Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6405

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
200603053/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (hierna: het college) het door appellanten gedane verzoek om handhavend op te treden tegen de carport op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603053/1.

Datum uitspraak: 17 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 04/1252 van de rechtbank Groningen van 14 maart 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (hierna: het college) het door appellanten gedane verzoek om handhavend op te treden tegen de carport op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van dezelfde datum heeft het college aan [vergunninghouder] binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de verbouwing van voornoemde carport.

Bij besluit van 30 januari 2003 heeft het college de door appellanten tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 september 2003, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd.

Bij uitspraak van 19 mei 2004 in zaak no. 200307146/1 heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.

Bij besluit van 18 oktober 2004 heeft het college het door appellanten tegen de besluiten van 20 december 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bouwvergunning voor het bouwplan verleend.

Bij uitspraak van 14 maart 2006, verzonden op 15 maart 2006, heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 22 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 juni 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 21 juli 2006 hebben appellanten een nadere reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van alle partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2006, waar appellanten, het college en vergunninghouder met kennisgeving niet zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen gebruik heeft mogen maken van de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), omdat het bouwplan geen zogenoemd kruimelgeval is.

2.1.1.    Dit betoog slaagt niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 5 maart 2003 in zaak no. 200204245/1 volgt uit artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985) niet dat de toepassing is beperkt tot zogenoemde kruimelgevallen. In artikel 20, eerste lid, aanhef, onder a en onder 1, wordt immers als enige voorwaarde voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in geval van een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom gesteld dat het aantal woningen gelijk blijft. Aan die voorwaarde wordt voldaan. De rechtbank heeft daarom met juistheid overwogen dat zij dient te beoordelen of het college in redelijkheid van de in artikel 19, derde lid, van de WRO opgenomen vrijstellingsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

2.2.    Appellanten betogen - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zij voeren hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college op onjuiste wijze de betrokken belangen heeft afgewogen.

2.2.1.    Dit betoog treft evenmin doel. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat appellanten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat door de verbreding van de carport het geluidsniveau is toegenomen. De door appellanten overgelegde berekening van de geluidstoename ten gevolge van het verbouwen van de carport welke berekening appellanten eveneens bij de rechtbank hebben overgelegd is zeer grofmazig en in dit opzicht niet overtuigend. Hun betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ook zonder carport dezelfde voertuigen ter plekke kunnen worden gestald waarbij geluidshinder kan ontstaan, leidt evenmin tot het oordeel dat appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat door de verbreding van de carport het geluidsniveau in relevante mate is toegenomen.

   De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat het bouwplan eventuele bouwmogelijkheden van appellanten niet beperkt, nu de bebouwingsbepalingen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zuiderpark" (hierna: het bestemmingsplan) aanknopen bij de afstand tot de perceelsgrens en niet bij de afstand tot de bijgebouwen bij de buren.

   Voorts heeft het college in de beslissing op bezwaar voldoende gemotiveerd dat het bouwplan geen wijziging brengt in de openheid van de bebouwing. Het heeft hierbij in aanmerking mogen nemen dat de uitbreiding van de carport aan de voor- en achterzijde open is en aan de zijkant een doorzichtig rasterwerk bevat. Anders dan appellanten betogen is de beschrijving in hoofdlijnen als vermeld in artikel 4, sub D, van de planvoorschriften niet relevant, omdat dit artikel betrekking heeft op het verlenen van binnenplanse vrijstelling. In dit geval gaat het niet om een binnenplanse vrijstelling.

2.2.2.    Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid van de hem toekomende bevoegdheid vrijstelling te verlenen gebruik heeft kunnen maken.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Lodder

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2007

218-488.