Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6391

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
200600381/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2005 heeft de gemeenteraad van Halderberge, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 februari 2005 en 22 maart 2005, het bestemmingsplan "Buitengebied, Halderberge-Oost" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600381/1.

Datum uitspraak: 17 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de gemeenteraad van Halderberge, appellant

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2005 heeft de gemeenteraad van Halderberge, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 februari 2005 en 22 maart 2005, het bestemmingsplan "Buitengebied, Halderberge-Oost" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 15 november 2005, no. 1094870, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 10 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Timmermans, ambtenaar van de gemeente Halderberge, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.J.A.M. van der Meijden, ambtenaar van de provincie Noord-Brabant, zijn verschenen. Voorts is daar als partij [belanghebbende] gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Vrijstelling voor sleufsilo's, mestsilo's en folie- en mestbassins buiten het agrarisch bouwvlak

Het standpunt van verweerder

2.3.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan artikel 16, tabel 1 ("Vrijstelling ex. art. 15 WRO"), van de planvoorschriften, voor zover op grond van deze tabel vrijstelling verleend kan worden voor de oprichting van sleufsilo's op gronden met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarde -An-", en voor zover op grond van deze tabel vrijstelling verleend kan worden voor de oprichting van mestsilo's en folie- en mestbassins op gronden met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied -Ag-". Tevens heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de in artikel 17, derde lid, onder d en e, van de planvoorschriften opgenomen toetsingscriteria voor de toepassing van deze vrijstellingsbevoegdheden.

   Verweerder heeft erop gewezen dat toepassing van deze vrijstellingsbevoegdheden de oprichting van voorzieningen buiten het agrarisch bouwvlak mogelijk maakt. Hij acht dit in strijd met het streekplan, dat is gericht op zuinig ruimtegebruik en het tegengaan van versnippering van bebouwing, onder andere door agrarische bebouwing en voorzieningen te concentreren binnen een zogenoemd "bouwblok op maat". Derhalve dient eerst de aanvaardbaarheid van een verruiming van het agrarisch bouwvlak te worden beoordeeld, waarna de voorzieningen binnen het aldus verruimde bouwvlak kunnen worden opgericht. Voor de verruiming van agrarische bouwvlakken bevat het plan wijzigingsbevoegdheden, aldus verweerder.

Het standpunt van appellant

2.3.1.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de hiervoor genoemde planvoorschriften. Hij voert daartoe aan dat slechts in uitzonderlijke situaties vrijstelling verleend zal worden en dat het streekplan geen aanknopingspunten biedt voor de onthouding van goedkeuring. Appellant acht de onthouding van goedkeuring voorts in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat soortgelijke bepalingen in andere bestemmingsplannen van de gemeente Halderberge door verweerder wel zijn goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.3.2.     Voor de toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid voor het oprichten van sleufsilo's buiten het bouwvlak geldt het bepaalde in artikel 17, derde lid, onder d, van de planvoorschriften als toetsingscriterium. Ingevolgde deze bepaling zijn sleufsilo's na vrijstelling in beginsel buiten het agrarisch bouwvlak toelaatbaar tot een hoogte van maximaal 1,50 meter en met een bebouwingsoppervlak van ten hoogste 300 m².

2.3.2.1.    Voor de toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid voor het oprichten van mestsilo's, en folie- en mestbassins op gronden met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied -Ag-" geldt het bepaalde in artikel 17, derde lid, onder e, van de planvoorschriften als toetsingscriterium. Ingevolge deze bepaling zijn na vrijstelling voorzieningen voor mestopslag buiten het agrarisch bouwvlak toegelaten op grond van zwaarwegende redenen van bedrijfseconomische en of milieuhygiënische aard.

2.3.2.2.     Ter zitting is van de zijde van verweerder onweersproken gesteld dat soortgelijke bepalingen in andere bestemmingsplannen van de gemeente Halderberge aan het voorheen van toepassing zijnde streekplan zijn getoetst.

2.3.2.3.    Het streekplanbeleid is gericht op zuinig ruimtegebruik en op tegengaan van verstening en versnippering van het buitengebied.

Het oordeel van de Afdeling

2.3.3.    De toetsingscriteria bieden anders dan de gemeenteraad betoogt, geen waarborg voor het verlenen van vrijstelling uitsluitend in uitzonderlijke situaties. Het betoog dat voor de onthouding van goedkeuring in het streekplan geen aanknopingspunt kan worden gevonden, slaagt evenmin. Concentratie van agrarische bebouwing en voorzieningen in een begrensd bouwvlak past in de uitgangspunten van het streekplan voor de inrichting van het buitengebied. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de oprichting van de hier aan de orde zijn voorzieningen beoordeeld dient te worden in het licht van de aanvaardbaarheid van de verruiming van een agrarisch bouwvlak.

   Ten aanzien van de door gemeenteraad gemaakte vergelijking met de goedkeuring door verweerder van soortgelijke bepalingen in andere bestemmingsplannen van de gemeente Halderberge, overweegt de Afdeling dat verweerder over de goedkeuring daarvan heeft beslist ten tijde van het voorheen van toepassing zijnde de streekplan, zodat reeds daarom geen sprake is van gelijke gevallen.    

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van de raad is in zoverre ongegrond.

Hoogte torensilo's na vrijstelling

2.4.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan artikel 17, derde lid, onder c, laatste volzin, van de planvoorschriften. Daardoor kan geen vrijstelling verleend worden voor het oprichten van torensilo's tot een hoogte van maximaal 25 meter op gronden waaraan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied -Ag-" en de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" is toegekend. Volgens verweerder stuit deze hoogte op landschappelijke bezwaren, is een dergelijke hoogte niet noodzakelijk en staat deze hoogte ook niet in verhouding tot de toegelaten hoogte van 10 meter van bedrijfsgebouwen op de desbetreffende gronden. Voorts acht verweerder de vrijstellingsbepaling in strijd met het recht omdat een verruiming tot 25 meter niet van ondergeschikte aard kan worden geacht.

Het standpunt van appellant

2.4.1.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 17, derde lid, onder c, laatste volzin, van de planvoorschriften. Hij voert daartoe aan dat het plan voldoende waarborgen bevat voor een verantwoorde toepassing van deze bevoegdheid en dat het streekplan geen aanknopingspunten biedt voor de onthouding van goedkeuring omdat daarin niets is vermeld over een aanvaardbare hoogte van torensilo's. Appellant acht de onthouding van goedkeuring voorts in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat een soortgelijke bepaling in andere bestemmingsplannen van de gemeente Halderberge door verweerder wel is  goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.4.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.2.1.    Ingevolge artikel 14, derde lid, onder g, van de planvoorschriften, mogen op gronden met de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" , bouwwerken geen gebouwen zijnde, met een hoogte van maximaal 12 meter worden opgericht.

2.4.2.2.     De bij artikel 16 van de planvoorschriften behorende tabel 1 ("Vrijstelling ex artikel 15 WRO") bevat een bevoegdheid op grond waarvan vrijstelling kan worden verleend van het bepaalde in artikel 14, derde lid, van de planvoorschriften voor de oprichting van torensilo's. Blijkens de tabel vormt voor zover hier van belang, het bepaalde in artikel 17, derde lid, onder c, laatste volzin, het toetsingscriterium voor de verlening van vrijstelling.

2.4.2.3.    Ingevolgde artikel 17, derde lid, onder c, van de planvoorschriften kan vrijstelling verleend worden voor de oprichting van torensilo's tot een hoogte van 25 meter op gronden waaraan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied -Ag-" en de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" is toegekend, waarbij de in de omgeving aanwezige landschappelijke waarden in de afweging worden betrokken.

2.4.2.4.    Ter zitting is van de zijde van verweerder onweersproken gesteld dat soortgelijke bepalingen in andere bestemmingsplannen van de gemeente Halderberge aan het voorheen van toepassing zijnde streekplan zijn getoetst.

2.4.2.5.    Het streekplanbeleid is onder meer gericht op zuinig ruimtegebruik en op bescherming van landschappelijke waarden.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.3.    Dat aan de toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid de voorwaarde is verbonden dat de landschappelijke waarden in de belangenafweging dienen te worden betrokken, laat onverlet dat deze belangenafweging tot resultaat kan hebben dat vrijstelling verleend zal worden voor de oprichting van een torensilo met een maximale hoogte van 25 meter. Verweerder acht een dergelijke hoogte in het buitengebied niet aanvaardbaar. Naar het oordeel van de Afdeling past dit standpunt in het streekplan, voor zover dat is gericht op bescherming van landschappelijke waarden van het buitengebied.

   Ten aanzien van de door gemeenteraad gemaakte vergelijking met de goedkeuring door verweerder van soortgelijke bepalingen in andere bestemmingsplannen van de gemeente Halderberge, overweegt de Afdeling dat verweerder over de goedkeuring daarvan heeft beslist ten tijde van het voorheen van toepassing zijn de streekplan, zodat reeds daarom geen sprake is van gelijke gevallen.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van de raad is in zoverre ongegrond.

Vrijstelling voor de oprichting van agrarische hulpgebouwen

Het standpunt van verweerder (zie stuk 2, blz. 8)

2.5.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan artikel 16, tabel 1 ("Vrijstelling ex. art. 15 WRO"), van de planvoorschriften, voor zover op grond van deze tabel vrijstelling verleend kan worden voor de oprichting, buiten het agrarisch bouwvlak, van agrarische hulpgebouwen op gronden waaraan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-", of de hoofdbestemming "Agrarisch gebied -Ag-" is toegekend. Tevens heeft verweerder goedkeuring onthouden aan artikel 17, vierde lid, van de planvoorschriften, waarin de toetsingscriteria voor de toepassing van de vrijstellingsbepaling zijn opgenomen.

   Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bepaling in strijd is met het streekplan, dat is gericht op het behoud van open ruimte en op het tegengaan van verspreide, losstaande bebouwing in het buitengebied. Een ander belangrijk uitgangspunt van het streekplan is volgens verweerder de concentratie van agrarische bebouwing binnen het daartoe bestemde bouwvlak.

Het standpunt van appellant

2.5.1.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan voornoemde planvoorschriften. Hij voert daartoe aan dat de agrarische bedrijfsvoering gebaat kan zijn bij een hulpgebouw op landbouwgronden die op grote afstand van de huiskavel liggen. Voorts stelt hij dat het streekplan geen aanknopingspunten biedt voor de onthouding van goedkeuring omdat de oprichting van agrarische hulpgebouwen buiten het bouwblok daarin niet is uitgesloten. De raad acht de onthouding van goedkeuring voorts in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat soortgelijke bepalingen in andere bestemmingsplannen van de gemeente Halderberge door verweerder wel zijn goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.5.2.    Het streekplanbeleid is gericht op zuinig ruimtegebruik en op het tegengaan van verstening van het buitengebied.

2.5.2.1.    Ter zitting is van de zijde van verweerder onweersproken gesteld dat soortgelijke bepalingen in andere bestemmingsplannen van de gemeente Halderberge aan het voorheen van toepassing zijnde streekplan zijn getoetst.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.3.    Het betoog dat voor de onthouding van goedkeuring in het streekplan geen aanknopingspunt kan worden gevonden, slaagt niet. Concentratie van agrarische bebouwing en voorzieningen in een begrensd bouwvlak, past in de uitgangspunten van het streekplan voor de inrichting van het buitengebied. Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met de goedkeuring door verweerder van een soortgelijke bepaling in andere bestemmingsplannen van de gemeente Halderberge, overweegt de Afdeling dat verweerder over de goedkeuring daarvan heeft beslist ten tijde van het voorheen van toepassing zijn de streekplan, zodat reeds hierom geen sprake is van gelijke gevallen.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van de raad is ook in zoverre ongegrond.    

Perceel Sprangweg 1

Het standpunt van verweerder

2.6.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan artikel 16, tabel 1 ("Vrijstelling ex. art. 15 WRO"), van de planvoorschriften, voor zover op grond van deze tabel vrijstelling verleend kan worden voor de oprichting van een éérste agrarische bedrijfswoning op gronden waaraan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" is toegekend. Tevens heeft verweerder goedkeuring onthouden aan artikel 17, derde lid, onder b, van de planvoorschriften, voor zover deze bepaling de toetsingscriteria bevat voor de toepassing van deze bevoegdheid. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een eerste agrarische bedrijfswoning op grond van gemeentelijk en provinciaal beleid reeds bij recht is toegelaten, zodat deze bepaling kan worden gemist. Voorts vreest verweerder dat deze bepaling zal worden toegepast bij de splitsing van agrarische bouwvlakken, waarbij de bestaande bedrijfswoning van het agrarisch bouwvlak wordt afgesplitst en als burgerwoning in gebruik wordt genomen.

   Bij het bestreden besluit heeft verweerder tevens goedkeuring onthouden aan de oostgrens van het agrarisch bouwvlak dat blijkens detailplankaart 8 aan het perceel Sprangweg 1 is toegekend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze oostgrens zodanig moet worden verschoven dat de woning op het perceel als agrarische bedrijfswoning binnen de grens van het agrarische bouwvlak wordt gebracht. Tevens heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de aanduiding "40" op plankaart 1A, die betrekking heeft op het toekennen van een woonbestemming aan de voormalige agrarische bedrijfswoning aan de Sprangweg 1.

   Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bedrijfswoning en bijbehorende opstallen in planologisch opzicht als één geheel beschouwd moeten worden. Voorkomen dient te worden, aldus verweerder, dat er op deze wijze in strijd met het streekplan een nieuwe burgerwoning in het buitengebied ontstaat, die bovendien belemmeringen met zich kan brengen in de agrarische bedrijfsvoering, en dat op het afgesplitste agrarische bouwvlak een nieuwe agrarische bedrijfwoning wordt gerealiseerd.

Het standpunt van appellant

2.6.1.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de planregeling voor het perceel Sprangweg 1. Hij wijst erop dat de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" en de aanduiding "0bw" op het agrarische bouwvlak Sprangweg 1 bij recht geen bedrijfswoning toelaten. Doordat verweerder reeds goedkeuring heeft onthouden aan de mogelijkheid om met vrijstelling een éérste agrarische bedrijfswoning op te richten, is de onthouding van goedkeuring aan de oostgrens van het bouwvlak volgens de raad te verstrekkend. Ten aanzien van de onthouding van goedkeuring aan het plandeel dat de woning betreft, stelt de raad dat de toegekende bestemming in overeenstemming is met de feitelijke situatie.

Vaststelling van de feiten

2.6.2.    Aan het perceel Sprangweg 1 is blijkens plankaart 1 de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-" toegekend. Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder d, van de planvoorschriften, zijn deze gronden bestemd voor wonen, overeenkomstig de aanduiding op plankaart 1A, met dien verstande dat ten hoogste een oppervlakte van 1500 m² van de omliggende gronden voor de woonfunctie mag worden gebruikt. Ten aanzien van de inrichting en het bouwen geldt het bepaalde in artikel 8. Aan een deel van het perceel is tevens de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" toegekend.

2.6.2.1.    Het streekplan is erop gericht, mede ter bescherming van agrarische belangen, het ontstaan van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied te voorkomen. Tevens is het streekplan gericht op het voorkomen van onnodige verstening van het buitengebied.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.3.    De planregeling voor de voormalige bedrijfswoning brengt teweeg dat in het buitengebied een nieuwe burgerwoning is toegestaan.  Verweerder heeft dat in redelijkheid in strijd met het streekplan kunnen achten. In de privaatrechtelijke afsplitsing van de voormalige bedrijfswoning van het agrarisch bedrijf behoefde verweerder geen aanleiding te zien vanwege bijzondere omstandigheden als bedoeld in het streekplan van het streekplanbeleid af te wijken. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het streekplan er ook toe strekt het ontstaan van burgerwoningen door afsplitsing van een agrarisch bouwperceel tegen te gaan.

   De begrenzing van het door de raad vastgestelde agrarische bouwvlak voor het perceel Sprangweg 1 brengt met zich dat het niet uitgesloten moet worden geacht dat binnen het bouwvlak in de toekomst een nieuwe bedrijfswoning kan worden gerealiseerd. Het streekplan laat immers in beginsel op een agrarisch bouwvlak een bedrijfswoning toe. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande met recht op het standpunt gesteld dat de splitsing van het bouwvlak in strijd is met het streekplan, omdat dit onnodige verstening met zich kan brengen.

   Het betoog dat de onthouding van goedkeuring aan de planregeling voor het perceel Sprangweg 1 te verstrekkend moet worden geacht, gelet op het feit dat verweerder tevens goedkeuring heeft onthouden aan de mogelijkheid om met vrijstelling een eerste bedrijfswoning op een agrarisch bouwvlak op te richten, slaagt niet. De onthouding van goedkeuring strekt er niet toe dat de raad van Halderberge bij de herziening van het plan ingevolge artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de voormalige bedrijfswoning alsnog als zodanig binnen de begrenzing van het agrarische bouwvlak brengt.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van de raad is ook in zoverre ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren         w.g. Tulmans

Voorzitter            ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2007

381