Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6388

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
200604915/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een rundvee- en schapenhouderij op het perceel aan de [locatie] ongenummerd te [plaats]. Dit besluit is op 7 juni 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604915/1.

Datum uitspraak: 17 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] allen wonend te [woonplaats], gemeente Buren,

en

het college van burgemeester en wethouders van Buren,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een rundvee- en schapenhouderij op het perceel aan de [locatie] ongenummerd te [plaats]. Dit besluit is op 7 juni 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 4 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is nog een nader stuk ontvangen van [appellant]. Dit is aan partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2006 waar [appellant] in persoon en de overige appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door B.J.M. Oostrik, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder.

2.    Overwegingen

2.1.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellanten niet-ontvankelijk is voor zover dit betrekking heeft op de ligging van de op te richten inrichting ten opzichte van de kersenboomgaard, de schade aan de kersenboomgaard ten gevolge van ammoniak, stof en fijn stof, de cultuurhistorische waarde van de kersenboomgaard, de vrees voor gezondheidsproblemen bij personeel van de boomgaard en de onrechtvaardigheid van het systeem van de categorie-indeling in het licht van de gelijke bescherming van burgers en boeren.

   Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht kan geen beroep ingesteld worden door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

   Dit artikel moet, gezien de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/04, 29421, nr. 3, blz. 5 e.v. en nr. 11), aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten over een onderdeel geen zienswijze naar voren te hebben gebracht.

   Aan een besluit inzake een vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer ligt een aantal beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen, zoals geluidemissie en geuremissie, ten grondslag. Deze beslissingen kunnen naar het oordeel van de Afdeling als onderdelen in vorenbedoelde zin van dat besluit worden beschouwd. Gelet hierop en gezien de weergegeven uitleg van artikel 6:13, kunnen in beroep in beginsel slechts categorieën milieugevolgen aan de orde worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht.

   Appellanten hebben tegen het ontwerpbesluit onder meer zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot stankhinder en de in dit verband door verweerder gehanteerde categorie-indeling. De beroepsgrond met betrekking tot de onrechtvaardigheid van het systeem van de categorie-indeling in het licht van de gelijke bescherming van burgers en boeren heeft daarop eveneens betrekking. Gelet hierop is er - anders dan verweerder stelt - geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op dat punt. Appellanten hebben tegen het ontwerpbesluit geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot de overige hierboven door verweerder genoemde categorieën milieugevolgen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij over deze categorieën milieugevolgen geen zienswijzen naar voren hebben gebracht. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2.    De vergunning heeft betrekking op het houden van 90 zoogkoeien, 80 stuks jongvee, 20 vleesstieren (tot 6 maanden), 60 vleesstieren (6 tot 24 maanden) en 250 schapen.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.    Appellanten vrezen stankhinder en ongedierte vanwege de op te richten inrichting. Verder stellen appellanten dat de woning [locatie] een burgerwoning in plaats van een bedrijfswoning is en dus als een categorie III- in plaats van een categorie IV-object in de zin van de brochure Veehouderij en Hinderwet dient te worden aangemerkt. Zij zijn ook van mening dat in het systeem van de categorie-indeling een onrechtvaardigheid bestaat in het licht van de gelijke bescherming van burgers en boeren. Voorts voeren appellanten aan dat de afstand tussen de bouwkavel van de inrichting en de woning [locatie] dan wel de bouwkavel van [locatie] slechts 120 meter respectievelijk 100 meter zou bedragen. Daarnaast ontstaat volgens appellanten het gevaar dat door het gebruik van vogel-afschrikapparatuur op het perceel van [appellant] het vee van de vergunninghouder onrustig wordt, waardoor [appellant] zijn activiteiten met betrekking tot de boomgaard zou moeten staken. Ten slotte vrezen appellanten voor visuele hinder.

2.5.    Verweerder heeft bij de beoordeling van stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) en de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd. Voor zover in de brochure in de categorie-indeling van de omgeving een onderscheid wordt gemaakt tussen agrarische en niet-agrarische bebouwing acht de Afdeling de brochure in dit opzicht niet in strijd met het recht.

   Verweerder heeft, voor het rundvee waarvoor ingevolge de Richtlijn vaste afstanden gelden en het rundvee waarvoor omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden gelden, een afzonderlijke beoordeling gemaakt als bedoeld in paragraaf 2.2, onder 2, van de Richtlijn.

2.6.    Voor de vergunde diercategorie rundvee, waartoe de 90 stuks zoogkoeien ouder dan 2 jaar en 80 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar behoren, geldt op grond van de Richtlijn een minimaal aan te houden vaste afstand van 50 meter tussen de dichtst bij de inrichting gelegen woning en het dichtst bij die woning gelegen emissiepunt van de inrichting. Deze afstand geldt voor zowel categorie III- en categorie IV- objecten. Verweerder is bij de beoordeling van stankhinder ervan uitgegaan dat de dichtst bij gelegen agrarische woning [locatie] is.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting worden de stallen natuurlijk geventileerd. Bij de afstandsmeting is verweerder derhalve terecht uitgegaan van de afstand tussen de buitenzijde van het stankgevoelig object en het dichtst bij dit gevoelig object gelegen emissiepunt van de inrichting.  Verder is gebleken dat deze afstand groter dan 50 meter is. Daargelaten of de woning aan [locatie] een categorie III- of IV-object is, wordt aan de minimaal aan te houden afstand van 50 meter voldaan.

   Voor de vergunde diercategorieën waarvoor omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden gelden, waartoe de 80 vleesstieren en de 250 schapen behoren, staat vast dat het aangevraagde aantal dieren omgerekend naar mestvarkeneenheden afgerond 150 is. Daarvoor geldt bij categorie III- en categorie IV-objecten een minimale afstand van 58 meter respectievelijk 50 meter tussen de buitenzijde van deze objecten en het dichtst bij deze objecten gelegen emissiepunt van de inrichting. Vaststaat dat eveneens aan deze minimale afstanden wordt voldaan.

    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor stankhinder niet behoeft te worden gevreesd.

2.7.    Ter voorkoming dan wel beperking van overlast door ongedierte heeft verweerder voorschrift 1.2. aan de vergunning verbonden, op grond waarvan het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen en zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet plaatsvinden. De Afdeling is van oordeel dat verweerder dit voorschrift in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten.

2.8.    Wat betreft de grond inzake de belemmering van het gebruik van afschrikapparatuur voor vogels overweegt de Afdeling dat deze grond geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en om die reden niet kan slagen.

2.9.    De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling echter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.10.    Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het beroep betrekking heeft op de milieugevolgen voor de kersenboomgaard en het personeel;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting    w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat    

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2007

159-541.