Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6418

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
200603126/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 30 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Borsele (hierna: het college) medegedeeld geen aanleiding te zien een brief van appellante van 22 april 2002 ter behandeling als beroepschrift door te zenden aan de rechtbank Middelburg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603126/1.

Datum uitspraak: 17 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05/145 van de rechtbank Middelburg van 13 maart 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Borsele.

1.    Procesverloop

Bij brief van 30 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Borsele (hierna: het college) medegedeeld geen aanleiding te zien een brief van appellante van 22 april 2002 ter behandeling als beroepschrift door te zenden aan de rechtbank Middelburg.

Bij besluit van 7 januari 2005 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 13 maart 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 23 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 juli 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2006, waar appellante vertegenwoordigd door [vennoot A] en [vennoot B] en het college vertegenwoordigd door mr. A.I. Elling en ing. J.A.M. Koolen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Anders dan appellante betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de brief van het college van 30 september 2004 niet is gericht op rechtsgevolg en geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De brief van 30 september 2004 brengt geen wijziging in de wederzijdse rechten en plichten. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat de brief niet vatbaar is voor bezwaar en beroep en dat het college terecht het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.2.    Gelet op het vorengaande behoeft hetgeen appellante voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd geen bespreking.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk           w.g. Van Driel

Voorzitter         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2007

414