vóór dat tijdstip op de gebruikelijke wijze aan overtreder kenbaar hebben gemaakt dat sprake is van een strijdig gebruik en dat ze niet berusten in de voortzetting daarvan.

   Ingevolge artikel 23, vijfde lid, van de planvoorschriften is het bepaalde in lid 2 niet van toepassing op gebruik als ligplaatsen voor woonschepen van gronden die op de plankaart niet zijn voorzien van de aanduiding "woonschip".

Het oordeel van de Afdeling

2.10.10.    Gelet op overweging 2.10.5. is het provinciale woonschepenbeleid gericht op beëindiging van gedoogsituaties waarbij ligplaatsen zijn ingenomen zonder dat daarvoor een ontheffing krachtens de Woonschepenverordening dan wel de Verordening is verleend. De Afdeling heeft dit beleid in haar uitspraak van 11 mei 2005, no. 200401563/1 in het algemeen niet onredelijk geacht.

   Vaststaat dat aan [appellant sub 10C], [appellant sub 10D], [appellant sub 10E] en [appellant sub 10F], [appellant sub 10H] en [appellant sub 10I] geen ontheffing is verleend voor het innemen van een ligplaats in de Lunenburgerwaard. Bovendien beschikken zij, anders dan zij betogen, evenmin over een fictieve ontheffing als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Woonschepenverordening. De ligplaatsen van voornoemde appellanten waren in het voorgaande plan niet als zodanig bestemd, omdat dit gebruik, blijkens de doeleindenomschrijving van de bestemming "Water", niet tot de daarbij behorende functies behoorde. Dat dit gebruik in de planvoorschriften niet expliciet is uitgesloten, leidt niet tot een ander oordeel. Daarmee is immers nog geen sprake van een uitdrukkelijk toestaan in de zin van artikel 2, derde lid, van de Woonschepenverordening, waarmee voor de desbetreffende ligplaatsen een ontheffing zou zijn geacht te zijn verleend.

   Nu voornoemde appellanten een aanschrijving tot handhaving hebben ontvangen is, naar het oordeel van de Afdeling, voldoende aannemelijk geworden dat de woonschepen van deze appellanten binnen afzienbare tijd hun ligplaats zullen verlaten. Derhalve is eveneens aannemelijk dat de bestemming "Water" met de medebestemming "Waterstaatsdoeleinden" binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt. Verweerder heeft zich ten aanzien van deze appellanten dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet als zodanig bestemmen van de ligplaatsen van voornoemde appellanten in overeenstemming is met zijn beleid.

   Ten aanzien van de stelling van deze appellanten dat ten onrechte geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden naar de individuele ligplaatsen overweegt de Afdeling dat dit, gelet op de uitgangspunten van het provinciale woonschepenbeleid, alleen noodzakelijk is voor ligplaatsen waarvoor een ontheffing met bezwaar is verleend. Nu hiervan geen sprake is heeft verweerder nader onderzoek naar de ligplaatsen van genoemde appellanten achterwege kunnen laten.

   Wat betreft de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de ligplaatsen en de woonschepen, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

   Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen deze appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet heeft kunnen vasthouden aan zijn beleid.

2.10.11.    Dat het innemen van een ligplaats binnen de bestemmingen  "Water" en "Waterstaatsdoeleinden" expliciet als strijdig gebruik is aangemerkt en is uitgesloten van het overgangsrecht, is in overeenstemming met het uitgangspunt de ligplaatsen in de Lunenburgerwaard niet als zodanig te bestemmen en derhalve af te zien van een planologische regeling op dit punt. Nu verweerder heeft ingestemd met het niet als zodanig bestemmen van de woonschepen volgt hieruit in dit geval eveneens instemming met het niet onder het overgangrecht brengen van het gebruik van de als "Water" bestemde gronden voor het innemen van een ligplaats. In zoverre bestaan er dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder niet is ingegaan op de bezwaren van appelanten gericht tegen artikel 23, tweede en vijfde lid, van de planvoorschriften.

Voorts valt niet in te zien waarom artikel 17, vierde lid, en artikel 18, vijfde lid, van de planvoorschriften overbodig zijn gelet op het bepaalde in de Verordening en artikel 13, derde lid, van de planvoorschriften. Daarbij is van belang dat de laatstgenoemde bepaling een bouwvoorschrift betreft en derhalve niet ziet op het gebruik waarop artikel 17, vierde lid, en 18, vijfde lid, van de planvoorschriften betrekking hebben. Verder bestaan er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder onvoldoende zou zijn ingegaan op de bedenkingen van deze appellanten ten aanzien van artikel 17, derde lid, van de planvoorschriften.

2.10.12.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Water" met de medebestemming "Waterstaatsdoeleinden" en de aanduiding "vogelbeschermingsgebied" voor zover dat betrekking heeft op de ligplaatsen van genoemde appellanten.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 10A] en anderen is, voor zover ingediend door [appellant sub 10C], [appellant sub 10D], [appellant sub 10E] en [appellant sub 10F], [appellant sub 10H] en [appellant sub 10I], ongegrond.

2.10.13.    Onder verwijzing naar hetgeen de Afdeling heeft overwogen in overweging 2.10.10. overweegt de Afdeling ten aanzien van de ligplaatsen van [appellant sub 10A], [appellant sub 10B], [appellant sub 10G] en [appellant sub 5] het volgende. Vaststaat dat aan deze appellanten geen ontheffing is verleend. Gelijk de in de overweging 2.10.10. genoemde appellanten beschikken zij evenmin over een fictieve ontheffing als bedoeld in artikel 2, derde lid van de Woonschepenverordening. Verweerder heeft echter, zoals vermeld in overweging 2.10.3., aan deze appellanten een persoons- en objectgebonden gedoogbeschikking afgegeven. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling niet uitgesloten dat de woonschepen van deze appellanten binnen de planperiode hun ligplaatsen in de Lunenburgerwaard niet zullen verlaten. Derhalve is evenmin aannemelijk dat de bestemming "Water" met de medebestemming "Waterstaatsdoeleinden" binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt. Derhalve had voor deze appellanten een planologische regeling in het plan moeten worden opgenomen die rekening houdt met de verleende gedoogbeschikkingen, hetgeen niet is gebeurd. Verweerder heeft dit miskend.

   Gelet hierop heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voor zover hierin geen regeling voor de ligplaatsen van genoemde appellanten is opgenomen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Recreatieve voorzieningen" en de medebestemming "Waterstaatsdoeleinden" en de aanduiding "vogelbeschermingsgebied" voor zover dat betrekking heeft op de ligplaats van appellante.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om aan het genoemde plandeel goedkeuring te onthouden.

   Het beroep van [appellant sub 10A] en anderen is, voor zover ingediend door [appellant sub 10A], [appellant sub 10B] en [appellant sub 10G], eveneens gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Water" en de medebestemming "Waterstaatsdoeleinden" met de aanduiding "vogelbeschermingsgebied" voor zover dat betrekking heeft op de ligplaatsen van genoemde appellanten.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om aan het genoemde plandeel goedkeuring te onthouden.

   Gelet hierop hoeven de overige beroepsgronden van genoemde appellanten geen verdere bespreking.

Het beroep van de GLTO, voor zover ontvankelijk, voor het overige

Het standpunt van appellante in het algemeen

2.11.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan diverse planvoorschriften betreffende de bestemmingen "Agrarisch gebied", "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden". Voorts heeft verweerder ten onrechte goedkeuring verleend aan artikel 18, 20 en 22 van de planvoorschriften, aldus appellante. Ten slotte stelt appellante dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan delen van de Natuurontwikkelingskaart alsmede gedeelten van plandelen met de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" en de aanduiding "kernrandzone".

   Zij voert hiertoe aan dat de genoemde planonderdelen ten onrechte  het meest doelmatige agrarische gebruik beperken, hetgeen appellante in strijd acht met artikel 10 van de WRO.

Het standpunt van verweerder in het algemeen

2.11.1.    Verweerder heeft de genoemde planonderdelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft deze goedgekeurd. Hiertoe voert hij aan dat het plan een evenwichtig stelsel van regelingen kent, dat recht doet aan de vele bijzondere waarden in het plangebied. Daarnaast biedt het plan de landbouw voldoende mogelijkheden, zowel wat betreft de primaire agrarische productie als nevenactiviteiten. Voorts acht verweerder de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde zonering voldoende onderbouwd.

Artikel 1, onder 18, van de planvoorschriften

Het standpunt van appellante

2.11.2.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan bovenstaand voorschrift. Appellante pleit voor een maximale hoogte van 1,50 meter voor lage boogkassen, aangezien dit meer aansluit op de gangbare hoogtematen.

Het standpunt van verweerder

2.11.2.1.    Verweerder stelt dat de Handleiding in beginsel uitgaat van een  hoogte van 0,90 meter voor lage boogkassen en dat appellante niet aangeeft waarom een hoogte van 1,50 meter wel en een hoogte van 1,20 meter niet bruikbaar zou zijn.

Vaststelling van de feiten

2.11.2.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.2.3.    In de Handleiding staat op pagina 35 vermeld dat uit bedrijfsmatig oogpunt de hoogte van lage constructies over het algemeen beperkt kan worden tot ongeveer 0,90 meter. Verder wordt in de Handleiding vermeld dat om een effectieve en doelmatige handhaving van het onderscheid tussen hoge en lage kassen mogelijk te maken, het aanbeveling verdient voor hoge kassen een ondergrens van 1,20 meter aan te houden.

Toepasselijke planvoorschriften

2.11.2.4.    Ingevolge artikel 1, onder 18, van de planvoorschriften wordt onder een lage boogkas verstaan een in hoofdzaak uit plastic of andere transparante materialen bestaand bouwwerk, ten behoeven van het kweken en telen van gewassen, met een hoogte van maximaal 1,20 meter.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.2.5.    De Afdeling overweegt dat niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat een maximale hoogte van 1,2 meter voor een lage boogkas niet bruikbaar zou zijn. Gelet hierop en op hetgeen in overweging 2.11.2.3. is vermeld, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien aan dit voorschrift goedkeuring te onthouden.

Artikel 1, onder 33 en 44 van de planvoorschriften

Het standpunt van appellante

2.11.3.    Appellante stelt dat de definitie voor een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf onduidelijk is omdat daaronder zowel dierlijke als plantaardige productie valt. Appellante pleit voor een betere definiëring van de onderverdeling van agrarische bedrijven in de lijn van hetgeen is vermeld in de Handleiding.

Het standpunt van verweerder

2.11.3.1.    Verweerder stelt dat de definitie van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf niet wezenlijk verschilt van hetgeen gangbaar is en acht het voorschrift voldoende onderscheidend.

Toepasselijke planvoorschriften

2.11.3.2.    Ingevolge artikel 1, onder 33, van de planvoorschriften wordt onder grondgebonden agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf verstaan waarbij de productie hoofdzakelijk afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de bij het bedrijf behorende open grond.

   Ingevolge artikel 1, onder 44, van de planvoorschriften wordt onder een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf verstaan waarvan de productie geheel of overwegend in gebouwen plaatsvindt en dat in overwegende mate niet afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de bij het bedrijf behorende open grond.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.3.3.    Ten aanzien van de bezwaren tegen de definitie van niet-grondgebonden agrarisch bedrijf overweegt de Afdeling dat de argumenten die appellante ontleent aan de Handleiding geen doel treffen. Gebleken is dat de door appellante geraadpleegde versie van de Handleiding afwijkt van de meest recente versie van de Handleiding uit mei 2003, waarin is afgezien van aanbevelingen inzake nieuwvestiging en uitbreiding van veehouderij. Aan de versie die appellante heeft geraadpleegd kan derhalve geen toepassing worden gegeven. Voor het overige zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de in het plan opgenomen definitie onduidelijk zou zijn. Gelet hierop bestond er voor verweerder geen aanleiding aan dit voorschrift, of aan het voorschrift inzake grondgebonden agrarisch bedrijf, goedkeuring te onthouden.

Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften

Het standpunt van appellante

2.11.4.    Appellante pleit voor een bij recht of bij vrijstelling toegelaten goot- en nokhoogte voor onder meer hoofd- en bedrijfsgebouwen van respectievelijk 8 en 10 meter. Appellante stelt dat de in het plan opgenomen hoogten onvoldoende zijn voor de fruitteelt.

Het standpunt van verweerder

2.11.4.1.    Verweerder stelt dat, in tegenstelling tot hetgeen appellante betoogt, op grond van artikel 4, negende lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften vrijstelling kan worden verleend van het bestreden planvoorschrift zodat de goot- en nokhoogten ten hoogste respectievelijk 8 en 10 meter mogen bedragen.

Toepasselijke planvoorschriften

2.11.4.2.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften mogen de goothoogte en hoogte van hoofdgebouwen, bedrijfs- en andere woningen en bedrijfsgebouwen niet meer bedragen dan respectievelijk 6 meter en 9 meter.

   Ingevolge artikel 4, negende lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder b, tot een maximum van respectievelijk 8 meter en 10 meter.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.4.3.    Gelet op het bepaalde in artikel 4, negende lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien goedkeuring aan het genoemde voorschrift te onthouden.

Artikel 4, zesde lid, van de planvoorschriften

Het standpunt van appellante

2.11.5.    Appellante stelt dat het genoemde voorschrift de adviesverplichting ten onrechte niet specifiek genoeg definieert nu de adviesverplichting ook geldt voor gebieden waar alleen een vermoeden van het voorkomen van archeologische waarden geldt. Dit leidt tot onnodige beperkingen, aldus appellante. Verder voert appellante aan dat haar gedeeltelijk gegrond verklaarde zienswijze ten onrechte niet is verwerkt in de voorschriften.

Het standpunt van verweerder

2.11.5.1.    Verweerder stelt dat het plan alleen gebieden met een zeer hoge archeologische waarde beschermt.

Vaststelling van de feiten

2.11.5.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.5.3.    Op pagina 37 van de nota van zienswijzen heeft de gemeenteraad de zienswijze van appellante tegen artikel 4, zesde lid, van de voorschriften gedeeltelijk gegrond verklaard. Zolang de agrarische werkzaamheden of bouwactiviteiten beperkt zouden blijven tot de eerste bouwvoor (ongeveer 40 centimeter) is geen aanlegvergunning en geen advies van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (hierna: de Rijksdienst) noodzakelijk, aldus de gemeenteraad. Dit laatste punt zou in de voorschriften worden verduidelijkt.

2.11.5.4.    Op pagina 111 van de plantoelichting (bijlage B1) is vermeld dat in het plan is gekozen om alleen de terreinen met zeer hoge archeologische waarden te beschermen. Deze terreinen zijn op de plankaart voorzien van een aparte aanduiding.

Toepasselijke planvoorschriften

2.11.5.5.    Ingevolge artikel, 4 zesde lid, van de planvoorschriften is het bebouwen van gronden die op de plankaart de aanduiding "archeologisch waardevol" hebben, en waarbij de bouwactiviteiten een nadelige invloed kunnen hebben op de te beschermen bodemschatten, slechts toegestaan nadat burgemeester en wethouders schriftelijk advies bij de Rijksdienst  hebben ingewonnen.

2.11.5.6.    In de bij artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften, behorende tabel, onder 6, is bepaald dat op gronden met de aanduiding "archeologisch waardevol" voor het diepploegen, te weten het omploegen tot een diepte van 0,40 meter of meer van de gronden, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, een aanlegvergunning is vereist.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.5.7.    Gelet op overweging 2.11.5.4. en het verhandelde ter zitting, is, anders dan appellante betoogt, de aanduiding "archeologisch waardevol" alleen toegekend aan gronden waarvan de archeologische waarde is vastgesteld.  

De Afdeling overweegt dat artikel 4, zesde lid, van de planvoorschriften betrekking heeft op het oprichten van gebouwen en andere bouwwerken en niet op het gebruik van gronden. Dat voor het oprichten van bebouwing op gronden met de aanduiding "archeologisch waardevol" nader moet worden bepaald of advies van de Rijksdienst moet worden ingewonnen heeft verweerder niet onredelijk bezwarend hoeven achten. De Afdeling overweegt voorts dat voor het ploegen van gronden tot een diepte van 0,40 meter geen aanlegvergunning is vereist. Evenmin behoeft hiervoor advies van de Rijksdienst te worden ingewonnen.

Artikel 5, eerste lid, onder b, en artikel 5, veertiende lid, aanhef en onder a, sub 2, van de planvoorschriften alsmede artikel 6, eerste lid, onder b, en artikel 7, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften.

Het standpunt van appellante

2.11.6.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan bovenstaande voorschriften. Hiertoe voert zij aan dat de genoemde voorschriften leiden tot een onnodige beperking van de keuzevrijheid en stelt zij dat in de Handleiding is vermeld dat nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderij niet zonder meer in algemene zin mag worden geweerd.

Het standpunt van verweerder

2.11.6.1.    Verweerder stelt dat het binnen de beleidsvrijheid van de gemeenteraad valt om een onderscheid te maken in ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in delen van het plangebied.

Vaststelling van de feiten

2.11.6.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.6.3.    De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het gemeentelijke beleid erop is gericht geen nieuwe niet-grondgebonden bedrijven in het buitengebied toe te staan, zowel voor de gronden met de bestemmingen "Agrarisch gebied" als de gronden met de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden". Het beleid is er juist op gericht de huidige landschappelijke waarden te behouden.

Toepasselijke planvoorschriften

2.11.6.4.    Ingevolge artikel, 5, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften zijn de als "Agrarisch gebied" aangewezen gronden bestemd voor de bedrijfsuitoefening van niet-grondgebonden agrarische bedrijven voor zover deze bestaan op het moment van onherroepelijk worden van de goedkeuring van het plan.

   In artikel 6, eerste lid, onder b, en artikel 7, eerste lid onder b, zijn voor de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" gelijkluidende bepalingen opgenomen.

2.11.6.5.    Ingevolge artikel 5, veertiende lid, aanhef en onder a, sub 2, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd op grond van en met inachtneming van artikel 11 van de WRO, om het plan zodanig te wijzigen, dat op de in het eerste lid bedoelde gronden een agrarisch bouwvlak wordt aangegeven, met dien verstande dat de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend mag worden toegepast voor grondgebonden agrarische bedrijven.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.6.6.    De Afdeling stelt voorop dat de gemeenteraad over een grote mate van beleidsvrijheid beschikt bij het vaststellen van bestemmingen en voorschriften voor zijn gronden. De gemeenteraad wenst het huidige aantal niet-grondgebonden bedrijven niet uit te breiden en derhalve nieuwvestiging van niet-grondgebonden agrarische bedrijven uit te sluiten. De door appellante hiertegen aangevoerde argumenten zijn deels ontleend aan een verouderde versie van de Handleiding. Zoals reeds in overweging 2.11.3.3. is overwogen bevat de meest recente versie van de Handleiding geen aanbevelingen inzake nieuwvestiging en uitbreiding van veehouderij. Aan de versie die appellante heeft geraadpleegd kan derhalve geen toepassing worden gegeven. In hetgeen appellante voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de genoemde voorschriften niet in redelijkheid heeft kunnen goedkeuren.

Artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften, alsmede artikel 6, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften.

Het standpunt van appellante

2.11.7.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan bovenstaande voorschriften. Hiertoe stelt zij dat de genoemde planvoorschriften ten onrechte het fokken en mesten van onder meer kalkoenen uitsluiten. Deze diersoorten behoren, volgens appellante, tot de gangbare landbouw. Verder is er volgens appellante geen ruimtelijk relevant argument om het fokken en mesten van deze dieren in dit plan uit te sluiten.

Het standpunt van verweerder

2.11.7.1.    Verweerder stelt dat fokkerijen en mesterijen van onder meer kalkoenen alleen zijn uitgezonderd voor zover het gaat om het houden van deze diersoorten in de open lucht. Volgens verweerder is het geluid van met name  kalkoenen in de buitenlucht de grondslag voor het onderscheid. Verweerder merkt hierbij op dat het plan de mogelijkheid biedt vrijstelling van dit voorschrift te verlenen.

Toepasselijke planvoorschriften

2.11.7.2.    Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften zijn van de agrarische bedrijven die zijn gevestigd op als "Agrarisch gebied" bestemde gronden, uitgezonderd fokkerijen en mesterijen van eenden, ganzen, kalkoenen en struisvogels in de open lucht en van pelsdieren, alsmede vis-, wormen- en madenkwekerijen.

   In artikel 6, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften zijn voor de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" gelijkluidende bepalingen opgenomen.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.7.3.    De Afdeling overweegt dat nu aan het onderscheid tussen het binnen en buiten houden van onder meer kalkoenen een ruimtelijk relevant argument ten grondslag ligt, verweerder de genoemde voorschriften in redelijkheid heeft kunnen goedkeuren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ingevolge artikel 5, zevende lid, en artikel 6, zevende lid, van de planvoorschriften op de gronden met de bestemmingen "Agrarisch gebied" en "Agrarisch gebied met landschapswaarden" vrijstelling van de genoemde verboden kan worden verleend.

Artikel 5, derde lid, onder g, van de planvoorschriften alsmede artikel 6, derde lid, onder g, en artikel 7, derde lid, onder f, van de planvoorschriften.

Het standpunt van appellante

2.11.8.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan bovenstaande voorschriften. Hiertoe voert zij aan dat deze voorschriften in combinatie met het verbod op nieuwvestiging van niet-grondgebonden bedrijven, de niet-grondgebonden landbouw op slot zet.  Verder vreest appellante dat dit voorschrift eveneens de start van een niet-grondgebonden neventak bij een grondgebonden bedrijf uitsluit.

Het standpunt van verweerder

2.11.8.1.    Verweerder stelt dat het beperken van de mogelijkheden voor het realiseren van volledig intensieve bedrijven behoort tot de gemeentelijke beleidsvrijheid. Voorts stelt verweerder dat bij een grondgebonden bedrijf een niet-grondgebonden neventak tot een oppervlakte van 1.000 m2 mag worden gestart, nu het bedrijf daarmee de status van grondgebonden bedrijf behoudt.

Vaststelling van de feiten

2.11.8.2.    De Afdeling gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.8.3.    De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de voorschriften de start van een niet-grondgebonden neventak mogelijk maken, maar de doorgroei van deze neventak tot een volwaardig niet-grondgebonden bedrijf uitsluit.

Toepasselijke planvoorschriften

2.11.8.4.    Ingevolge artikel 5, derde lid, onder g, van de planvoorschriften mag de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeve van het als neventak uitoefenen van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf op de als "Agrarisch gebied" bestemde gronden, binnen elk bouwvlak niet meer dan 1.000 m2 bedragen.

   In artikel 6, derde lid, onder g, alsmede artikel 7, derde lid, onder f, van de planvoorschriften zijn voor de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" gelijkluidende bepalingen opgenomen.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.8.5.    De Afdeling overweegt dat de genoemde voorschriften complementair zijn aan het verbod van nieuwvestiging van niet-grondgebonden bedrijven in het plangebied. Zonder genoemde voorschriften zou het verbod op nieuwvestiging kunnen worden omzeild. Gelet op hetgeen is overwogen in overweging 2.11.6.6. ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder aan genoemde voorschriften goedkeuring had dienen te onthouden.

Artikel 5, zesde lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften alsmede artikel 6, zesde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften

Het standpunt van appellante

2.11.9.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan bovenstaande voorschriften. Hiertoe voert zij aan dat de mogelijkheden voor uitbreiding te beperkt zijn en feitelijk niet veel anders zijn dan de overgangsrechtelijke bepalingen. Vrijstaande schuren buiten het agrarische bouwvlak op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" zijn volgens appellante ten onrechte onder het overgangsrecht geplaatst.

Het standpunt van verweerder

2.11.9.1.    Verweerder stelt dat de mogelijkheden voor uitbreiding wezenlijk anders zijn dan de mogelijkheden ingevolge het overgangsrecht. Verder acht verweerder de geboden uitbreidingsmogelijkheden niet onredelijk waarbij hij van belang acht dat het bij bebouwing buiten de bouwvlakken toch moet gaan om uitzonderingen.

Vaststelling van de feiten

2.11.9.2.    De Afdeling gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.9.3.    Blijkens het deskundigenbericht zijn op de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" geen vrijstaande schuren buiten het bouwvlak aanwezig.

Toepasselijke planvoorschriften

2.11.9.4.    Ingevolge artikel 5, zesde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mogen buiten de op de plankaart aangegeven bouwvlakken binnen de bestemming "Agrarisch gebied" de bestaande schuren, loodsen en stallen ter plaatse van de op de plankaart aangegeven aanduiding "vrijstaande stal of schuur" worden gehandhaafd, met dien verstande dat deze met maximaal 10% mogen worden uitgebreid.

   In artikel 6, zesde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is voor de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" een gelijkluidende bepaling opgenomen.

2.11.9.5.    Ingevolge artikel 5, zesde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften mogen buiten de op de plankaart aangegeven bouwvlakken binnen de bestemming "Agrarisch gebied" de bestaande hoge boogkassen, die op de plankaart zijn aangeduid als "boogkas" worden gehandhaafd, met dien verstande dat deze met maximaal 10% mogen worden uitgebreid.

2.11.9.6.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften mag een bouwwerk dat op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan legaal is of kan worden gebouwd en dat afwijkt van dit plan, mits de bestaande afwijkingen ook naar hun aard niet worden vergroot:

a. slechts gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. uitsluitend indien het bouwwerk door een calamiteit teniet is gegaan, geheel worden vernieuwd, mits de aanvraag tot bouwvergunning is ingediend binnen achttien maanden nadat het bouwwerk teniet is gegaan;

c. tot niet meer dan 110% van de oppervlakte dan wel inhoud van het in de aanhef bedoelde bouwwerk worden uitgebreid.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.9.7.    Weliswaar zijn de uitbreidingsmogelijkheden die de bestreden artikelleden bieden, anders dan verweerder stelt, niet wezenlijk anders dan de mogelijkheden tot uitbreiding volgens het overgangsrecht, maar de Afdeling overweegt dat verweerder de geboden uitbreidingsmogelijkheden niettemin redelijk heeft kunnen achten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat op de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden", blijkens overweging 2.11.9.3., geen vrijstaande schuren buiten het bouwvlak staan.

Artikel 5, veertiende lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften

Het standpunt van appellante

2.11.10.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan bovenstaand voorschrift. Hiertoe voert zij aan dat nieuwe bouwvlakken ten onrechte uitsluitend zijn toegestaan binnen de op de Natuurontwikkelingskaart als "agrarisch ontwikkelingsgebied" aangeduide gronden. Appellante wijst hierbij op de uitgangspunten van het Langbroekerweteringproject.

Het standpunt van verweerder

2.11.10.1.    Verweerder is in zijn besluit niet ingegaan op de bezwaren van appellante tegen dit voorschrift.

Toepasselijk planvoorschrift

2.11.10.2.    Ingevolge artikel 5, veertiende lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd om het plan zodanig te wijzigen dat op de als "Agrarisch gebied" bestemde gronden een agrarisch bouwvlak wordt aangegeven met dien verstande dat deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend mag worden toegepast op gronden die op de ontwikkelingskaart als "agrarisch ontwikkelingsgebied" zijn aangeduid en zijn gelegen nabij wegen.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.10.3.    De Afdeling stelt vast dat verweerder niet is ingegaan op de door appellante aangevoerde bezwaren tegen artikel 5, veertiende lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. Ook anderszins is in het besluit niet ingegaan op deze bedenking. Het besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het voornoemde planvoorschrift.

   Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat nieuwvestiging van agrarische bouwvlakken uitsluitend mogelijk is in het agrarisch ontwikkelingsgebied omdat landschappelijk waardevol gebied zou worden aangetast indien nieuwvestiging aldaar mogelijk was. Hiermee heeft verweerder, naar het oordeel van de Afdeling, een redelijke motivering geboden voor zijn besluit tot goedkeuring. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding alsnog goedkeuring te verlenen aan het genoemde voorschrift.

De dubbelbestemming "Waterstaatsdoeleinden" (artikel 18 van de planvoorschriften)

2.11.11.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Waterstaatsdoeleinden" voor zover deze in het plan over de dijk is gelegd. Hierdoor worden aan agrarische gronden die geen waterstaatsdoeleinden dienen, ten onrechte beperkingen opgelegd, aldus appellante.

Het standpunt van verweerder

2.11.11.1.    Verweerder stelt dat het gebruikelijk is en in overeenstemming met de eis van Rijkswaterstaat om een zone langs de dijk uit te zonderen van bebouwing. Van beperkingen van landbouwkundig gebruik is geen sprake, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.11.11.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.11.3.    De gemeenteraad stelt dat nu de waterkering ook tot waterstaatsdoeleinden wordt gerekend de bestemming "Waterstaatsdoeleinden", met instemming van het waterschap, over de dijk is gelegd.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.11.4.     De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de mogelijkheden voor gronden waaraan de medebestemming "Waterstaatsdoeleinden" is toegekend onredelijk zouden worden beperkt. Verweerder heeft dan ook geen reden hoeven te zien aan dit voorschrift goedkeuring te onthouden.

Omvang van het gebied bestemd als "Agrarisch gebied met landschapswaarden" alsmede "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden"

Het standpunt van appellante

2.11.12.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" voor zover dat betrekking heeft op het gebied tussen de Kromme Rijn en de Landscheidingsweg, het gebied ten zuiden van de Amerongerwetering en het gebied ten zuiden van de Romeinenbaan/Middelweg-west. Zij voert hiertoe aan dat de criteria voor het aanduiden van gebieden als "halfopen landschap" en "open landschap" ten onrechte te vaag zijn en derhalve niet objectief beoordeeld kunnen worden. Voorts is niet duidelijk waarom "zandpaden" landschappelijke waarde vertegenwoordigen.

Wat betreft de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" stelt appellante dat de toekenning van deze bestemming niet voldoende is onderbouwd, met name omdat niet overal binnen het gebied sprake is van "waterrijke natuur/kwelafhankelijke vegetatie".

Verder stelt appellante dat goedkeuring dient te worden onthouden aan die delen van de plankaart waar niet daadwerkelijk sprake is van de nu toegekende landschaps- en/of natuurwaarden.

Het standpunt van verweerder

2.11.12.1.    Verweerder stelt dat de waarden waarop de aanduidingen op de plankaart zijn gebaseerd voldoende zijn onderbouwd. Voorts acht verweerder de criteria voor "halfopen landschap" alsmede "open landschap" voldoende duidelijk.

Vaststelling van de feiten

2.11.12.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.12.3.    De gemeenteraad stelt dat de gebiedswaarden die hebben geleid tot de toekenning van de bestemmingen "Agrarische gebied met landschapswaarden" en "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" zijn gebaseerd op de ter plaatse aanwezige actuele waarden.

2.11.12.4.    In de plantoelichting is op pagina 23 het volgende vermeld. De hoofdzonering van het plan is gebaseerd op bestaande landschappelijke eenheden. Het gaat daarbij om gebieden die gekenmerkt worden door een specifieke landschappelijke structuur.

   Op pagina 31 van de plantoelichting staat dat het buitengebied van Wijk bij Duurstede vele belangrijke natuurwaarden bevat die hun voorkomen te danken hebben aan het bijzondere abiotische milieu met vele gradiënten in bodem en water (waaronder kwelgebieden).

   Op pagina 78 van de plantoelichting is vermeld dat in de gebieden met de aanduiding "halfopen landschap" de bosjes, houtwallen, houtsingels, weg- en erfbeplantingen alsmede fruitboomgaarden beeldbepalend zijn.

   Bij het "open landschap" staat vooral het behoud van de karakteristieke open gedeelten van het landschap centraal. Het gaat daarbij vaak om kleinere open plekken tussen gesloten bossen en zichtrelaties.

   Op pagina 79 van de plantoelichting staat dat bij de aanduiding "kwelwater afhankelijke vegetatie" is aangesloten bij het Plan van Aanpak Langbroekerwetering en het streekplan.

2.11.12.5.    In het deskundigenbericht is vermeld dat algemeen aanvaard is dat zandpaden in landschappelijk, natuurwetenschappelijk en/of cultuurhistorisch opzicht waardevol kunnen worden geacht.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.12.6.    De Afdeling overweegt dat gelet op overweging 2.11.12.4. verweerder de criteria voor "halfopen landschap" alsmede "open landschap" in redelijkheid voldoende duidelijk heeft kunnen achten. Voorts overweegt de Afdeling dat gelet op overweging 2.11.12.3. de aanduidingen zijn toegekend op basis van bestaande landschaps- en natuurwaarden in het plangebied. Ten aanzien van de zandpaden overweegt de Afdeling dat gelet op overweging 2.11.12.5. zandpaden uit landschappelijk, natuurwetenschappelijk dan wel cultuurhistorisch oogpunt waardevol kunnen zijn en derhalve planologische bescherming kunnen genieten. Verweerder heeft de genoemde aanduidingen redelijk kunnen achten. Wat betreft de omvang van het gebied met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" overweegt de Afdeling dat appellante dit argument ter ondersteuning van haar beroep niet nader heeft uitgewerkt. Mitsdien is niet aannemelijk gemaakt dat de omvang van de gebieden onjuist op de plankaart is aangegeven.

Artikel 20 van de planvoorschriften

Het standpunt van appellante

2.11.13.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het aanlegvergunningenstelsel. Volgens haar strekt het stelsel te ver, te meer nu appellante de onderliggende landschaps- en natuurwaarden in bepaalde gevallen bestrijdt. De toegekende waarden zijn volgens appellante te vaag omschreven en ook is onduidelijk onder welke voorwaarden een aanlegvergunning zal worden verleend.

Voorts heeft appellante bezwaar tegen artikel 20, vierde lid, van de planvoorschriften. De in dit voorschrift genoemde afstanden zijn overbodig nu deze reeds elders voldoende zijn gewaarborgd.

Het standpunt van verweerder

2.11.13.1.    Verweerder acht het aanlegvergunningenstelsel niet onnodig zwaar, gelet op de belangrijke waarden in het gebied. Daarbij acht verweerder het niet onredelijk dat de gemeenteraad een zonering in het plan opneemt. Volgens verweerder is het een algemeen erkend principe dat een zonering wordt aangebracht tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige bestemmingen.

Vaststelling van de feiten

2.11.13.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.13.3.    De gemeenteraad stelt dat de toegekende waarden in het aanlegvergunningenstelsel uitgebreid zijn beschreven in de plantoelichting. Bovendien is van belang dat normaal onderhoud en beheer niet aanlegvergunningplichtig is.

Toepasselijke planvoorschriften

2.11.13.4.    Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder 8, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) op en in de in de navolgende tabel aangegeven gronden uit te voeren: het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen en heesters, inclusief fruitteelt en het aanplanten en vervangen van windsingels.

2.11.13.5.    Ingevolge artikel 20, derde lid, van de voorschriften zijn de werken en werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid, slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer waarden of functies van de in het eerste lid bedoelde gronden, die het plan beoogt te beschermen:

a. niet onevenredig worden kunnen worden aangetast,

b. de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, dan wel

c. weliswaar worden aangetast, maar die aantasting in voldoende mate wordt gecompenseerd overeenkomstig ter zake tussen, in ieder geval, aanvrager en burgemeester en wethouders vastgelegde afspraken, waarbij met name de door de provincie ter zake vastgestelde richtlijnen in acht worden genomen.

2.11.13.6.    Ingevolge artikel 20, vierde lid, van de planvoorschriften zijn werken en werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid, onder 8, slechts toelaatbaar:

1. op ten minste 50 meter afstand van enige woning gelegen binnen de op de plankaart als "kernrandzone" aangeduide zone, dan wel buiten het plangebied,

2. op ten minste 30 meter afstand van enige woning, gelegen elders dan bedoeld onder 1,

onder welke woningen niet is begrepen de bedrijfswoning behorende bij het bedrijf waarvoor de aanlegvergunning wordt aangevraagd.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.13.7.    Gelet op hetgeen is overwogen in overweging 2.11.12.6. komen de toegekende aanduidingen voor landschaps- en natuurwaarden overeen met de bestaande onderliggende waarden in het plangebied. Gelet hierop is het in het plan opgenomen aanlegvergunningenstelsel, gelet op deze waarden, niet zonder noodzaak. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat normaal onderhoud en beheer zijn uitgezonderd van het vereiste van een aanlegvergunning. Voorts bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat onduidelijk is onder welke voorwaarden de aanlegvergunning verleend zal worden. Wat betreft artikel 20, vierde lid, van de planvoorschriften overweegt de Afdeling dat, afgezien van de vraag of de aan te houden afstanden tot woningen in verband met de uitoefening van milieubelastende activiteiten ook elders zijn geregeld, hindercirkels planologisch relevant zijn. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met het bestreden voorschrift.

De aanduidingen "natuurontwikkelingsgebied" alsmede de "ecologische verbindingszones" (artikel 22 eerste lid, alsmede artikel 22, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften)

Het standpunt van appellante

2.11.14.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het op de Natuurontwikkelingskaart aangewezen "natuurontwikkelingsgebied" en de "ecologische verbindingszone" voor zover deze betrekking hebben op het gebied langs de Kromme Rijn en de Caspargauwse Wetering alsmede delen van beide oevers van het Amsterdam Rijnkanaal. Appellante betoogt dat de aanduiding van deze gebieden in het plan niet overeenstemt met het Natuurgebiedsplan Kromme Rijn. In dit verband voert appellante aan dat alleen de gebieden die in dit Natuurgebiedsplan als zodanig zijn aangewezen in aanmerking komen als nieuwe natuur. Voorts voert appellante aan dat de voorwaarde zoals opgenomen in artikel 22, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften ten onrechte te vrijblijvend is.

Het standpunt van verweerder

2.11.14.1.    Verweerder stelt dat de ecologische verbindingszone langs de Kromme Rijn in overeenstemming is met de streekplankaart "gebieden binnen groene contouren". Alleen de zone langs de zuidzijde van het Amsterdam Rijnkanaal is niet als zodanig aangewezen op de streekplankaart, maar verweerder stelt dat het de gemeenteraad vrij staat om meer zones voor een bestemmingswijziging in aanmerking te laten komen. Hierbij acht verweerder van belang dat een dergelijke bestemmingswijziging de eigenaar van de gronden niet kan worden opgedrongen en ook overigens met de nodige waarborgen is omgeven.

Vaststelling van de feiten

2.11.14.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.14.3.    In het deskundigenbericht wordt vermeld dat de ecologische verbindingszone langs de Kromme Rijn en de Caspargauwse wetering ontbreekt in het Natuurgebiedsplan Kromme Rijn, zoals dat is vastgesteld op 1 februari 2001, maar dat deze gebieden wel corresponderen met de kaart "gebieden binnen groene contouren" behorende bij het streekplan.

Toepasselijke planvoorschriften

2.11.14.4.    Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming van de gronden, die op de ontwikkelingskaart zijn aangeduid als "natuurontwikkelingsgebied" of "ecologische verbindingszone" te wijzigen in de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden", "Natuurgebied" of "Bos met natuurwaarden".

2.11.14.5.    Ingevolge artikel 22, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd onder bepaalde voorwaarden een bouwvlak met een agrarische bestemming (A, AL, of ALN) te wijzigen in de bestemming "Wonen" met inachtneming van onder meer de volgende bepaling:

- de agrarische bedrijfsvoering en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing mogen door de wijziging niet onevenredig worden aangetast, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met de milieuaspecten, zoals geurcirkels en spuitvrije zones.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.14.6.    Gelet op overweging 2.11.14.3. heeft verweerder de aanduiding als "ecologische verbindingzone" van de Kromme Rijn en de Caspargauwse wetering in redelijkheid kunnen goedkeuren. Ter zitting is gebleken dat de ecologische verbindingszone langs het Amsterdam Rijnkanaal binnen het plangebied aansluit op gronden buiten het plangebied. Gelet op de voorwaarden die aan de bestemmingswijziging zijn verbonden heeft verweerder in redelijkheid met de aanduiding "ecologische verbindingszone" langs het Amsterdam Rijnkanaal kunnen instemmen. Ten slotte is niet gebleken dat artikel 22, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften onvoldoende rekening houdt met de belangen van de omliggende agrarische bedrijven.

De aanduiding "kernrandzone"

Het standpunt van appellante

2.11.15.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "kernrandzone". Appellante betoogt dat de breedte van de kernrandzone overal ongeveer 200 meter bedraagt terwijl onduidelijk is waarop dit is gebaseerd. Bovendien acht appellante een kernrandzone ter waarborging van een goed leefmilieu niet nodig nu in andere regelgeving reeds zoneringen zijn opgenomen.

Het standpunt van verweerder

2.11.15.1.    Verweerder acht het niet onredelijk dat de gemeenteraad binnen deze zone nieuwvestiging van bedrijven verbiedt om situaties die milieubelastend zouden kunnen zijn te voorkomen.

Vaststelling van de feiten

2.11.15.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.15.3.    In de plantoelichting is op pagina 81 vermeld dat in een strook van ongeveer 200 meter langs de kernranden van de dorpen het wenselijk is de toename van de agrarische bedrijvigheid af te remmen en rekening te houden met de belangen van de woonbebouwing. De breedte van deze zone is gebaseerd op de afstandstabel uit de brochure Veehouderij en Hinderwet.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.15.4.    Gelet op overweging 2.11.15.3. kan de Afdeling appellante niet volgen in haar stelling dat de omvang van de kernrandzone onvoldoende is onderbouwd. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder goedkeuring aan de zone had moeten onthouden vanwege het feit dat in andere regelingen eveneens een zonering voor milieubelastende activiteiten is opgenomen.

Eindconclusie beroep GLTO voor zover ontvankelijk voor het overige

2.11.16.    Behoudens hetgeen is overwogen in overweging 2.11.10.3. heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen de GLTO heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre en voor het overige terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van de GLTO is, voor zover ontvankelijk, voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

Ontvankelijkheid beroep [appellant sub 7]

2.12.    Verweerder en de gemeenteraad betwisten de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 7] nu deze appellant geen bedenkingen tegen het plan heeft ingebracht.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tegen het plan tijdig bedenkingen heeft ingebracht bij het college van gedeputeerde staten.

   Dit is slechts anders voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest bedenkingen in te brengen.

Appellant heeft aangevoerd dat in de nota van zienswijzen behorende bij het bestemmingsplan is vermeld dat aan zijn zienswijze is tegemoetgekomen. Deze zienswijze had betrekking op zijn eigen percelen aan de [locatie 7]. Volgens hem bestond geen aanleiding voor de verwachting dat de gemeenteraad tevens de bestemming van het perceel [locatie 8] gewijzigd zou vaststellen. Ook uit het ter inzage gelegde overzicht van wijzigingen die bij de vaststelling in het plan zijn aangebracht, kon hij niet afleiden dat de bestemming van het perceel [locatie 8] was gewijzigd.

De Afdeling stelt vast dat in de publicatie wordt verwezen naar het ter inzage gelegde overzicht van de wijzigingen in de planvoorschriften en de plankaart. Voorts stelt de Afdeling vast dat het genoemde overzicht van wijzigingen slechts ziet op wijzigingen in de planvoorschriften en niet op wijzigingen die alleen op de plankaart zijn aangebracht. In de beantwoording van de zienswijze van appellant in de nota van zienswijzen staat: "Woonbestemming. Zienswijze geeft aanleiding tot wijziging: erf vergroten conform wens. De zienswijze is gegrond; de plankaart is aangepast." Hieruit is op geen enkele manier af te leiden dat op de plankaart een groter deel is gewijzigd dan waarom appellant had verzocht, te weten ook een deel dat ziet op het perceel [locatie 8]. Evenmin volgt dit uit het raadsvoorstel tot vaststelling van het plan zelf of één van de andere bijlagen daarbij. Gelet op deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat appellant heeft aangetoond dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest bedenkingen in te brengen. Het beroep van [appellant sub 7] is derhalve ontvankelijk.

Het standpunt van appellant

2.12.1.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op een gedeelte van het perceel [locatie 8]. Hij voert hiertoe aan dat de gemeenteraad bij de aanpassing van de plankaart voor zijn perceel, [locatie 7], tevens een als weiland in gebruik zijnd gedeelte van het perceel [locatie 8] een woonbestemming heeft gegeven. Zijn zienswijze, die is gehonoreerd, had hierop geen betrekking. De wijziging is niet toegelicht of in het voorstel aan de gemeenteraad verantwoord. Door deze wijziging kan er op het genoemde perceelsgedeelte een woning worden gebouwd. Appellant stelt dat hierdoor een vermindering van zijn woongenot zal optreden vanwege het wegnemen van het onbelemmerd uitzicht vanuit zijn woning. Tevens is deze bouwmogelijkheid in strijd met het tot dan toe geldende beleid voor het perceel [locatie 8].

Het standpunt van verweerder

2.12.2.     Verweerder heeft geen reden gezien zich over de wijziging uit te spreken, aangezien bij hem geen bedenking ter zake was ingediend.

Vaststelling van de feiten

2.12.3.    De Afdeling gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.12.4.    Appellant heeft naar aanleiding van het ontwerpplan een zienswijze ingediend. Daarin heeft hij verzocht het erf van [locatie 7], dat op de plankaart stond aangegeven als weiland, weer als erf op te nemen. Het gedeelte waarop zijn verzoek betrekking heeft, heeft hij op een kopie van het desbetreffende deel van de plankaart aangegeven.

2.12.5.    In de nota van zienswijzen, een bijlage bij het voorstel van het college van burgemeester en wethouders voor de vaststelling van het plan, staat dat naar aanleiding van de zienswijze het erf vergroot is conform de wens en dat de plankaart is aangepast. De gewijzigde plankaart is vervolgens door de gemeenteraad vastgesteld.

2.12.6.    In zijn reactie op het beroep van appellant stelt het college van burgemeester en wethouders dat het plan is gecorrigeerd en het bestemmingsvlak "Wonen" in overeenstemming is gebracht met het gebruik van het perceel. Dit is niet in overeenstemming met de wens van appellant gebeurd, volgens het college, omdat het gebruik van het perceel bepalend is geweest voor de aanpassing.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.7.    De Afdeling stelt vast dat de plankaart voor het perceel [locatie 7] naar aanleiding van de zienswijze van appellant is gewijzigd. Tevens is de plankaart voor het perceel [locatie 8] gewijzigd, echter zonder dat de zienswijzen daartoe aanleiding gaven. Voorts is niet gebleken van enige ambtshalve overweging in het raadsvoorstel die aanleiding heeft gegeven voor de desbetreffende wijziging van de plankaart. Gelet hierop was de wijziging van de plankaart voor [locatie 8] voor appellant noch voor de gemeenteraad kenbaar. Niettemin heeft de gemeenteraad de plankaart met deze wijziging vastgesteld. Hieruit volgt dat aan de gewijzigde vaststelling van het plan voor het perceel [locatie 8] geen kenbare belangenafweging ten grondslag ligt. Een dergelijke belangenafweging had naar het oordeel van de Afdeling niet achterwege mogen worden gelaten aangezien de belangen van appellant betrokken hadden moeten worden bij de uitbreiding van de woonbestemming voor het in de directe nabijheid van zijn perceel gelegen perceel [locatie 8]. Verweerder heeft dit miskend.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 7] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 8] zoals dat is aangegeven op de bij de uitspraak behorende kaart 2.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan voornoemd plandeel.

Het beroep van [appellanten sub 8]

Het standpunt van appellanten

2.13.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen" met de aanduiding "MIP" voor zover dit betrekking heeft op het perceel [locatie 9] en [locatie 10]. Appellanten wensen de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "MIP" en "2 (maximum aantal woningen)". Zij voeren hiertoe aan dat de bouwvergunning indertijd niet slechts zag op een interne verbouwing, maar op splitsing van de woning [locatie 9]. Voorts beroepen appellanten zich op het gelijkheidsbeginsel waarbij zij wijzen op het perceel [locatie 11] waaraan wel de bestemming "Wonen" met de aanduiding "2" is toegekend. Verder voeren appellanten aan dat de door hen gewenste bestemming was opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan en dat deze in het ontwerpbestemmingsplan ten onrechte is gewijzigd naar aanleiding van het besluit tot afwijzing van het verzoek tot splitsing van het perceel [locatie 9] en [locatie 10]. Ten slotte hebben appellanten verzocht om schadevergoeding.

Het standpunt van verweerder

2.13.1.    Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het in zoverre goedgekeurd. Hiertoe voert verweerder aan dat de bouwvergunning waarop appellanten zich beroepen, uitsluitend zag op een interne verbouwing en niet op een splitsing in twee afzonderlijke woningen. Anders dan in het bestreden besluit heeft verweerder zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat aan de woning van appellanten weliswaar de aanduiding "MIP" is toegekend, maar dat dit niet betekent dat sprake is van gelijke gevallen, die gelijk behandeld zouden moeten worden. De woning van appellanten kan volgens verweerder namelijk niet worden aangemerkt als een voormalige boerderij met een aangebouwde deel waarvoor de Handleiding de mogelijkheid biedt deze in meerdere wooneenheden te splitsen.

Vaststelling van de feiten

2.13.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.13.3.    Op 20 december 1988 heeft het college van burgemeester en wethouders aan [een der appellanten sub 8] een bouwvergunning verleend ten behoeve van het uitbreiden van de woning [locatie 9].

Omstreeks 1990 hebben de [partij E] de ene helft van het pand met de uitbreiding gekocht, terwijl [een der appellanten sub 8] de andere helft van het pand [locatie 9] en [locatie 10] heeft gekocht.

2.13.4.    In het voorontwerpbestemmingsplan dat op 4 oktober 2001 ter inzage is gelegd is het perceel [locatie 9] en [locatie 10] bestemd als "Wonen" met de aanduidingen "2 (maximum aantal woningen)" en "MIP" (Monumenten Inventarisatie Project).

   Op advies van het gemeentebestuur hebben [partij E] in januari 2002 een verzoek gedaan tot splitsing van het perceel [locatie 9] en [locatie 10] in twee afzonderlijke woningen, welk verzoek bij besluit van 20 juni 2002 is afgewezen. In dit besluit deelt het college van burgemeester en wethouders tevens mede dat het ontwerpbestemmingsplan zal worden aangepast aan het besluit van 20 juni 2002.

   Inzake het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift heeft de commissie van bezwaar en beroepschriften advies uitgebracht. In dit advies is onder meer het volgende vermeld:

"Gelet op hetgeen reclamanten naar voren hebben gebracht, vindt de commissie tenslotte aanleiding om aandacht te vragen voor de aan de orde zijnde situatie en pleit voor een expliciete beoordeling van het verzoek om woningsplitsing in het kader van de beleidsontwikkeling voor het buitengebied. Temeer omdat twee zelfstandige woningen op het perceel Wijkersloot waren opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan voor het buitengebied en de commissie zich niet aan de indruk kan onttrekken dat deze situatie zou zijn opgenomen dan wel zou zijn gehandhaafd in een vastgesteld bestemmingsplan als geen verzoek om vrijstelling zou zijn ingediend".

2.13.5.    In het deskundigenbericht is vermeld dat van de zijde van de gemeenteraad is medegedeeld dat hij zich niet zal verzetten tegen de conclusie dat het voor het perceel [locatie 9] en [locatie 10] gaat om een dubbele woning.

Het oordeel van de Afdeling

2.13.6.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de gemeenteraad gedurende de planprocedure zijn standpunt omtrent de planologische aanvaardbaarheid van de dubbele woning aan [locatie 9] en [locatie 10] diverse malen heeft gewijzigd. Ten tijde van het voorontwerp van het bestemmingsplan was immers de dubbele woning nog als zodanig bestemd, hetgeen als gevolg van een afwijzende beslissing op het, op verzoek van het gemeentebestuur, ingediende verzoek om splitsing, ten nadele van appellanten werd gewijzigd in het ontwerpbestemmingsplan. Blijkens overweging 2.13.5. stelde de gemeenteraad zich ten tijde van het onderzoek door de deskundige wederom op een ander standpunt hetgeen ter zitting leidde tot de stelling van de gemeenteraad dat hij bereid is een nieuw verzoek om splitsing voor het perceel [locatie 9] en [locatie 10] in overweging te nemen.

De Afdeling is van oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan wat betreft perceel [locatie 9] en [locatie 10] niet op voldoende onderzoek is gebaseerd en derhalve onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder is door appellanten in de bedenkingen en op de hoorzitting op deze gang van zaken gewezen maar heeft dit bezwaar, naar het oordeel van de Afdeling, ten onrechte niet voldoende onderzocht.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellanten sub 8] is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Wonen" met de aanduiding "MIP" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 9] en [locatie 10].

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van appellanten geen bespreking meer.

2.13.7.     Appellanten hebben op grond van artikel 8:73 van de Awb om schadevergoeding verzocht. Uit de stukken blijkt dat het verzoek betrekking heeft op de in beroep gemaakte proceskosten, de kosten voor het indienen van zienswijzen en bedenkingen alsmede de kosten die verband houden met het indienen van het verzoek om woningsplitsing.

   Ten aanzien van de in beroep gemaakte proceskosten overweegt de Afdeling dat deze kosten niet op grond van artikel 8:73 van de Awb, maar op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen. De Afdeling verwijst in dit verband naar overweging 2.17.1..

Het verzoek komt in zoverre dan ook niet voor inwilliging in aanmerking.

   De Afdeling overweegt dat de kosten die een inbrenger van zienswijzen en bedenkingen maakt ter zake van een bestemmingsplan, in de regel voor zijn of haar rekening blijven. Slechts in bijzondere gevallen komen deze voor vergoeding krachtens artikel 8:73 van de Awb in aanmerking.

De Afdeling is in dit geval niet gebleken van een bijzonder geval als hier bedoeld. Het verzoek om schadevergoeding komt dan ook voor het overige niet voor inwilliging in aanmerking.

   Op het verzoek om vergoeding van de in verband met het verzoek om woningsplitsing gemaakte kosten kan niet worden ingegaan, nu dit een andere procedure dan onderhavige betreft.

Het beroep van [appellant sub 9] voor zover ontvankelijk

Het standpunt van appellant

2.14.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel  met de bestemming "Bedrijven" dat betrekking heeft op het perceel Langbroekerdijk B3, dat ligt naast zijn woning. Hij voert hiertoe aan dat anders dan verweerder heeft gesteld, het bedrijf dat op dat perceel is gevestigd, nog wel een uitbreidingsmogelijkheid heeft. Voorts is er ten onrechte geen planologische afweging geweest, terwijl het bedrijf is gevestigd in een deel van het buitengebied dat de aanduiding "stiltegebied" heeft en het zeer dicht bij zijn woning ligt. Ten slotte voert appellant aan dat  verweerder niet is ingegaan op zijn bezwaren omtrent de vergroting van het bestemmingsvlak en artikel 4, eerste lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften betreffende de afstand tot de wederzijdse perceelsgrens. Appellant stelt in dit verband dat de vergroting van het bestemmingsvlak leidt tot aantasting van de landschappelijke waarden. Wat betreft de afstand tot de wederzijdse perceelsgrens stelt appellant dat ter waarborging van de doorzichten voor alle gebouwen een minimale afstand dient te gelden.      

Het standpunt van verweerder

2.14.1.    Verweerder heeft het genoemde plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij heeft overwogen dat het om een bestaand legaal loonbedrijf gaat, dat een aan het agrarisch gebied gebonden bedrijf is. Het niet als zodanig bestemmen van het bedrijf ligt derhalve niet in de rede. Niet gebleken is dat eventuele overlast niet via de milieuvergunning beheersbaar kan blijven. De gemeenteraad heeft de uitbreidingsmogelijkheden beperkt tot de in het voorgaande plan mogelijk gemaakte oppervlakte. Wat betreft de bouwvoorschriften ziet verweerder volgens zijn verweerschrift geen reden om aan een onderdeel daarvan goedkeuring te onthouden of voor het genoemde perceel een aparte regeling voor te schrijven.

Vaststelling van de feiten

2.14.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.14.3.    Het perceel aan de Langbroekerdijk B3 heeft de bestemming "Bedrijven" met het volgnummer 27. Er is een loonbedrijf gevestigd. Het perceel is ongeveer 25 meter breed en 185 meter diep. Het bestemmingsvlak is ongeveer 1.000 m2.

2.14.4.    De gemeenteraad heeft gesteld dat het bedrijf op grond van het voorgaande plan uitbreidingsmogelijkheden had en dat op grond van dat plan bouwvergunningen voor uitbreiding zijn verleend. Bij het bepalen van de toegestane oppervlakte van de gebouwen is rekening gehouden met de maximale mogelijkheden die het voorgaande plan bood, doch meer uitbreiding is niet toegestaan. Waar is geconstateerd dat niet in overeenstemming met de bouwvergunningen is gebouwd, zal de gemeente handhavend optreden.

2.14.5.    In het deskundigenbericht is vermeld dat de oppervlakte van de gebouwen op het perceel na de realisering van de jongste uitbreiding 1.503 m2 bedraagt.

Toepasselijke planvoorschriften

2.14.6.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften mag de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedragen dan 3 meter, tenzij twee hoofdgebouwen in de gezamenlijke zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd.    

2.14.7.    Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften in samenhang met de bij dat artikellid behorende Tabel Overzicht bedrijfsbestemmingen, is het perceel bestemd voor een loonwerkbedrijf. De oppervlakte van de gebouwen is volgens de tabel 1.581 m2 en de maximale uitbreiding 0 m2.

   Ingevolge artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften gelden voor het bouwen van gebouwen op de als "Bedrijven" aangewezen gronden de volgende bepalingen:

b. de oppervlakte van gebouwen mag binnen elk bestemmingsvlak met op de plankaart een volgnummer als bedoeld in de tabel in het eerste lid, niet meer bedragen dan de som van de oppervlakten die in de kolommen "bestaande oppervlakte gebouwen" en "maximale uitbreidingsmogelijkheid" bij het desbetreffende volgnummer in de tabel zijn vermeld.

Het oordeel van de Afdeling

2.14.8.    Gelet op het verhandelde ter zitting richt het beroep van appellant zich niet tegen de bestemming van het perceel Langbroekerdijk B3 maar uitsluitend tegen de daaraan toegekende bouwmogelijkheden.

   Uit overweging 2.14.5. in samenhang met overweging 2.14.7. volgt dat het op Langbroekerdijk B3 gevestigde bedrijf nog 78 m2 uitbreidingsruimte heeft. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat aan het betreffende bedrijf geen uitbreidingsmogelijkheden zijn toegekend. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 9] is, voor zover ontvankelijk, in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd voor zover het betreft de goedkeuring van de oppervlakte gebouwen van "1.581 m2" betreffende het loonwerkbedrijf aan de Langbroekerdijk B3 in de Tabel Overzicht bedrijfsbestemmingen behorende bij artikel 14, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften.

   De Afdeling stelt voorts vast dat verweerder in zijn besluit niet is ingegaan op de bezwaren van appellant betreffende de omvang van het bestemmingsvlak en artikel 4, eerste lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften. Ook anderszins is niet ingegaan op deze bedenkingen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 9] is, voor zover ontvankelijk, voor het overige gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven" dat betrekking heeft op het perceel Langbroekerdijk B3.

Het beroep van [appellant sub 11A] voor zover ontvankelijk

Het standpunt van appellant

2.15.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op zijn perceel aan de [locatie 12]. Appellant voert aan dat de bebouwing op het perceel in gebruik is als bedrijfswoning, als bedrijfsbebouwing voor opslag en als kantoorgebouw. Hij is van mening dat een bestemming die overeenkomt met de feitelijke situatie aan het perceel dient te worden toegekend en dat de bebouwing niet voor het grootste deel onder het overgangsrecht mag worden gebracht. Voor de bouw en verbouw van de bedrijfspanden is in het verleden een vergunning verstrekt. Voorts wijst hij op het provinciale beleid inzake vrijkomende agrarische bebouwing.

Het standpunt van verweerder

2.15.1.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Op basis van de in het verleden verleende vergunning heeft appellant volgens verweerder alleen toestemming voor een kantoor aan huis met een oppervlakte van minder dan 50 m2, hetgeen past binnen de woonbestemming. Voor andere activiteiten is geen vergunning verleend, zodat voor een bedrijfsbestemming geen reden is. De provinciale regeling voor een functieverandering van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen maakt het huidige gebruik niet zonder meer mogelijk. Voorts dient een dergelijke functieverandering gepaard te gaan met gedeeltelijke sloop van de bedrijfsbebouwing, hetgeen niet heeft plaatsgehad.

Vaststelling van de feiten

2.15.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.15.3.    Het perceel aan de [locatie 12] heeft, voor zover hier van belang, onder meer de bestemming "Wonen". Op het perceelsgedeelte met de bestemming "Wonen" staat behalve de woning een kantoor- en opslagruimte met een grondoppervlakte van 70m2 en een opslagruimte voor zogenoemde stille opslag ten behoeve van de oliehandel van appellant ter grootte van ruim 500 m2. Voor beide gebouwen is in het verleden een bouwvergunning verleend. Tevens staan op dit perceelsgedeelte nog een tot schuur verbouwde hooiberg met een oppervlakte van 100 m2 en een andere schuur met een oppervlakte van 80 m2.

2.15.4.    De gemeenteraad heeft gesteld dat slechts toestemming is verleend voor de bouw van kantoorruimte aan huis met een oppervlakte kleiner dan 50 m2. Voor het huidige gebruik en de omvang van de bedrijfsgebouwen dienen de noodzakelijke vergunningen en vrijstellingen te worden gevraagd. Indien de huidige activiteiten niet binnen het gemeentelijke en provinciale beleid passen, zal het gemeentebestuur handhavend optreden.

2.15.5.    In het deskundigenbericht is vermeld dat het kantoor alsmede de loods worden gebruikt ten behoeve van de bedrijven van appellant.

Toepasselijke planvoorschriften

2.15.6.    Ingevolge artikel 13, vierde lid, onder c, van de planvoorschriften mag de gezamenlijke oppervlakte van bij eenzelfde woning behorende bouwvergunningplichtige bijgebouwen en aan- of uitbouwen niet meer dan 50 m2 bedragen.

   Ingevolge artikel 13, zevende lid, onder a, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd, op grond van artikel 15 van de WRO, vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het vierde lid, onder c, voor het toestaan van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen en aan- of uitbouwen tot een maximum van 75 m2, ten behoeve van een aan huis gebonden beroep.

   Ingevolge artikel 13, achtste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd, op grond van artikel 15 van de WRO, vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid, ten behoeve van  het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten aan huis in woningen, bijgebouwen en aan- of uitbouwen, mits, voor zover hier van belang, de gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsactiviteiten binnen een woning en de daarbij behorende bijgebouwen en aan- of uitbouwen niet meer bedraagt dan 250 m2, waarvan maximaal 75 m2 ten behoeve van kantoorruimte, binnen voormalige bedrijfsbebouwing indien er eerder sprake is geweest van agrarische bedrijfsbeëindiging, met dien verstande dat dan de rest van de voormalige bedrijfsbebouwing tegelijkertijd wordt gesloopt.

   Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan legaal is en dat afwijkt van het plan, mits de bestaande afwijkingen ook naar hun aard niet worden vergroot:

a. slechts gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. uitsluitend indien het bouwwerk door een calamiteit teniet is gegaan, geheel worden vernieuwd;

c. tot niet meer dan 110% van de oppervlakte c.q. inhoud van het in de aanhef bedoelde bouwwerk worden uitgebreid.

Ingevolge artikel 23, tweede lid, van de planvoorschriften mag het gebruik van grond en opstallen, strijdig met het plan op het tijdstip dat het plan onherroepelijk wordt, worden gehandhaafd, tenzij burgemeester en wethouders vóór dat tijdstip op de gebruikelijke wijze aan overtreder kenbaar hebben gemaakt dat sprake is van een strijdig gebruik en dat ze niet berusten in de voortzetting daarvan.

Het oordeel van de Afdeling

2.15.7.    De Afdeling stelt voorop dat de kantoorruimte, de opslagloods alsmede de twee schuren de maximale toegestane oppervlakte aan bijgebouwen bij de bestemming "Wonen" overschrijden en derhalve onder het overgangsrecht vallen. Zoals in overweging 2.15.3. is vermeld zijn voor zowel de opslagloods als de kantoorruimte bouwvergunningen verleend. Het bedrijfsmatige gebruik dat van deze gebouwen wordt gemaakt is in overeenstemming met het doel waarvoor de gebouwen blijkens de bouwvergunningen mochten worden opgericht en is derhalve eveneens legaal. Van de overige twee schuren is echter uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting gebleken welke status deze schuren hadden onder het voorgaande plan en welk gebruik er thans van deze schuren wordt gemaakt.

De Afdeling overweegt dat bestaand legaal gebruik in het algemeen dienovereenkomstig dient te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt. Ter zitting is komen vast te staan dat wat betreft de opslagloods en de kantoorruimte niet aannemelijk is dat deze binnen afzienbare tijd zullen worden gesloopt. Derhalve is eveneens niet aannemelijk dat de woonbestemming binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt. Gelet hierop hadden deze gebouwen niet onder het overgangsrecht mogen worden gebracht. Verweerder heeft dit miskend. De Afdeling overweegt voorts dat bij een nieuw op te stellen planologische regeling voor de opslagloods en de kantoorruimte tevens nader onderzoek dient te worden verricht naar de overige twee schuren alvorens een bestemming voor het betreffende perceel wordt vastgesteld.

2.15.8.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 11A] is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 12].

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het genoemde plandeel.

Het beroep van [appellant sub 12] en [appellant sub 13]

Het standpunt van appellanten

2.16.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" met de aanduidingen "open landschap", "waterrijke natuur/kwelvegetatie", "karakteristiek verkavelingspatroon (copeverkaveling)" en "zandpaden", dat betrekking heeft op het perceel Langbroekerdijk B22. Appellanten willen meer mogelijkheden voor de vestiging van niet direct aan het agrarisch bedrijf gebonden bedrijfsmatige activiteiten. Daarbij voeren zij aan dat inmiddels een nieuw streekplan van kracht is geworden, waarin volgens verweerder sprake is van een versoepeling op dit punt. Zij achten het onzorgvuldig dat verweerder hiermee geen rekening heeft gehouden bij de goedkeuring van het plan. Voorts achten zij geen rechtvaardiging aanwezig voor het verschil in het plan in gebruiksmogelijkheden van agrarische opstallen bij volledige bedrijfsbeëindiging en bij gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging.

Het standpunt van verweerder

2.16.1.    Verweerder heeft het plandeel in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het in zoverre goedgekeurd. De in het plan gemaakte keuze om geen ruimte te bieden voor de vestiging van niet aan het agrarisch bedrijf gebonden bedrijfsmatige activiteiten is in overeenstemming met de Handleiding. Het nieuwe streekplan dat recent is vastgesteld, geeft wat meer mogelijkheden, doch de gemeenteraad kon daarmee bij de vaststelling van het plan nog geen rekening houden. Bovendien legt het streekplan dit beleid niet dwingend op. De rechtvaardiging voor het verschil met gebruiksmogelijkheden na algehele bedrijfsbeëindiging ligt volgens verweerder in de tegenprestatie die in dat geval wordt verlangd in de vorm van sloop van een belangrijk deel van de niet meer gebruikte bedrijfsgebouwen. Verweerder wijst op de in het plan genoemde mogelijkheden voor activiteiten in de vorm van verbrede landbouw.

Vaststelling van de feiten

2.16.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.16.3.    [appellant sub 13] exploiteert ter plaatse een agrarisch bedrijf. In één van de twee niet meer voor het bedrijf in gebruik zijnde schuren had [appellant sub 12] een kleinschalig bedrijf in keukens en restauratie van oude boerderijen. Inmiddels heeft hij zijn bedrijf verplaatst. [appellant sub 13] wil de leegstaande schuren voor andere dan agrarische en daarmee verwante bedrijfsactiviteiten kunnen verhuren.

2.16.4.    De gemeenteraad wil het gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen voor aan het buitengebied gerelateerde activiteiten via vrijstelling toestaan, zolang het een ondergeschikte activiteit betreft. Het gaat daarbij vooral om recreatieve diensten en het op beperkte schaal verstrekken van drank en voedsel aan derden. Daarvoor is een regeling in de planvoorschriften opgenomen. De vestiging van andere niet-agrarische nevenfuncties wil de gemeenteraad niet toestaan. Het nieuwe streekplan geeft de gemeenteraad geen aanleiding dit beleid aan te passen.

Toepasselijke planvoorschriften

2.16.5.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" aangewezen gronden bestemd voor onder meer de bedrijfsuitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven en niet-grondgebonden agrarische bedrijven voor zover deze bestaan op het moment van onherroepelijk worden van de goedkeuring van het plan.

   Ingevolge artikel 7, zevende lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1, ten behoeve van het gebruiken van bestaande agrarische bedrijfsgebouwen binnen een bouwvlak waar sprake is van agrarische bedrijvigheid als hoofdactiviteit, voor onder meer het volgende niet-agrarische gebruik, uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit:

a. stalling en opslag van caravans, campers, boten en andere goederen, die geen wezenlijk nadelige gevolgen kunnen hebben voor de omgeving;

Het oordeel van de Afdeling

2.16.6.    De gemeenteraad heeft ervoor gekozen in het plangebied geen nieuwe niet-agrarische bedrijven toe te staan. Bestaande bedrijven hebben een maatbestemming gekregen. Agrariërs hebben volgens het plan verschillende mogelijkheden om nevenactiviteiten te starten, doch geen bedrijfsactiviteiten die functioneel niet aan het buitengebied zijn gebonden, behoudens opslag. Weliswaar biedt dit gemeentelijke beleid minder mogelijkheden voor de vestiging van niet aan het agrarische bedrijf gebonden bedrijfsmatige activiteiten dan het streekplan, maar nu dit beleid past binnen het streekplanbeleid heeft verweerder terecht de vrijheid van de gemeenteraad bij het vaststellen van bestemmingen en voorschriften voor haar gronden gerespecteerd.

2.16.7.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht in zoverre goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen van [appellant sub 12] en [appellant sub 13] zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.17.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 1], [appellant sub 5], [appellant sub 10A] en anderen, [appellant sub 9] en [appellant sub 11A] te worden veroordeeld.

Van proceskosten van de Natuur en Milieufederatie, de GLTO en [appellant sub 7], die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Voor een proceskostenveroordeling voor [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 12] en [appellant sub 13] bestaat geen aanleiding.

2.17.1.    Ten aanzien van het verzoek van [appellanten sub 8] om vergoeding van de gemaakte proceskosten in beroep alsmede de gemaakte kosten in verband met het verzoek om woningsplitsing overweegt de Afdeling het volgende.

   Ingevolge artikel 8:75 Awb en het daarop gebaseerde Besluit proceskosten bestuursrecht komen niet de werkelijk gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking, maar kan uitsluitend een forfaitaire vergoeding voor de in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen kostenposten worden toegekend. Verweerder dient dan ook op na te melden wijze in de proceskosten van [appellanten sub 8] te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van de GLTO voor zover het betreft artikel 6, twaalfde lid, aanhef en onder a, en artikel 7, tiende lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften en de bij artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften behorende tabel, het beroep van [appellant sub 9], voor zover het betreft artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften en het beroep van [appellant sub 11A] voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" met de aanduidingen "halfopen landschap" en "karakteristiek verkavelingspatroon (copeverkaveling)" voor zover dat betrekking heeft op het perceel [locatie 12] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 10A] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 10A], [appellant sub 10B] en [appellant sub 10G], [appellant sub 5], [appellant sub 7] en [appellanten sub 8] geheel, en de beroepen van [appellant sub 9], [appellant sub 11A], [appellant sub 1], de Natuur en Milieufederatie en de GLTO gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 21 juni 2005, no. 2005REG001695i voor zover het betreft de goedkeuring van:

a.    het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" met de aanduiding "open landschap" en "waterrijke natuur/kwelvegetatie", zoals aangegeven op de bij de uitspraak behorende kaart 1,

b.     de beperkingen 1 tot en met 4 in artikel 6, vijftiende lid, onder a, en in artikel 7, twaalfde lid, onder a, van de planvoorschriften;

c.  het plandeel met de bestemming "Water" en de medebestemming "Waterstaatsdoeleinden" met de aanduiding "vogelbeschermingsgebied" voor zover dat betrekking heeft op de ligplaatsen van [appellant sub 10A], [appellant sub 10B] en [appellant sub 10G],

d.    het plandeel met de bestemming "Recreatieve voorzieningen" en de medebestemming "Waterstaatsdoeleinden" en de aanduiding "vogelbeschermingsgebied" voor zover dat betrekking heeft op de ligplaats van [appellant sub 5],

e.    artikel 5, veertiende lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften,

f.    het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 8] zoals dat is aangegeven op de bij de uitspraak behorende kaart 2,

g.    het plandeel met de bestemming "Wonen" met de aanduiding "MIP" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 9] en [locatie 10]

h.    de oppervlakte gebouwen "1581 m2" betreffende het loonwerkbedrijf aan de Langbroekerdijk B3 in de Tabel Overzicht bedrijfsbestemmingen behorende bij artikel 14, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften,

i.    het plandeel met de bestemming "Bedrijven" dat betrekking heeft op het perceel Langbroekerdijk B3,

j.    het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 12];

IV.    wijst het verzoek van [appellanten sub 8] om schadevergoeding af;

V.    onthoudt goedkeuring aan de plandelen genoemd onder III.a, III.b, III.c, III.d, III.f en III.j;

VI.    verleent goedkeuring aan het planvoorschrift genoemd onder III.e;

VII.    bepaalt dat de onderdelen V. en VI. van deze uitspraak in de plaats treden van het besluit voor zover dit op deze onderdelen is vernietigd;

VIII.    verklaart de beroepen van [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 10A] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 10C], [appellant sub 10D], [appellant sub 10E] en [appellant sub 10F] en [appellant sub 10H] en [appellant sub 10I], [appellant sub 12], [appellant sub 13], geheel, en de beroepen van [appellant sub 1], de Natuur en Milieufederatie en de GLTO voor het overige ongegrond;

IX.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van de in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.943,74 (zegge: tweeduizend negenhonderddrieënveertig euro en vierenzeventig cent), waarvan een gedeelte groot € 2.898,00 (zegge: tweeduizend achthonderdachtennegentig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient als volgt door de provincie Utrecht onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald:

- [appellant sub 1]: een bedrag van € 644,00

- [appellant sub 5]: een bedrag van € 322,00

- [appellant sub 10A] en anderen: een bedrag van € 22,37

- [appellanten sub 8]: een bedrag van € 828,37

- [appellant sub 9]: een bedrag van € 805,00

- [appellant sub 11A]: een bedrag van € 322,00

X.    gelast dat de provincie Utrecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 1], € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 5], € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 10A] en anderen, € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor de Natuur en Milieufederatie,  € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor de GLTO, € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 7], € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellanten sub 8] € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 9], en € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor [appellant sub 11A], vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren                w.g. Troost

Voorzitter      ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007

234-461.

kaart 1

kaart 2