Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6848

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
200510182/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2005 heeft de gemeenteraad van Albrandswaard, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 februari 2005, het bestemmingsplan "Sportpark Polder Albrandswaard" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510182/1.

Datum uitspraak: 24 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2005 heeft de gemeenteraad van Albrandswaard, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 februari 2005, het bestemmingsplan "Sportpark Polder Albrandswaard" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 oktober 2005, kenmerk DRM/ARB/05/4034A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 14 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, appellanten sub 2 bij brief van 14 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellanten sub 3 bij brief van 12 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2005, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 11 januari 2006.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders, van verweerder en van appellanten sub 3. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 15 augustus 2006 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders en appellanten sub 3. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2006, waar appellanten sub 1, in de persoon van [gemachtigde], appellanten sub 2, in de persoon van [gemachtigde], appellanten sub 3, in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S.E. Lagendijk en mr. P. Schravendijk, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Albrandswaard, vertegenwoordigd door drs. C. de Klerk-Verbeek, H. van de Linden en Q. Maas, ambtenaren van de gemeente en D. Roelse, wethouder van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Met het plan wordt beoogd ten oosten van de kern Poortugaal de aanleg van een sportpark met bijbehorende voorzieningen mogelijk te maken. Het voorziene sportpark dient ter vervanging van het bestaande complex in de kern Poortugaal dat gebruikt wordt door twee voetbalverenigingen. Na verplaatsing van de voetbalverenigingen is het voornemen om op de huidige locatie van dit complex een woonwijk te realiseren.

Procedurele aspecten

2.4.    Appellanten sub 2 klagen dat het ontwerpplan één dag te kort ter inzage heeft gelegen. Daartoe hebben zij een afschrift van een begeleidingsformulier bij de terinzage gelegde stukken overgelegd, waarop staat vermeld dat de termijn van terinzagelegging aanvangt op vrijdag 15 oktober 2004 en loopt tot donderdag 11 november 2004.

2.4.1.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder b, van de WRO is, voor zover thans van belang, op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat het ontwerp gedurende vier weken ter inzage ligt.

2.4.2.    De kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan is overeenkomstig de wettelijke vereisten geplaatst in de Staatscourant van 14 oktober 2004 en in "de Schakel" van 14 oktober 2004. In deze publicaties is vermeld dat met ingang van 15 oktober 2004 gedurende vier weken in het gemeentehuis van Albrandswaard voor een ieder ter inzage ligt het ontwerpplan "Sportpark Polder Albrandswaard". In deze publicaties is derhalve de wettelijke termijn van terinzagelegging op juiste wijze vermeld.

2.4.3.    Ter zitting is komen vast te staan dat het plan met ingang van 15 oktober 2004 gedurende vier weken en aldus ook op 11 november 2004 ter inzage heeft gelegen. Bij de ter inzage gelegde stukken bevond zich onder meer een door de gemeente voor dit doel gehanteerd zogenoemd begeleidingsformulier bedoeld voor interne administratieve doeleinden. Dat daarop stond vermeld dat het plan tot 11 november 2004 ter inzage ligt, doet aan het vorenstaande niet af. Voor zover appellant sub 2 in dit verband heeft aangevoerd dat dit bij belanghebbenden tot onduidelijkheid ten aanzien van de termijn van terinzagelegging kan hebben geleid, overweegt de Afdeling dat daarvan geen sprake kan zijn nu ter zitting is gebleken dat bij de ter inzage gelegde stukken ook de in overweging 2.4.2. vermelde publicaties ter inzage hebben gelegen.

2.5.    Voor zover appellanten sub 2 klagen dat in de publicatie van de terinzagelegging van het goedkeuringsbesluit ten onrechte is vermeld dat het besluit tot en met donderdag 16 december 2005 voor een ieder ter inzage lag in plaats van donderdag 15 december 2005, overweegt de Afdeling dat het bezwaar betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen reden vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.6.    Voorts stellen appellanten sub 1 en 2 dat ten onrechte de reactie van de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen van het Ministerie van Defensie (hierna: de DGW&T) gegeven in het kader van artikel 10 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (hierna: het Bro 1985) niet ter inzage heeft gelegen.

2.6.1.    Ingevolge artikel 10 van het Bro 1985, voor zover thans van belang, plegen burgemeester en wethouders waar nodig bij de voorbereiding van een plan overleg met de diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening.

   Ingevolge artikel 12, tweede lid, onder b, van het Bro 1985 gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting waarin de uitkomsten van het in artikel 10 bedoelde overleg zijn neergelegd.

2.6.2.    Uit de stukken blijkt dat het gemeentebestuur voorafgaand aan de tervisielegging van het ontwerpplan het voorontwerp in het kader van het vooroverleg aan de DGW&T heeft aangeboden. In de plantoelichting staat verder vermeld dat van de DGW&T per e-mail een reactie is ontvangen en dat nader overleg heeft plaatsgevonden. De uitkomsten hiervan zijn in bijlage 1, onder II en onder punt 7, van de plantoelichting opgenomen. Voorts blijkt uit het plan dat bij de vaststelling daarvan met deze reactie rekening is gehouden. Aldus is voldaan aan bovengenoemde bepalingen. In de WRO noch enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan de reactie van de dienst DGW&T bij de terinzagelegging van het ontwerp van het plan ter inzage had moeten worden gelegd.

Het beroep van appellanten sub 1 en 2

Standpunt van appellanten

2.7.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij betwisten de noodzaak van het voorziene sportpark en stellen dat realisering daarvan tot verdere versnippering van de ecologische hoofdstructuur zal leiden. Volgens appellanten sub 1 kan de voorziene ecologische zone niet het verlies van de natuur ter plaatse compenseren. Appellanten zijn bovendien van mening dat het plan ten onrechte geen garanties biedt dat bij uitvoering daarvan de aanbevelingen worden overgenomen die zijn gedaan in het licht van de te verwachten gevolgen die realisatie van het sportpark met zich brengt voor de aanwezige flora en fauna. Verder vrezen appellanten aantasting van hun woon- en leefklimaat door lichthinder. In dit verband klagen appellanten sub 1 tevens dat het plan geen garanties biedt dat de tribunes landschappelijk zullen worden afgeschermd. Voorts voeren appellanten aan dat in strijd met de circulaire "Bekendmaking van voorschriften ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare stoffen van de K1, K2 en K3-categorie" van 24 april 1991 (hierna: de circulaire) onvoldoende is gemotiveerd waarom in het plan ten aanzien van de brandstoftransportleiding een kleinere afstand dan de toetsingsafstand is gehanteerd. Ook betwijfelen appellanten of het plan financieel uitvoerbaar is.

Het bestreden besluit

2.8.    Verweerder heeft, behoudens de vrijstellingsbepaling in artikel 7, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften, geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Verweerder is van mening dat de noodzaak van het sportpark voldoende is aangetoond. Verder heeft hij onder meer overwogen dat, gelet op het huidige agrarische gebruik, compensatie van het plangebied niet noodzakelijk is. Voorzover het betoog van appellanten ziet op naleving van de aanbevelingen die zijn gedaan met het oog op de te beschermen flora en fauna, verwijst verweerder naar de ontheffing die is verleend van artikel 11 van de Flora- en faunawet ten gunste van de uitvoering van het plan. Verder is hij van mening dat niet is gebleken dat het woon- en leefklimaat van appellanten in ernstige mate zal worden aangetast, nu het plan voldoet aan de in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven brochure "Bedrijven en milieuzonering", uitgave 1999 (hierna: de VNG-brochure) genoemde afstanden. In dit verband acht verweerder van belang dat alle lichtmasten armaturen zullen bevatten, die de achterwaartse en zijwaartse straling zullen minimaliseren. Voorts zijn volgens hem de in het plan neergelegde veiligheidsafstanden tot de brandstoftransportleiding conform de circulaire en zijn deze afstanden afgestemd met de leidingbeheerder. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een onderzoek is verricht naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan en dat uit dit onderzoek blijkt dat geen aanleiding bestaat om hieraan te twijfelen.

Vaststelling van de feiten

2.9.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.1.    Het bestemmingsplan heeft betrekking op het gebied dat ligt ten oosten van de kern Poortugaal, gemeente Albrandswaard. Het gebied wordt begrensd door de Albrandswaardseweg, de Schroeder van de Kolklaan, de Albrandswaardsedijk en de hoofdwatergang. Ten noorden van het plangebied ligt een terrein ten behoeve van het ministerie van Defensie. De gronden in het plangebied hadden voorheen een overwegend agrarische bestemming met landschappelijke waarden en beperkte bebouwing.

2.9.2.    Aan de gronden in het plangebied is grotendeels de bestemming "Sportpark -Rd(p)-" toegekend. Op een deel van dit plandeel, in het midden van het plangebied, gelden onder meer de aanduidingen "zone gebouwen toegestaan" en "zone tribunes toegestaan". Op de rand van het plandeel gelden grotendeels de aanduidingen "groenvoorzieningen" en "groen+water". In het plangebied loopt voorts van noord naar zuid een strook van 10 meter breed met de dubbelbestemming "Brandstoftransportleiding -Mn(b)-". Aan de westzijde van het plangebied is verder aan een strook van 50 meter breed de bestemming "Ecologische zone" toegekend.

   Appellanten wonen ten westen van het plangebied.

2.9.3.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden met de bestemming "Sportpark -Rd(p)-" bestemd voor sportvoorzieningen, natuurontwikkeling, water, groenvoorzieningen en is, voor zover op de kaart de bestemming "-Mn(b)-" is aangegeven, in de eerste plaats het bepaalde in die bestemming van toepassing.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover thans van belang, worden bij de realisering van de bestemming de volgende uitgangspunten in acht genomen:

a. ter plaatste van de aanduiding "groen+water" zal in aansluiting op de bestemming "Ecologische zone" een gebied worden ingericht met water en groenvoorzieningen met een minimale omvang zoals aangegeven op de kaart;

b. tussen het onder a bedoelde gebied en de aan te leggen sportvelden zal een aarden wal met een hoogte van maximaal 2 meter worden aangelegd;

c. aan de randen van het sportpark zal een afschermende groeninrichting worden aangelegd volgens een structuur zoals aangegeven op de kaart door de aanduiding "groenvoorzieningen".

   Ingevolge het derde lid mogen, voor zover thans van belang, op de gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

a. gebouwen, (…), uitsluitend mogen worden gebouwd binnen de aanduiding "zone gebouwen toegestaan", waarbij (…) de hoogte maximaal 7 meter mag bedragen;

b. tribunes uitsluitend binnen de aanduiding "zone tribune toegestaan" mogen worden gebouwd waarbij ten hoogste twee tribunes mogen worden gebouwd, de gezamenlijke grondoppervlakte van de tribunes niet meer mag bedragen dan 600 m², de hoogte niet meer mag bedragen dan 7 meter, de tribunes georiënteerd worden richting het oosten, en de bebouwing aan de zijde van de Schroeder van der Kolklaan landschappelijk wordt afgeschermd;

d. de hoogte van andere bouwwerken niet meer mag bedragen dan voor lichtmasten 20 meter, met dien verstande dat binnen een afstand van 50 meter van woningen geen lichtmasten mogen worden geplaatst.

2.9.4.    Volgens de plantoelichting is verwezenlijking van het sportpark noodzakelijk vanwege de toenemende vraag naar sportfaciliteiten en het ruimtegebrek op de huidige locatie. De huidige locatie omvat vier voetbalvelden. Voor de berekening van de gewenste ruimte is gebruik gemaakt van de bespelingsnormen van de KNVB. In het deskundigenbericht staat vermeld dat uit de berekening volgt dat met het huidige aantal teams op zaterdag zes speelvelden nodig zijn en op zondag twee speelvelden, zodat in de huidige situatie sprake is van een tekort.

2.9.5.    Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur.

   Blijkens de plantoelichting is in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan een inventarisatieonderzoek gedaan naar de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en de habitats daarvan. Volgens de plantoelichting blijkt uit dit onderzoek dat in het plangebied meer of minder algemene flora- en faunasoorten zijn aangetroffen en dat ten aanzien van een drietal vleermuissoorten ontheffing van de Flora- en faunawet dient te worden aangevraagd. Voorts zijn in de plantoelichting de aanbevelingen weergegeven die zijn gedaan ter bescherming van de in het gebied aanwezige soorten.

   Bij besluit van 18 april 2005 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ontheffing verleend van artikel 11 van de Flora- en faunawet. In de ontheffing staan voorwaarden waaraan voldaan dient te worden bij ingrepen met betrekking tot de realisatie van het sportpark.

2.9.6.    Volgens de plantoelichting is bij het opstellen van het bestemmingsplan gebruik gemaakt van de VNG-brochure. In de VNG-brochure wordt ter voorkoming van hinder een afstand van 50 meter aanbevolen tussen een rustige woonwijk en een veldsportcomplex met verlichting.

   De afstand van de grens van het plandeel met de bestemming "Sportpark -Rd(p)-" tot de woningen van appellanten bedraagt blijkens de plankaart ongeveer 100 meter. De afstand van de woningen van appellanten tot de aanduiding "zone tribune toegestaan" bedraagt ongeveer 200 meter.

   In het deskundigenbericht staat vermeld dat langs de Schroeder van der Kolklaan en de Linnaeusstraat straatverlichting aanwezig is, die gedurende het gehele jaar in de avonduren in gebruik is. Tevens staat daarin vermeld dat het beoogde sportpark vanaf de Linnaeusstraat een groot deel van het jaar zal worden afgeschermd door de bestaande groenstrook langs de Schroeder van der Kolklaan.

2.9.7.    Ingevolge artikel 13, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden met de bestemming "Brandstoftransportleiding -Mn(b)-" primair bestemd voor een ondergrondse brandstoftransportleiding type K1 met een diameter van zes inch met de daarbij behorende andere bouwwerken en secundair bestemd voor de doeleinden van de onderliggende bestemming.

   Ingevolge het tweede lid, van dit artikel voor zover thans van belang, mogen binnen de bestemming geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd.

   Ingevolge het derde lid, onder b, mogen op deze gronden bouwwerken, niet zijnde kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, ten dienste van de secundaire bestemming worden gebouwd.

   Ingevolge artikel 1, onder 12, van de planvoorschriften is een sportterrein een beperkt kwetsbaar object.

2.9.7.1.    In het plangebied loopt vanaf het defensieterrein van noord naar zuid een brandstoftransportleiding (hierna: de brandstoftransportleiding). Het betreft een leiding die behoort tot categorie K1 met een diameter van zes inch.

2.9.7.2.    Volgens artikel 3.3, onder 2, paragraaf I, hoofdstuk I, van de circulaire, voor zover thans van belang, wordt onder een recreatieterrein verstaan een terrein voor kortstondig verblijf van grote groepen personen gedurende een gedeelte van de dag, zoals een sportveld.

   Volgens artikel 4.1 van deze paragraaf, voor zover thans van belang, is de bebouwingsafstand de kleinste horizontale afstand tussen het hart van de leiding en een recreatieterrein die in acht moet worden genomen.

   Volgens artikel 4.2 van deze paragraaf, voor zover thans van belang, is de toetsingsafstand de afstand gemeten vanaf het hart van de leiding waarbinnen aan beide zijden van de leiding de aanwezigheid van een recreatieterrein wordt nagegaan in verband met de vaststelling van de gebiedsklasse en de ruimtelijke inrichting rond de leiding.

2.9.7.3.    Volgens artikel 1.1, paragraaf I, hoofdstuk III, van de circulaire, voor zover thans van belang, is het streven erop gericht een grotere afstand dan de toetsingsafstand die is aangegeven in tabel 1 aan te houden van een transportleiding tot een recreatieterrein.

   Volgens artikel 1.2 van deze paragraaf, voor zover thans van belang, kunnen in afwijking van het bepaalde in 1.1 planologische, technische of economische overwegingen aanleiding zijn een kleinere afstand dan de toetsingsafstand aan te houden ten opzichte van recreatieterreinen.

   Volgens artikel 1.3, voor zover thans van belang, dient in ieder geval ten minste de bebouwingsafstand in acht te worden genomen.

2.9.7.4.    Volgens tabel 1 van de circulaire geldt voor een zes inch transportleiding een toetsingsafstand van 22 meter.

   Volgens tabel 2 van de circulaire behoort een recreatieterrein tot gebiedsklasse 3.

   Volgens tabel 4 van de circulaire is voor een zes inch transportleiding, K1 categorie, de bebouwingsafstand vijf meter.

2.9.7.5.    Volgens artikel 1.1, paragraaf VI, hoofdstuk II, van de circulaire, voor zover thans van belang, dient, indien een transportleiding met een diameter kleiner dan 12 inch is gelegen in een gebied met gebiedsklasse 3, één van de onder 1.3 van deze paragraaf vermelde maatregelen te worden getroffen.

   Volgens artikel 1.3 van deze paragraaf betreft de in 1.1. bedoelde maatregel onder meer een aan te houden ontwerpfactor van 0.67 in plaats van 0.72.

2.9.7.6.    In de plantoelichting staat dat door de leidingbeheerder is aangegeven dat voor de zes inch leiding een hiervoor genoemde maatregel is getroffen, aangezien de leiding is uitgevoerd met voldoende wanddikte.

   De gemeenteraad heeft zich in de reactie op de zienswijzen op het standpunt gesteld dat is voldaan aan één van de in de circulaire genoemde maatregelen en dat geen bezwaar bestaat tegen de situering van kwetsbare functies binnen de toetsingszone, mits de bebouwingsafstand van vijf meter wordt aangehouden.

   Bij brief van 28 april 2005 heeft de DGW&T te kennen gegeven dat hij zich kan vinden in het plan zoals dat door de gemeenteraad is vastgesteld.

2.9.8.    Ingevolge artikel 9 van het Bro 1985 verrichten burgemeester en wethouders ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan heeft dit onderzoek van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan.

   Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro 1985 gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van het in artikel 9 bedoelde onderzoek voor zover dit onderzoek het in het plan begrepen gebied betreft.

2.9.8.1.    In de plantoelichting is vermeld dat de ontwikkeling van het sportcomplex en de ecologische zone gefinancierd zal worden door de ontwikkelende partij en dat voor de gemeente aan de realisering van het plan geen kosten zijn verbonden. Verder staat daarin vermeld dat de financiële uitvoerbaarheid in een vertrouwelijke bijlage bij het plan is aangetoond. Uit deze bijlage blijkt dat de realisatie van het sportpark in combinatie met de herontwikkeling van de locatie van het bestaande complex tot woningbouw tot een positief financieel resultaat voor de gemeente zal leiden, aldus de plantoelichting.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.    Met het plan wordt beoogd een nieuwe locatie te bieden aan de voetbalverenigingen PSV Poortugaal en VV Oude Maas teneinde een oplossing te bieden voor het ruimtegebrek op de huidige locatie van de verenigingen. Voor de berekening van de gewenste ruimte is gebruik gemaakt van de bespelingsnormen van de KNVB. Nu ook uit het deskundigenbericht volgt dat aan de hand van deze bespelingsnormen kan worden vastgesteld dat in de huidige situatie sprake is van een tekort aan ruimte, acht de Afdeling de behoefte aan een nieuw sportpark voldoende aannemelijk gemaakt. Dat de voetbalverenigingen nieuwe leden werven, doet daar niet aan af. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het actief werven van leden nodig is voor een gezonde samenstelling van de voetbalverenigingen. Verder heeft hij bij zijn standpunt kunnen betrekken dat de gemeente het uit het oogpunt van het stimuleren van een actieve sportbeoefening wenselijk acht om een sportpark te ontwikkelen dat voldoende ruimte biedt voor de groei van de verenigingen in de toekomst.

2.10.1.    Het betoog van appellanten dat realisering van het sportpark leidt tot versnippering van de ecologische hoofdstructuur kan niet slagen reeds omdat de gronden geen onderdeel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur. Voor zover appellanten aanvoeren dat onvoldoende rekening wordt gehouden met in het plangebied voorkomende beschermde diersoorten, stelt de Afdeling voorop dat de vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, in beginsel aan de orde komen in de procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Nu op het moment waarop verweerder zijn beslissing nam reeds een ontheffing van artikel 11 van de Flora- en faunawet was verleend en in deze ontheffing voorwaarden zijn opgenomen waarmee bij de uitvoering van het plan rekening moet worden gehouden, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.10.2.    Wat betreft het bezwaar van appellanten over de aantasting van hun woon- en leefklimaat vanwege lichthinder stelt de Afdeling voorop dat de door de gemeenteraad gehanteerde en in de VNG-brochure aanbevolen afstand voor een veldsportcomplex met verlichting in acht wordt genomen. Daarnaast is tussen de woningen van appellanten en het sportpark een ecologische zone voorzien, die als zodanig als natuurlijke buffer zal fungeren en voorziet het plan tevens tussen de ecologische zone en de aan te leggen sportvelden in een aarden wal met een hoogte van maximaal 2 meter. Gelet hierop en mede gelet op de bestaande groenvoorziening langs de Schroeder van der Kolklaan en de reeds aanwezige straatverlichting, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellanten geen ernstige lichthinder zullen ondervinden als gevolg van het voorziene sportcomplex.

2.10.3.    De Afdeling begrijpt het betoog van appellanten sub 1 dat het plan ten onrechte geen garanties biedt dat de tribunes landschappelijk worden afgeschermd aldus, dat zij dientengevolge vrezen voor visuele hinder. Voorop staat dat aan een bestaand vrij uitzicht geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Gelet op de afstand van de woningen van appellanten tot de "zone tribune toegestaan" en op het aantal tribunes dat is toegestaan, de maximale omvang, de hoogte en de ligging daarvan en de omstandigheid dat het plan tussen de woning en het voorziene sportpark voorziet in een ecologische zone, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellanten sub 1 in zoverre geen ernstige visuele hinder zullen ondervinden als gevolg van de voorziene tribunes.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van appellanten niet in ernstige mate wordt aangetast.

2.10.4.    Niet in geschil is dat in het onderhavige plan een afstand van vijf meter vanuit het hart van de brandstoftransportleiding tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in acht wordt genomen. Daarmee wordt voldaan aan de op grond van de circulaire in acht te nemen bebouwingsafstand, maar niet aan de op grond van de circulaire in acht te nemen toetsingsafstand. Afwijking van de toetsingsafstand is, gelet op het bepaalde in artikel 1.1 en 1.2 van paragraaf I, hoofdstuk III van de circulaire in beginsel mogelijk, met dien verstande dat een afwijking dient te worden gemotiveerd en te worden afgewogen in het licht van het doel van deze circulaire, namelijk het bieden van bescherming aan de omgeving in verband met de brandbaarheid van getransporteerde vloeistoffen.

2.10.5.    De Afdeling acht niet aannemelijk geworden dat de in de circulaire bedoelde belangenafweging niet heeft plaatsgevonden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat verweerder in zijn afweging heeft betrokken dat de onderhavige brandstoftransportleiding uitsluitend wordt gebruikt in geval van een calamiteit. Verder heeft hij van belang geacht dat zowel de leidingbeheerder als de dienst DGW&T zich kunnen vinden in het plan. Gelet op het vorenstaande, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval niet is voldaan aan de in de circulaire gestelde vereisten.

2.11.    Ter zitting is van de zijde van verweerder en de gemeenteraad bevestigd dat het plan zoals dat is vastgesteld door de ontwikkelende partij zal worden uitgevoerd. Niet is gebleken dat de ontwikkelende partij over onvoldoende middelen daartoe beschikt. Voorts is gebleken dat de voor het sportcomplex bestemde gronden in eigendom zijn bij de gemeente. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet behoeft te worden getwijfeld.

Het beroep van appellanten sub 3

Standpunt van appellanten sub 3

2.12.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte het plandeel met de bestemming "Sportpark -Rd(p)-" en de daarop opgenomen aanduiding "schapenwei" heeft goedgekeurd. Zij vrezen aantasting van hun woon- en leefklimaat door licht- en geluidhinder. In dit verband voeren zij aan dat hun woning in een landelijke omgeving ligt. Volgens appellanten wordt in de VNG-brochure een afstand van 100 meter aanbevolen tussen een sportcomplex en een woning in een landelijke omgeving. Zij zijn van mening dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de gevel van de woning als meetpunt wordt gehanteerd en niet de perceelsgrens. Het plan is volgens appellanten rechtsonzeker, omdat het plan verschillende inrichtingen van het plangebied toelaat die tot grotere overlast kunnen leiden. In dit verband voeren appellanten aan dat de schapenwei ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Appellanten klagen dat ten aanzien van hen een andere belangenafweging wordt gemaakt in vergelijking met de bewoners van de woningen aan de andere zijde van het voorziene sportpark. Zij achten dit in strijd met het recht op een gelijke behandeling.

Het standpunt van verweerder

2.13.    Verweerder heeft het bestreden plandeel niet in strijd geacht met het recht of een goede ruimtelijke ordening en heeft het plandeel, behoudens de vrijstellingsbepaling in artikel 7, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften, goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.14.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.14.1.    In het plan is aan de gronden in het plangebied grotendeels de bestemming "Sportpark -Rd(p)-" toegekend. In het zuidoosten van dit plandeel zijn aan een deel van de gronden de aanduidingen "schapenwei" respectievelijk "zone geen lichtmasten toegestaan" toegekend. Voorts is in de uiterste zuidoosthoek van het plandeel een hindercontour weergegeven.

2.14.2.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden met de bestemming "Sportpark -Rd(p)-" bestemd voor sportvoorzieningen, natuurontwikkeling, extensieve recreatie, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en recreatief of hobbymatig medegebruik van de gronden zoals een schapenwei, paardenwei en moestuin ter plaatse van de aanduiding "schapenwei".

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover thans van belang, worden bij de realisering van de bestemming de volgende uitgangspunten in acht genomen:

c. aan de randen van het sportpark zal een afschermende groen inrichting worden aangelegd volgens een structuur zoals aangegeven op de kaart door de aanduiding "groenvoorzieningen";

e. binnen de op de kaart aangegeven aanduiding "zone geen lichtmasten toegestaan" mogen geen lichtmasten worden gebouwd;

j. binnen de op de kaart aangegeven aanduiding "hindercontour" mogen geen sportvelden worden aangelegd.

2.14.3.    De gronden van appellanten grenzen aan de zuidoostzijde van het plangebied en de woning van appellanten ligt aan de zuidzijde van hun perceel. De afstand van het perceel van appellanten tot het plandeel met de bestemming "Sportpark -Rd(p)-" bedraagt ongeveer 10 meter. Op de plankaart is ter hoogte van de gronden met de bestemming "Sportpark -Rd(p)-" de aanduiding "hindercontour" getekend op een afstand variërend van ongeveer 30 meter tot ongeveer 70 meter van de woning van appellanten. De kortste afstand van de woning tot aan de grens van het vlak met de aanduiding "zone geen lichtmasten toegestaan" bedraagt ongeveer 120 meter. Op ongeveer 100 meter van de woning van appellanten voorziet het plan in een zone waar gebouwen en tribunes zijn toegestaan.

2.14.4.    In het deskundigenbericht staat vermeld dat de woning van appellanten is gelegen temidden van grasland en aan een smalle dijk, die voornamelijk door bestemmingsverkeer wordt gebruikt. De woning bevindt zich voorts op een afstand van ongeveer 200 meter buiten de kern van Poortugaal. De bebouwing langs de dijk bestaat volgens het deskundigenbericht uit enkele woningen en agrarische bedrijven. De dichtstbijzijnde bebouwing bevindt zich op een afstand van 100 meter ten oosten, respectievelijk 150 meter ten westen van de woning van appellanten. Verder staat in het deskundigenbericht dat de omgeving van de woning van appellanten overeenkomt met het omgevingstype "landelijk gebied met woningen" zoals vermeld in de VNG-brochure.

2.14.5.    In de VNG-brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming vanwege de mogelijke hinder van de milieufactoren geur, stof, gevaar en geluid. In de bedrijvenlijst van de VNG-brochure is voor een veldsportcomplex met verlichting voor elk van de genoemde aspecten aangegeven welke afstand aanbevolen wordt ten opzichte van een - in een rustige woonwijk gelegen - woning. Als grootste aanbevolen afstand wordt 50 meter genoemd voor het aspect geluid. Een afwijking van de aanbevolen afstand is mogelijk, maar deze dient voldoende te worden gemotiveerd en te worden afgewogen in het licht van het doel van deze normen, namelijk het voorkomen van milieuhinder in nieuwe situaties. Verder staat in de brochure dat rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van het plangebied en de omgeving.

Het oordeel van de Afdeling

2.15.    De Afdeling stelt vast dat, nu in de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften bindend is geformuleerd dat binnen het gebied met de aanduiding "zone geen lichtmasten toegestaan" geen lichtmasten mogen worden gebouwd en de aanduiding "hindercontour" geen sportvelden mogen worden gerealiseerd, het plan mogelijk maakt dat op 30 meter afstand van de gevel van de woning van appellanten onverlichte en op 120 meter afstand verlichte sportvelden worden gerealiseerd.

2.15.1.    Ten aanzien van het betoog van appellanten dat ten onrechte wordt gemeten vanaf de gevel van hun woning tot aan het sportcomplex, overweegt de Afdeling dat deze wijze van meten in overeenstemming is met de VNG-brochure. De brochure geeft afstanden aan die in beginsel gelden tussen de perceelsgrens van een bedrijf enerzijds en de gevel van een woning anderzijds. Dit neemt niet weg dat verweerder bij de afweging van alle betrokken belangen ook de gevolgen van de realisatie van het plan voor het woon- en leefklimaat in de buitenruimte rond het huis van appellanten dient te betrekken.

2.15.2.    Gelet op hetgeen dienaangaande in het deskundigenbericht is vermeld is de omgeving van de woning van appellanten aan te merken als "landelijk gebied met woningen" als bedoeld in de VNG-brochure.

   Voor de stelling van appellanten dat tussen een woning in een "landelijk gebied met woningen" en een veldsportcomplex met verlichting, anders dan tussen een woning in een "rustige woonwijk" en een veldsportcomplex met verlichting als aan te houden afstand niet 50 meter maar 100 meter wordt aanbevolen, biedt de VNG-brochure geen aanknopingspunten.

   Wat betreft de sportvelden die in de zone van 30 tot 120 meter van de woning van appellanten mogen worden gerealiseerd, stelt de Afdeling vast dat rond deze sportvelden geen lichtmasten mogen worden opgericht. Verder is van belang dat, gelet op het ontbreken van lichtmasten en de omstandigheid dat voetbaltrainingen met name in de avonduren plaatsvinden, dit veld niet intensief zal kunnen worden gebruikt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de afwijking van de in de VNG-brochure genoemde afstand van 50 meter afdoende is gemotiveerd en dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet leidt tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten.

2.15.3.    Verder overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat de gronden met de bestemming "Sportpark -Rd(p)-" anders kunnen worden ingericht dan op de inrichtingsschets is aangegeven, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan rechtsonzeker is. Verweerder dient bij de beoordeling van het plan uit te gaan van hetgeen het plan mogelijk maakt. Niet is gebleken dat verweerder dit in het onderhavige geval niet heeft gedaan.

2.15.4.    Ten aanzien van het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel en de door appellanten in dit verband gemaakte vergelijking met de woningen aan de andere zijde van het voorziene sportpark overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de situatie van appellanten, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan. Zij neemt daarbij in aanmerking dat aan de westzijde van het sportpark meerdere woningen liggen behorend bij een woonwijk terwijl aan de oostzijde van het park alleen sprake is van de woning van appellanten.

Eindconclusie

2.16.    Gezien al het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, behoudens de vrijstellingsbepaling in artikel 7, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

   De beroepen zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.17.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.P.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven          w.g. Taal

Voorzitter           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007

325-432.