Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
200603856/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2006:AW2845, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2005 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603856/1.

Datum uitspraak: 24 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 05/2361 van de rechtbank Utrecht van 11 april 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2005 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard.

Bij besluit van 14 juli 2005 heeft het CBR het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 april 2006, verzonden op 13 april 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 juli 2006 heeft het CBR van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L.P. Kabel, advocaat te Eindhoven, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 134, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 131, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994), voor zover thans van belang, stelt het CBR, na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid vast.

   Ingevolge artikel 134, tweede lid, van de WVW 1994, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel deelt het CBR, indien het van oordeel is dat de vastgestelde uitslag van het onderzoek grond oplevert voor ongeldigverklaring van het rijbewijs, het voornemen tot ongeldigverklaring mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van de betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, zoals dit artikel luidt sinds 1 juni 2000, besluit de minister dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994, indien bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰.

   Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit de minister tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de WVW 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk het tweede onderzoek, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

   In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

   In die bijlage is in paragraaf 8.8 ("Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)") bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2.    Bij een politiecontrole op 15 februari 2004 is bij appellant als bestuurder van een motorrijtuig een ademalcoholgehalte van 885 µg/l (2,036 ‰) geconstateerd. Bij besluit van 4 maart 2004 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat aan appellant meegedeeld dat hij zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994. Dit onderzoek is op 16 juni 2004 verricht door een psychiater (hierna: het eerste onderzoek).

   Naar aanleiding van de bevindingen uit het eerste onderzoek heeft het CBR appellant bij brief van 28 juli 2004 meegedeeld voornemens te zijn het rijbewijs van appellant ongeldig te verklaren. Appellant heeft hierop verzocht om een tweede onderzoek. Dit onderzoek is op 17 november 2004 verricht door een arts, onder supervisie van een psychiater (hierna: het tweede onderzoek).

   Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 20 januari 2005 heeft het CBR op basis van de resultaten van de twee onderzoeken het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard. Daartoe heeft het CBR zich op het standpunt gesteld dat bij het eerste onderzoek bij appellant de diagnose alcoholmisbruik is gesteld in termen van de zogenoemde DSM-IV criteria en dat bij het tweede onderzoek op basis van alle relevante gegevens eveneens is geconcludeerd tot alcoholmisbruik. Op grond daarvan is paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling op appellant van toepassing, zodat appellant ongeschikt is tot het besturen van een motorrijtuig.

2.3.    Appellant richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat het CBR op basis van de twee onderzoeken tot de conclusie heeft kunnen komen dat appellant ongeschikt is voor het besturen van een motorrijtuig en dat zijn rijbewijs op goede gronden ongeldig is verklaard. Daartoe betoogt  appellant allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat het rapport van het tweede onderzoek niet aan het besluit ten grondslag had mogen worden gelegd, omdat dit rapport niet het resultaat is van een onderzoek door een psychiater. Voorts voert appellant aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het verhoogde percentage carbohydraat-deficiënt transferrine (hierna: CDT-waarde) en de verhoogde waarde Mean Corpuscular Volume (hierna: MCV-waarde) in zijn geval niet kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik. Volgens appellant heeft hij aannemelijk gemaakt dat de verhoogde CDT-waarde is veroorzaakt door de genetische transferrinevariant en de verhoogde MCV-waarde door medicijngebruik. In dit verband betoogt appellant voorts dat aan een CDT-waarde van 2,9% op grond van de huidige stand van de klinisch chemische wetenschap niet meer de conclusie alcoholmisbruik mag worden verbonden.

2.3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 26 maart 1999 in zaak no. H0198285 (AB 1999, 240), kan misbruik van alcohol worden vastgesteld op basis van alle beschikbare medische en niet-medische gegevens.

   Geen grond bestaat voor het oordeel dat het CBR de bevindingen van het tweede onderzoek niet ten grondslag heeft mogen leggen aan zijn besluit. De betrokken arts heeft het onderzoek onder supervisie van een psychiater uitgevoerd. Niet alleen staat het rapport van het onderzoek op naam van de psychiater en heeft deze het rapport mede ondertekend en zodoende de bevindingen van het onderzoek mede voor zijn rekening genomen, hij heeft, zoals appellant heeft bevestigd, appellant tijdens het onderzoek ook gezien. Appellant betoogt dan ook tevergeefs dat geen sprake is van een specialistisch rapport, als bedoeld in voormelde paragraaf 8.8.

   In beide rapporten is op basis van fysieke, psychiatrische en laboratoriumonderzoeken, onafhankelijk van elkaar, geconcludeerd dat bij appellant sprake is van alcoholmisbruik.

   Ten aanzien van de verhoogde CDT- waarde is in het rapport van het tweede onderzoek geconcludeerd dat deze in een hoge mate van waarschijnlijkheid wijst op overmatig alcoholgebruik. Ten aanzien van de verhoogde MCV-waarde is in beide rapporten geconcludeerd dat deze in een hoge mate van waarschijnlijkheid wijst op overmatig alcoholgebruik, waarbij in het rapport van het eerste onderzoek staat vermeld dat bij appellant geen aanwijzingen bestaan dat aan de afwijkende uitslag een andere oorzaak dan wel ziekte ten grondslag ligt.

   Ten aanzien van de CDT-waarde overweegt de Afdeling met de rechtbank dat deze, anders dan in de door appellant aangehaalde uitspraak van het Regionaal Medisch Tuchtcollege, niet de enige grond is geweest voor de conclusie van alcoholmisbruik bij appellant. Ook in het artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Klinische Chemie wordt een beslisgrens van 2,9% CDT slechts onjuist geacht in de situatie dat voor de diagnose alcoholmisbruik geen andere onderbouwing is. Deze situatie doet zich hier niet voor.

   Omtrent de overige verwijzingen in het betoog van appellant naar kanttekeningen in de literatuur en de beschouwingen daarover, overweegt de Afdeling in navolging van haar uitspraak van 25 oktober 2006 in zaak no. 200603270/1 dat deze zo algemeen zijn gesteld dat ze, zonder een op specifiek onderzoek van appellant gebaseerde diagnose, geen afbreuk kunnen doen aan de conclusies in de voorhanden zijnde, wel op zodanig onderzoek gebaseerde, rapporten.

   Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verhoogde waarden zijn veroorzaakt door een andere factor dan alcoholgebruik, zodat het CBR in navolging van de beide rapporten het ervoor mocht houden dat de verhoogde waarden bij appellante ten tijde van belang door alcoholgebruik zijn veroorzaakt.

   Gelet op het vorenstaande is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat het CBR op basis van de twee rapporten heeft kunnen komen tot de conclusie dat sprake is van een situatie als bedoeld in paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling en dat appellant de vereiste rijgeschiktheid mist. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het rijbewijs van appellant terecht ongeldig is verklaard.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart         w.g. Van der Smissen

Voorzitter   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007

419