Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6381

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
200608407/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft verweerder aan verzoekster een aantal lasten onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en vanwege het overtreden van de voorschriften 1.4 en 3.2 die zijn verbonden aan de bij besluit van 26 juni 1991 krachtens de Hinderwet verleende vergunning (hierna: de Hinderwetvergunning).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608407/1.

Datum uitspraak: 12 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft verweerder aan verzoekster een aantal lasten onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en vanwege het overtreden van de voorschriften 1.4 en 3.2 die zijn verbonden aan de bij besluit van 26 juni 1991 krachtens de Hinderwet verleende vergunning (hierna: de Hinderwetvergunning).

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 21 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 december 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [directeur] en verweerder, vertegenwoordigd door S. de Groot, A.W. Adriaanse, ing. W.A.J.M. Michels en ing. A. Huisman, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder de volgende lasten onder dwangsom opgelegd.

   €1.000,00 per constatering dat sprake is van overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer doordat binnen de inrichting IBC containers met spoelbeits en spoelbeits gemend met water aanwezig zijn, met een maximum van € 10.000,00.

   € 1.500,00 per week dat sprake is van overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer doordat binnen de inrichting een beitsplaats aanwezig is, met een maximum van € 15.000,00.

   €1.000,00 per constatering dat sprake is van overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer doordat binnen de inrichting in een zeecontainer divers (gevaarlijke) stoffen worden opgeslagen, met een maximum van € 10.000,00

   €10.000,00 per week dat sprake is van overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer doordat de inrichting aan de westzijde is uitgebreid, met een maximum van € 100.000,00.

   €20.000,00 per week dat sprake is van overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer doordat de inrichting aan de oostzijde is uitgebreid, met een maximum van € 200.000,00.

   €5.000,00 per week dat sprake is van overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer doordat binnen de inrichting een gloeioven aanwezig is, met een maximum van € 50.000,00.

   € 1.000,00 per geconstateerde overtreding van voorschrift 1.4, behorende bij de vigerende Hinderwetvergunning, met een maximum van € 10.000,00.

   € 1.000,00 per geconstateerde overtreding van voorschrift 3.2, behorende bij de vigerende Hinderwetvergunning, met een maximum van € 10.000,00.

2.2.    Verzoekster betwist dat de aanwezigheid van de beitsplaats, de spoelbeits en de gloeioven op het buitenterrein in strijd is met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Zij stelt dat het beitsen als activiteit (zijnde het incidenteel afwerken van producten) bij de Hinderwetvergunning impliciet is vergund. Voorts stelt zij dat de aanwezigheid en het gebruik van de gloeioven onder voorschrift 1.17 van de Hinderwetvergunning valt.

2.2.1.    In voorschrift 1.17 behorende bij de Hinderwetvergunning is - kort weergegeven - bepaald dat op het buitenterrein van de inrichting, behoudens opslag- en transportactiviteiten, slechts niet-verspanende metaalbewerking mag plaatsvinden.

2.2.2.    De Voorzitter overweegt dat voorschrift 1.17 niet zodanig kan worden uitgelegd dat voornoemde activiteiten onder dit voorschrift zijn toegestaan. Verder is gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat dergelijke activiteiten bij de Hinderwetvergunning zijn aangevraagd dan wel (impliciet) zijn vergund.

2.3.    Verzoekster stelt dat ten aanzien van de stoffen in de zeecontainer en ten aanzien van het overtreden van de voorschriften 1.4 en 3.2 ten onrechte dwangsommen zijn opgelegd nu tijdens de controle op 28 juli 2006 is geconstateerd dat deze overtredingen zijn beëindigd.

   Uit het controlerapport van 28 juli 2006 volgt dat in de zeecontainer diverse gevaarlijke stoffen, waaronder een natriumhydroxide-oplossing, zijn aangetroffen. Het betoog van verzoekster mist in zoverre feitelijke grondslag. Ten aanzien van de overtreden voorschriften 1.4 en 3.2 is ter zitting gebleken dat deze voorschriften eerder wel zijn overtreden en dat verweerder de lasten heeft opgelegd om een herhaling hiervan te voorkomen. In het betoog van verweerder ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte bevoegd heeft geacht om deze lasten onder dwangsom op te leggen.

2.4.    Verzoekster betoogt dat het terrein aan de oostzijde deel uitmaakt van de aangeduide kadastrale kavel, waarvoor in 1991 een Hinderwetvergunning is verleend. Volgens verzoekster mag worden aangenomen dat met de aanduiding in de Hinderwetvergunning is uitgegaan van hetgeen in het bestemmingsplan is vastgelegd, zodat er geen sprake is van een overtreding.

   De activiteiten die op het terrein aan de oostzijde plaatsvinden zijn in de onderliggende Hinderwetvergunning niet aangevraagd dan wel vergund. Of dit gedeelte van het terrein wel of geen onderdeel uitmaakt van de kavel maakt dit niet anders.

2.5.    Verzoekster betoogt dat verweerder ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd vanwege de uitbreiding van de inrichting aan de westzijde.

   De Voorzitter overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de inrichting aan de westzijde is uitgebreid. Verder is niet gebleken dat deze activiteiten bij de onderliggende Hinderwetvergunning zijn aangevraagd dan wel vergund.

2.6.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij ten aanzien van de bovengenoemde overtredingen bevoegd was handhavend op te treden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.    Verzoekster stelt dat de lasten onder dwangsom ten onrechte zijn opgelegd nu er concreet uitzicht is op legalisatie, waarbij de vermeende overtredingen worden gelegaliseerd. Voorts voert zij aan dat de opgelegde dwangsommen onevenredig zijn en het bovendien onmogelijk is om een ontvankelijke aanvraag in te dienen, aangezien verweerder niet wil meewerken aan een vestiging op een andere locatie.

   Anders dan verzoekster stelt is er geen sprake van concreet uitzicht op legalisatie nu verweerder negatief heeft beslist op een aanvraag om een vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan behoort te worden afgezien van handhaving. Derhalve heeft verweerder de lasten onder dwangsom terecht opgelegd.

2.8.    Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dan ook af.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink       w.g. Van Hardeveld

Voorzitter       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007

312-517.