Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6382

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
200609269/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2006 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege het afvoeren van sorteerzeefzand in strijd met artikel 10.37, tweede lid, van de Wet milieubeheer en de aan de bij besluit van 13 juli 2005 voor de inrichting verleende vergunning verbonden voorschriften D4 en D11.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2007/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609269/1.

Datum uitspraak: 12 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2006 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege het afvoeren van sorteerzeefzand in strijd met artikel 10.37, tweede lid, van de Wet milieubeheer en de aan de bij besluit van 13 juli 2005 voor de inrichting verleende vergunning verbonden voorschriften D4 en D11.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 22 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 januari 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, T.K.E. de Jong, J. Verheij en A. Bolt, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J.L.J. Post, L.G.H.M. Brouwers en M.J. Battem, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Verzoekster exploiteert een inrichting voor het op- en overslaan, bewerken en sorteren van bedrijfsafvalstoffen, grof huishoudelijk afval en bouw- en sloopafval. Het sorteerzeefzand dat vrijkomt bij gebruik van de sorteerinstallatie wordt afgegeven aan Dutch Infra Tech B.V. voor gebruik op een terrein gelegen aan de Boezembocht 30 te Rotterdam.

2.2.    Ingevolge artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel geldt het verbod niet indien bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven aan een persoon die bevoegd is de betrokken afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen:

1°. krachtens hoofdstuk 8;

2°. op grond van een krachtens artikel 10.2, tweede lid, verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens artikel 10.63, tweede of derde lid, van het verbod, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid;

3°. krachtens artikel 10.52;

4°. op grond van een krachtens artikel 10.54, derde lid, verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens artikel 10.63, derde lid, van het verbod, bedoeld in artikel 10.54, eerste lid.

   Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift D4 dient onder meer sorteerzeefzand (0-20 mm) te worden gescheiden, gescheiden te worden gehouden in de daarvoor bestemde en geschikte opslagvoorzieningen en gescheiden te worden afgevoerd naar een erkend verwerkingsbedrijf.

   In vergunningvoorschrift D11, voor zover hier van belang, is bepaald dat het sorteerzeefzand niet gemengd mag worden met andere materialen en apart moet worden opgeslagen en moet worden afgevoerd naar een daarvoor erkend verwerker.

2.3.    Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat verzoekster in strijd met artikel 10.37, tweede lid, van de Wet milieubeheer en de vergunningvoorschriften D4 en D11 heeft gehandeld, omdat zij sorteerzeefzand uit de inrichting niet heeft afgegeven aan een vergunninghouder. Verweerder stelt dat Dutch Infra Tech B.V. niet over een geldige vergunning op grond van de Wet milieubeheer beschikt voor het accepteren van deze afvalstoffen; ditzelfde geldt volgens verweerder voor VH Infra B.V., dat in opdracht van Dutch Infra B.V. werkt.

2.3.1.    Verzoekster voert aan dat geen sprake is van een overtreding. Volgens haar kan Dutch Infra Tech B.V. worden beschouwd als een erkende verwerker. In dit verband voert zij aan dat Dutch Infra Tech B.V. het sorteerzeefzand toepast als bouwstof conform het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming (hierna: het Bouwstoffenbesluit) en op die grond bevoegd is het sorteerzeefzand in ontvangst te nemen. Voor deze activiteit is volgens verzoekster geen vergunning op grond van de Wet milieubeheer vereist.

2.3.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat Dutch Infra Tech B.V. het sorteerzeefzand uit de inrichting van verzoekster gebruikt voor de aanleg van een cementgebonden fundering op het terrein aan de Boezembocht te Rotterdam. Na het aanbrengen van deze fundering kan met behulp van dezelfde installatie op deze locatie vloeibaar of vast bouwmateriaal worden geproduceerd, dat elders wordt toegepast.

   Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft het college van gedeputeerde voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer het opslaan en bewerken van diverse soorten, deels gevaarlijke, afvalstoffen op het terrein aan de Boezembocht. Dit besluit is door de Voorzitter bij uitspraak van 27 december 2006 in zaak no. 200608609/2 geschorst.

2.3.3.    Ingevolge artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden. Ingevolge het tweede lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

   In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen is als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer aangewezen het zich van afvalstoffen ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten de inrichting op of in de bodem te brengen indien dit geschiedt overeenkomstig het Bouwstoffenbesluit in een werk waarin afvalstoffen, met uitzondering van avi-bodemas, worden gebruikt als bouwstof.

   Gelet op het bepaalde in artikel 10.37, tweede lid, onder b, onder 2°, van de Wet milieubeheer, is derhalve ook sprake van afgifte aan een erkende verwerker indien afvalstoffen buiten een inrichting overeenkomstig het Bouwstoffenbesluit als bouwstof in een werk worden toegepast. Ter beoordeling staat derhalve of het gebruik van sorteerzeefzand uit de inrichting van verzoekster ten behoeve van de aanleg van een cementgebonden fundering op het terrein aan de Boezembocht moet worden beschouwd als toepassing als bouwstof conform het Bouwstoffenbesluit in een werk buiten een inrichting.

2.3.4.    In een brief van 9 maart 2006 aan Milon B.V. heeft DCMR Milieudienst Rijnmond (hierna: DCMR) zich op het standpunt gesteld dat de aanleg van de onderhavige fundering van te korte duur is om te kunnen spreken van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Voorts is ter zitting een ongedateerde brief van DCMR aan Dutch Infra Tech B.V. overgelegd, per fax verzonden op 22 december 2006, waarin DCMR heeft ingestemd met de toepassing van onder meer sorteerzeefzand als bouwstof voor de cementgebonden fundering op het terrein aan de Boezembocht. Voorts is gebleken dat Gemeentewerken Rotterdam en DCMR hebben ingestemd met het Plan van Aanpak voor de verschillende fasen van de aanleg van de fundering op het terrein.

   Naar het oordeel van de Voorzitter kan op grond van het voorgaande voorshands niet worden uitgesloten dat het sorteerzeefzand overeenkomstig het Bouwstoffenbesluit wordt toegepast als bouwstof in een werk buiten een inrichting, zodat het bepaalde in artikel 10.37, tweede lid, aanhef en onder b, onder 2°, van de Wet milieubeheer van toepassing is.

   Door bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een overtreding slechts te overwegen dat Dutch Infra Tech B.V. niet over een geldige milieuvergunning beschikt voor de acceptatie van sorteerzeefzand uit de inrichting van verzoekster, heeft verweerder miskend dat op grond van artikel 10.37, tweede lid, van de Wet milieubeheer afgifte aan een erkende verwerker ook op andere wijze mogelijk is dan enkel door afgifte aan een vergunninghouder.

   Dit brengt mee dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of artikel 10.37, tweede lid, van de Wet milieubeheer en de vergunningvoorschriften D4 en D11 zijn overtreden. Bij het nemen van een beslissing op bezwaar zal verweerder dienen te bezien of de afgifte van sorteerzeefzand aan Dutch Infra Tech B.V. ten behoeve van de aanleg van een cementgebonden fundering voldoet aan het bepaalde in artikel 10.37, tweede lid, aanhef en onder b, onder 2°, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2 van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

2.4.    Gelet op het vorenstaande, alsmede op de belangen van verzoekster en op de omstandigheid dat door de afvoer van sorteerzeefzand naar het terrein van Dutch Infra Tech B.V. in Rotterdam naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter geen milieubelangen worden geschaad, ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 22 december 2006, kenmerk B/21280 DMB 2006 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amsterdam aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de gemeente Amsterdam aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink          w.g. Heijerman

Voorzitter           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007

255-483.