Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6400

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
200602292/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (hierna: het college) aan de vereniging "Vereniging Nationaal Jachtschietcentrum 'Berkenhorst'" (hierna: vergunninghoudster) kapvergunning verleend voor het vellen van 1,47 hectare bos op het perceel Stakenbergweg 60 te Elspeet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602292/1.

Datum uitspraak: 17 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaken nos. 05/355 en 05/1164 van de rechtbank Zutphen van 10 februari 2006 in de gedingen tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (hierna: het college) aan de vereniging "Vereniging Nationaal Jachtschietcentrum 'Berkenhorst'" (hierna: vergunninghoudster) kapvergunning verleend voor het vellen van 1,47 hectare bos op het perceel Stakenbergweg 60 te Elspeet.

Bij besluit van 13 januari 2005 heeft het college aan vergunninghoudster een vergunning onder voorwaarden verleend voor het aanleggen van een geluidswal op het perceel Stakenbergweg 60 te Elspeet.

Bij besluit van 5 april 2005 heeft het college het tegen het besluit van 20 oktober 2004 door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft het college het door appellanten tegen het besluit van 13 januari 2005 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 10 februari 2006, verzonden op 14 februari 2006, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) de door appellanten tegen de besluiten van 5 april 2005 en 8 juni 2005 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 25 maart 2006, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 april 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 juni 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2006, waar appellanten in persoon en het college, vertegenwoordigd door P.N. Kokkes, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [voorzitter] van vergunninghoudster.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang met artikel 8:1, eerste lid van de Awb, kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

   Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat zij een persoonlijk, van andere omwonenden te onderscheiden, rechtstreeks belang hebben bij de kap- en aanlegvergunning. Hiertoe voeren zij aan dat zij vanuit het perceel aan de [locatie] te [plaats] met name in de winterperiode rechtstreeks zicht hebben op de te kappen bomen en de aan te leggen geluidswal en dat de geluidswal niet door omringende bomen aan het zicht zal worden onttrokken. Voorts heeft de rechtbank volgens appellanten ten onrechte niet van belang geacht dat het gebied waarop de kapvergunning en de aanlegvergunning betrekking hebben een zeer open landschap betreft met gespreide, vrijstaande huizen. Tenslotte voeren appellanten aan dat de rechtbank ten onrechte de invloed van de vergunde activiteiten op hun directe leefomgeving heeft onderschat, nu sprake is van een natuurgebied, waar appellanten vanwege de rust, ruimte en landschappelijke waarde zijn gaan wonen.

2.2.1.    Ter zitting is aan de hand van een getoonde luchtfoto van het perceel, waarop de aan te leggen geluidswal is geprojecteerd, gebleken dat de geluidswal door bomen blijft omringd en dat appellanten vanuit de achterzijde van hun woning beperkt zicht hebben op één punt van de geluidswal. De bomen waarvoor kapvergunning is verleend, staan verspreid over het gehele perceel waarop de geluidswal is geprojecteerd, zodat op het gedeelte van de geluidswal dat voor appellanten beperkt zichtbaar zal zijn slechts een deel van de kappen te bomen staat. Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren gekomen dat tussen het beperkt zichtbare gedeelte van de geluidswal en de woning van appellanten bebouwing en een rij bomen staan. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat de afstand tussen het perceel van appellanten en het perceel waarop de onderhavige kap- en aanlegvergunning betrekking hebben ruim 400 meter bedraagt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellanten geen vrij, rechtstreeks zicht hebben op de kaplocatie en de aan te leggen geluidswal. Voorts zijn appellanten gezien deze afstand niet in zodanig directe nabijheid hiervan woonachtig dat zij op die grond als belanghebbende omwonenden kunnen worden beschouwd. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de te kappen bomen en de aan te leggen geluidswal een directe invloed hebben op de leefomgeving van appellanten.

   Gelet op het vorenoverwogene hebben appellanten geen persoonlijk, hun in voldoende mate van andere omwonenden te onderscheiden, rechtstreeks belang bij de kap- en aanlegvergunning. De omstandigheid dat het terrein waarop de kap- en aanlegvergunning betrekking hebben, in een natuurgebied ligt waar appellanten recreëren en waaraan zij mede hun woongenot ontlenen, kan niet tot een ander oordeel leiden.

   De rechtbank is derhalve terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat appellanten geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Voorzitter, en mr. J.G. Treffers en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena          w.g. Bindels

Voorzitter        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2007

85-505.