Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6849

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
200604243/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2004 heeft verweerder krachtens artikel 15.20 van de Wet milieubeheer aan appellant een schadevergoeding toegekend van € 9.525,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604243/1.

Datum uitspraak: 24 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2004 heeft verweerder krachtens artikel 15.20 van de Wet milieubeheer aan appellant een schadevergoeding toegekend van € 9.525,00.

Bij besluit van 13 juli 2004 heeft verweerder het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2005 in zaak no. 200407141/1 heeft de Afdeling het besluit van 13 juli 2004 vernietigd, voor zover daarbij het besluit van 4 maart 2004 is gehandhaafd wat de toekenning van schadevergoeding voor incidentele bedrijfsschade betreft.

Bij besluit van 26 april 2006, verzonden op 28 april 2006, heeft verweerder het door appellant gemaakte bezwaar alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard en een aanvullende schadevergoeding toegekend van € 7.950,00.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 juli 2006.

Bij brief van 25 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2006, heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2006, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. D. Teeuwsen, en verweerder, vertegenwoordigd door J. Thomassen en ing. W. Halfman, beiden ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als deskundige gehoord W. Manenschijn.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bestreden besluit ziet op de inkomensschade die appellant lijdt door het besluit van verweerder van 16 november 1999, waarbij krachtens artikel 8.25, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer de aan hem bij besluit van 30 september 1975 verleende vergunning gedeeltelijk is ingetrokken wegens ontoelaatbare gevolgen voor het milieu. De vergunning is ingetrokken voor zover het de (varkens)stallen A en B betreft.

2.2.    Appellant voert aan dat de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2005 verweerder opdraagt een nieuw besluit te nemen binnen een termijn van 13 weken na verzending van die uitspraak, doch dat het bestreden besluit eerst na afloop van die termijn is genomen.

2.2.1.    Het door appellant bedoelde onderdeel van het dictum van de uitspraak van 13 juli 2005 ontslaat verweerder niet van de plicht om, ook als de aldaar vermelde termijn ongebruikt is verstreken, een nieuw besluit te nemen. De omstandigheid dat niet binnen die termijn een besluit is genomen, maakt niet dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Overigens had appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep kunnen instellen. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

2.3.    Appellant stelt dat verweerder het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) van 9 januari 2006, voor zover in dat advies niet alle vaste kosten worden toegerekend aan het fokzeugen- en mestvarkensbedrijf. Volgens appellant dient rekening te worden gehouden met alle vaste kosten die in samenhang met de bedrijfsvoering worden gemaakt, nu hij uitsluitend een fokzeugen- en mestvarkensbedrijf uitoefent.

2.3.1.    Verweerder heeft in het bestreden besluit ter motivering van de hoogte van de schadevergoeding verwezen naar het advies van SAOZ van

9 februari 2006. In dat advies wordt - kort gezegd - gesteld dat niet alle vaste kosten betrokken dienen te worden bij de bepaling van de schade, nu niet alle kosten betrekking hebben op het bedrijfsonderdeel fokzeugen en mestvarkens. Het betreft volgens dit advies onder meer de kosten van werk door derden, brandstof voor machines en werktuigen, autokosten, algemene kosten, en voorts onderhouds- en afschrijvingskosten van de onroerende zaken en afschrijvingskosten van de machines, voor zover die niet zijn toe te rekenen aan het fokzeugen- en mestvarkensbedrijf.

2.3.2.    Ter zitting is gebleken dat het bedrijf van appellant niet enkel bestaat uit een varkenshouderij, maar dat in zijn bedrijf ook kippen en rundvee worden gehouden; daarnaast vindt landbouw plaats, waaronder de teelt van pootaardappelen. SAOZ heeft in haar advies van 9 februari 2006 gesteld dat de vaste lasten per post zijn beoordeeld, omdat "niet alle niet toegerekende kosten betrekking hebben op het bedrijfsonderdeel fokzeugen/mestvarkens". Sommige vaste lasten heeft zij daarom niet of slechts ten dele meegerekend bij de bepaling van de schade. In het advies worden wel bepaalde vaste lasten die SAOZ niet heeft betrokken bij de bepaling van de schade, met name genoemd, doch uit het advies valt niet af te leiden dat die opsomming compleet is. Evenmin is duidelijk waarom bepaalde vaste lasten volgens SAOZ wel bij de bepaling van de schade dienen te worden betrokken, om welke bedragen het daarbij gaat en hoe SAOZ de hoogte van die bedragen precies heeft vastgesteld. Gezien het vorenstaande valt niet te toetsen of SAOZ het totaalbedrag aan vaste lasten dat volgens haar bij de bepaling van de schade moet worden betrokken, op juiste wijze heeft bepaald. Nu het bestreden besluit op dit punt volstaat met te verwijzen naar het advies van SAOZ, berust dat besluit in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.  

2.4.     Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd.

2.5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem van 26 april 2006, kenmerk 2006.41527/pvg;

III.    gelast dat de gemeente Doetinchem aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.M. Boll en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen                   w.g. Lap

Voorzitter            ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007

288