Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6861

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
200608303/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een smederij en ambachtencentrum, gelegen op de percelen [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/2774
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608303/2.

Datum uitspraak: 19 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1.    [verzoekers sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2.    [verzoekers sub 2], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een smederij en ambachtencentrum, gelegen op de percelen [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers sub 1 bij brief van 15 november 2006, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op diezelfde dag, en verzoekers sub 2 bij brief van 15 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2006, beroep ingesteld. Verzoekers sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 1 december 2006.

Bij brief van 15 november 2006, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op diezelfde dag, hebben verzoekers sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 15 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2006, hebben verzoekers sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 4 januari 2007, waar verzoekers sub 1, van wie [gemachtigden] in persoon, en verzoekers sub 2, van wie [gemachtigde] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. Exterkate, ambtenaar van de gemeente, en M.M. Cornielje, werkzaam bij het Regionaal Milieubedrijf te Cuijk, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, vertegenwoordigd door drs. ing. C. den Hartog, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

2.3.    De bij het bestreden besluit krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning heeft betrekking op een (professionele) smederij annex staalconstructiebedrijf en een ambachtencentrum met twee houtkachels, een historische smederij en blikslagerij, een authentieke bakoven en een bierbrouwerij met proeflokaal. De gevraagde vergunning is geweigerd voor het geven van 524 demonstraties per jaar met de bakoven en de historische smederij in het ambachtencentrum alsmede voor het gebruik van parkeerplaatsen aan rijroute 1 in de avond- en nachtperiode.

   Voor de inrichting is eerder bij besluit van 25 maart 1991 krachtens de Hinderwet een oprichtingsvergunning verleend voor onder meer een smederij. Verder is bij besluit van 23 augustus 1993 krachtens de Hinderwet een veranderingsvergunning verleend die betrekking heeft op een expositieruimte bij de smederij, een bakhuis en het brouwen van bier.

2.4.    Verzoekers sub 2 voeren aan dat hen ten onrechte niet de gelegenheid is geboden de bedenkingen die zij bij brief van 10 juli 2006 hebben ingebracht tegen het ontwerpbesluit, mondeling toe te lichten.

   Het is de Voorzitter niet gebleken dat verzoekers sub 2 hebben verzocht om een gedachtenwisseling als bedoeld in artikel 3:25 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde. Deze beroepsgrond faalt.

2.5.    Verzoekers sub 1 voeren aan dat verweerder ten onrechte opnieuw op de aanvraag van 21 november 2003 heeft beslist. Vergunninghouder had een nieuwe aanvraag moeten indienen nu de Afdeling in de uitspraak van 16 november 2005, nr. 200409312/1, een eerder op deze aanvraag genomen besluit strekkende tot vergunningverlening heeft vernietigd.

   De Voorzitter overweegt dat het vergunninghouder vrij stond om de aanvraag van 21 november 2003 te handhaven. Verweerder heeft terecht een nieuw besluit genomen op deze aanvraag. Deze beroepsgrond faalt.

2.6.    Verzoekers sub 1 voeren aan dat bij het bestreden besluit ten onrechte een revisievergunning en niet een oprichtingsvergunning is verleend. Volgens hen betreft het een oprichtingssituatie, nu de bij het bestreden besluit verleende vergunning grotendeels ziet op activiteiten waarvoor niet eerder een milieuvergunning is verleend.

   De Voorzitter overweegt - conform bestendige jurisprudentie van de Afdeling - dat de systematiek van de Wet milieubeheer en met name artikel 8.4 zich er niet tegen verzetten dat in een geval als het onderhavige een revisievergunning wordt verleend. Deze beroepsgrond faalt.

2.7.    Verzoekers sub 1 voeren aan dat verweerder meer heeft vergund dan is aangevraagd. Volgens hen is in de aanvraag uitgegaan van slechts 245 demonstraties in het ambachtencentrum per jaar, zodat verweerder bij zijn beoordeling van de aanvraag ten onrechte is uitgegaan van in totaal 1.040 demonstraties per jaar.

   De Voorzitter overweegt dat in de aanvraag en de daarbij behorende stukken weliswaar is vermeld dat het aantal bezoekende groepen per jaar ongeveer 245 bedraagt, maar dat de aanvraag, uitgaande van de aangevraagde openingstijden en het maximale aantal demonstraties per dag, de ruimte biedt voor 1.040 demonstraties per jaar. Door in zijn beoordeling van de aanvraag uit te gaan van dit maximale aantal van 1.040 demonstraties per jaar, heeft verweerder een worst casebenadering gekozen, die onder meer heeft geleid tot een weigering van de vergunning voor zover het 524 demonstraties per jaar betreft. Van grondslagverlating is naar het oordeel van de Voorzitter, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, geen sprake.

2.8.    Verzoekers sub 1 en verzoekers sub 2 voeren verder een groot aantal meer inhoudelijke bezwaren aan. De belangrijkste bezwaren hebben betrekking op geluidhinder, beste beschikbare technieken, luchtkwaliteit en rook- en roethinder en daarmee samenhangende aspecten zoals de gehanteerde uitgangspunten omtrent de branduren van de smidsvuren in het ambachtencentrum. De Voorzitter zal deze gronden in deze volgorde behandelen.

2.9.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.10.    Verzoekers sub 1 en verzoekers sub 2 voeren aan dat moet worden gevreesd voor geluidhinder van het in werking zijn van de inrichting. Hun bezwaren op dit punt hebben betrekking op zowel de toereikendheid als de naleefbaarheid van de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden.

   De Voorzitter stelt vast dat de aspecten waarop de beroepsgronden inzake geluidhinder zien, in de reeds genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 november 2005 naar aanleiding van onder meer de beroepen van verzoekers sub 1 en verzoekers sub 2 tegen het eerder op dezelfde aanvraag genomen besluit van 21 september 2004, zijn behandeld. Verweerder heeft in het bestreden besluit beoogd de in die uitspraak op deze aspecten vastgestelde gebreken aan het besluit van 21 september 2004 te herstellen. De Voorzitter ziet in hetgeen verzoekers sub 1 en verzoekers sub 2 thans hebben aangevoerd, en ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder dit niet op een juiste wijze heeft gedaan. Hij gaat ervan uit dat de beroepsgronden van verzoekers sub 1 en verzoekers sub 2 inzake geluidhinder niet kunnen slagen.

2.11.    Verzoekers sub 1 en verzoekers sub 2 voeren aan dat in de inrichting niet de beste beschikbare technieken worden toegepast, nu het gebruik van rook- en roetfilters niet is voorgeschreven.

   Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de professionele smederij op gangbare wijze wordt gewerkt en dat het aanbrengen van rook- en roetfilters niet mogelijk is. Daartoe baseert hij zich op de ervaringen die er zijn bij andere smederijen. Wat de ambachtelijke processen betreft stelt hij zich, onder verwijzing naar onder meer het deskundigenbericht van 29 april 2005 dat door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening is uitgebracht ten behoeve van de reeds genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 november 2005, op het standpunt dat het aanbrengen van rook- en roetfilters nauwelijks zinvol is. Andere voorzieningen kunnen vanwege het ambachtelijke karakter niet worden toegepast. Verder overweegt hij dat, gelet op de kosten die zijn verbonden aan het treffen van andere niet gangbare voorzieningen en in aanmerking genomen de (geringe) reductie van de emissie die hiermee zou kunnen worden bereikt, van het voorschrijven hiervan moet worden afgezien. Aan de vergunning zijn wel voorschriften verbonden die een betere verbranding tot gevolg moeten hebben, waardoor de emissie van rook en roet uit de inrichting wordt verminderd.

   De Voorzitter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze standpunten onjuist zijn of dat verweerder daar in redelijkheid niet toe heeft kunnen komen. Gelet hierop ziet hij geen aanleiding voor het oordeel dat in de inrichting niet de beste beschikbare technieken zouden worden toegepast.

2.12.    Verzoekers sub 1 en verzoekers sub 2 stellen dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met het Besluit luchtkwaliteit 2005. Verzoekers sub 1 en verzoekers sub 2 voeren aan - kort weergegeven - dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende onderzoeksrapport van 31 mei 2006, nummer 68789.RAP.060531, voor zover dat betrekking heeft op zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide, onduidelijk is en mogelijk op een aantal punten niet voldoet. Verder voeren verzoekers sub 1 aan dat als gevolg van het in werking zijn van de inrichting de concentratie van zwevende deeltjes (PM10) zal toenemen.

   In artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 is, voor zover hier van belang, bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes in acht moeten nemen.

   De Voorzitter overweegt dat uit het onderzoeksrapport blijkt dat het in werking zijn van de inrichting een geringe verslechtering van de luchtkwaliteit met zich brengt. Uit het onderzoeksrapport kan evenwel ook worden opgemaakt dat, rekening houdende met de bijdrage van de inrichting, de jaargemiddelde concentraties van stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) en het aantal overschrijdingsdagen van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10), ver onder de daarvoor op grond van het Besluit luchtkwaliteit 2005 geldende grenswaarden liggen. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat, zelfs al zou het onderzoeksrapport op sommige punten niet duidelijk en onvolledig zijn, wat daarvan ook zij, de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes niet in acht zouden zijn genomen.

2.13.    Verzoekers sub 1 en verzoekers sub 2 stellen dat moet worden gevreesd voor rook- en roethinder van het in werking zijn van de inrichting.     Zij voeren onder meer aan dat verweerder bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken rook- en roethinder ten onrechte is afgeweken van de Nederlandse emissie Richtlijnen Lucht (hierna: de NeR) door toepassing te geven aan de hierin opgenomen vrijstellingsbepaling.

   Verzoekers sub 1 en verzoekers sub 2 betogen verder dat niet vast staat dat de door verweerder op grond van de vrijstellingsbepaling uit de NeR gestelde grenswaarde voor de totale emissie van stof uit de inrichting van 100 kg per jaar, naleefbaar is. Zij betogen dat het gehanteerde aantal van 143 branduren per jaar voor het smidsvuur in het ambachtencentrum en het aantal van 244 branduren per jaar voor de bakoven niet aansluiten bij het vergunde aantal demonstraties per jaar. Daartoe voeren zij onder meer aan dat onduidelijk is wat de opstooktijden van de vuren bij de tweede en de derde demonstratie zijn en dat bij de berekeningen de uren dat het vuur brandt tussen de demonstraties in (de "tussenbranduren") ten onrechte niet zijn meegenomen. Verder zou op basis van de aanvraag, waarin is vermeld dat de inrichting 365 dagen per jaar in werking is, het aantal branduren aanmerkelijk hoger kunnen uitvallen als op elke dag van het jaar tenminste 1 demonstratie wordt gehouden zodat een langere totale opstooktijd geldt dan waarvan verweerder is uitgegaan.

2.13.1.    In de uitspraak van de Afdeling 16 november 2005 is overwogen dat verweerder in redelijkheid de vrijstellingsbepaling uit de NeR als uitgangspunt heeft kunnen nemen. De Voorzitter ziet geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.13.2.    Ingevolge voorschrift 7.1.3 mag de totale emissie aan stof niet meer bedragen dan 100 kg per jaar.

   Om te verzekeren dat deze norm niet wordt overschreden, heeft verweerder de gevraagde vergunning geweigerd voor zover het 524 demonstraties per jaar betreft en heeft hij in de voorschriften 7.2.6 en 7.3.4 respectievelijk het maximale aantal opstookuren van de bakoven en het maximale aantal opstookuren van het smidsvuur in het ambachtencentrum vastgesteld. In deze voorschriften is voor vergunninghouder ook een registratieplicht opgenomen van het gehouden aantal demonstraties en de stooktijden.

   De Voorzitter ziet niet in waarom bij het vaststellen van het totale aantal opstookuren van de bakoven en het smidsvuur in het ambachtencentrum van onjuiste uitgangspunten zou zijn uitgegaan. Daarbij neemt hij in aanmerking dat, blijkens het verhandelde ter zitting, uit het vuur slechts stof wordt geëmitteerd tijdens het opstoken ten behoeve van de demonstraties, zodat de "tussenbranduren", niet relevant zijn. Verder is naar zijn oordeel voldoende duidelijk dat de opstooktijden ten behoeve van de tweede en de derde demonstratie op een dag, elk 10 minuten bedragen.

   Voor zover verzoekers sub 1 en verzoekers sub 2 vrezen dat in de praktijk de voornoemde voorschriften niet worden nageleefd, overweegt de Voorzitter dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en dat deze om die reden niet kunnen slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning verbonden zijn.

2.13.3.    In zoverre, en ook in de verder nog door verzoekers naar voren gebrachte punten ziet de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.14.    De Voorzitter wijst de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen             w.g. Timmerman

Voorzitter              ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2007

431